Home

Heel Europa door op zoek naar De Blauwe Vlo – de verdwenen legendarische Mini Marcos van Le Mans

Autojournalist Jeroen Booij werd gegrepen door het David versus Goliath-achtige verhaal van een klein autootje dat op Le Mans de strijd aanging met de grootste racers, maar daarna van de aardbodem verdween. Hij kon niet anders dan op zoek gaan naar de verloren gewaande Mini Marcos.

De zon schijnt uitbundig als Jurgen Kersten op 6 december 2016 zijn busje stilzet langs de stoep aan de Avenida Olivença in Montijo, Portugal. Jurgen woont bij mij om de hoek in het Gelderse Leuvenheim. Nu zit ik met bonzend hart naast hem. Met ijsmutsen op zijn we twee dagen eerder vertrokken, we zijn vrijwel continu onderweg geweest.

De reis verliep prima, maar nu breekt het zweet mij uit. Ik heb op deze plaats afgesproken om de auto te kopen waarnaar ik al jaren op zoek ben. Eigenlijk is het niet meer dan het wrak ervan. Want los van de carrosserie met deuren en motorkap, ook nog eens in slechte staat, ontbreken de meeste onderdelen en de papieren.

Over de auteur
Jeroen Booij (1975) werkte als redacteur van twee autotijdschriften voordat hij freelance autojournalist werd. Hij schrijft het liefst over klassieke en obscure auto’s. Hij schreef een serie van drie boeken over de Mini, Maximum Mini deel 1 tot en met 3.

Ik heb slechts drie foto’s gekregen en weet zelfs niet of-ie hier wel echt staat, maar ik denk van wel. De deal is tot stand gekomen via een tussenpersoon die heeft bewezen heetgebakerd te zijn; een eerdere afspraak werd afgekapt toen ik om naam en adres van de eigenaar vroeg om een voorschot te kunnen overmaken. Nu lijkt het toch te gaan gebeuren. In een sporttas heb ik vijfhonderd briefjes van 50 euro verstopt, 25.000 euro.

Waanzin

Waanzin? Zeker. Maar aan de auto die ik op het spoor ben, kleeft een bijzonder verhaal waarvan ik in de ban ben geraakt. Het is de enige Mini die ooit de finishlijn van de roemruchte 24-uursrace van Le Mans heeft gehaald; een Mini met speciale carrosserie van de Britse firma Marcos, aanzienlijk lichter en gestroomlijnder dan een standaardexemplaar. Er werden er weliswaar meer gebouwd, maar er was er maar eentje die de strijd aanging met de haast twee keer zo grote Ferrari’s, Fords en Porsches met tot wel vijf maal zo veel vermogen.

Le Mans van het jaar 1966 zou de boeken ingaan als ontknoping in de strijd tussen het gefortuneerde Ford uit Amerika en het almachtige Italiaanse Ferrari. Ford won. Dat verhaal spreekt tot op heden tot de verbeelding en inspireerde tot tal van boeken, films en documentaires.

Toch was het de kleine Mini Marcos met startnummer 50 die de harten van het publiek stal. Uit een verslag: ‘Iedereen die de 24 uren van Le Mans op televisie heeft gezien, herinnert zich vast nog wel dat de commentator op zondag zei dat een kleine Britse auto de lieveling van het publiek was geworden. Tegen het einde van de race zag je een glimp van dit reislustige machientje, dat als een trein naar het einde van een van de zwaarste races ter wereld reed.

Er waren eigenlijk maar weinig mensen die verwachtten dat het wagentje dat jaar de openingsronden zou halen, laat staan de finish. Maar terwijl auto na auto uitviel, ging de kleine Marcos maar door en werd het zelfs de enige Britse auto die dat jaar finishte.’ De Mini kreeg van pers en publiek de bijnaam La Puce Bleue – De Blauwe Vlo.

Gestolen

Maar een leven in de schijnwerpers zit er na Le Mans niet in. Het verhaal dat er op volgt in een notendop: het wagentje rijdt nog wat lokale wedstrijden in Frankrijk, wordt zes maal doorverkocht en verdwijnt in oktober 1975 helemaal van de radar als het in een buitenwijk van Parijs van de laatst bekende eigenaar wordt gestolen. Ik kom in contact met die man. Hij woont nog altijd op dezelfde plek en ik zoek hem voor vertrek naar Portugal op in de hoop op meer duidelijkheid.

Het levert weinig op. Ik krijg wel te horen dat hem toentertijd 7.500 Franse francs is uitgekeerd door de verzekeringsmaatschappij en kom erachter dat de diefstal allang is verjaard.

In tegenstelling tot deze Fransman weet de man in Portugal met wie ik via via in contact ben gekomen er duidelijk meer van. Doorslaggevend is de foto die ik na veel aandringen krijg. Daarop is het dak van de auto te zien; daar waar met schuurpapier de laklagen als van een toverbal zijn blootgelegd.

Dankzij informatie die ik heb gekregen van eerdere eigenaars weet ik dat de Marcos na het oorspronkelijke blauw met een gele streep nog een aantal keren is overgespoten. Eerst lichtblauw met een oranje streep, toen donkergroen, felrood en tot slot bordeauxrood. Precies die kleuren in precies die volgorde zijn hier te zien.

En ook de gaten waar de kenmerkende knipperlichten en de enorme benzinevuldop zaten, kloppen. Een nagenoeg onbekende foto uit 1970 die ik van een Franse kennis heb gekregen, toont het wagentje aan de start van een lokale race en daarop is te zien dat de motorkap ooit is aangepast; dat één van de gaten voor de ruitenwissers werd gedicht en de grille-opening is verzaagd. Dat alles is onveranderd aanwezig. Voor mij is dan al duidelijk: het is hem echt.

Aftands

‘Stop bij de stierenvechtersarena en ik zal jullie vinden. Ik rijd in een zwarte Audi A4’, heeft de Portugese tussenpersoon geschreven voor vertrek. Die arena blijkt een voetbalstadion en stoppen aan deze drukke weg lijkt onmogelijk. Een straat verderop dan maar.

Ik bel het mobiele nummer om uit te leggen waar we staan. Gelukkig pakt ons tussenmannetje zijn telefoon op, kent hij de plaats en zegt eraan te komen. Niet in een zwarte Audi, zo blijkt tien lange minuten later, maar in wat haast wel de meest aftandse Volkswagen Polo van Portugal moet zijn. De eigenaar van de Mini Marcos zit naast hem en het duo ziet er eveneens uit alsof ze aan een grondige was- en scheerbeurt toe zijn.

We rijden achter hen aan naar een woonhuis. Ik zweet nu als een otter en ook Jurgen is opeens wel heel stil. Voor de garage ligt een hond aan de ketting die gemeen begint te blaffen. De eigenaar van zowel auto als hond drukt ons op het hart dat er met dit dier niet te sollen valt.

Natuurlijk wil ik de auto nu zien en mijn verbazing is groot als de garagedeur opengaat. De Marcos staat in een hoek, maar is amper te zien door een berg spullen ervoor en erop: dozen, kratten, tassen, rommel. Maar ik zie de geschuurde plek op het dak. En er zijn nog meer plaatsen waar aan de carrosserie is geschuurd en de oude laklagen zichtbaar zijn.

Geen twijfel

We schuiven alles opzij en eindelijk inspecteer ik de auto van dichtbij. Het is duidelijk dat er een rolkooi in heeft gezeten – een buizenframe dat de bestuurder beschermt wanneer de auto op de kop belandt – maar die is er grof uitgeslepen. De gaten in de deuren, waarin oorspronkelijk lampjes hebben gezeten om het startnummer 50 tijdens de nacht te verlichten, zijn weliswaar dichtgemaakt, maar ze zijn onmiddellijk herkenbaar. Ook het grote gat van de benzinevuldop en de kleintjes van de ronde achterlichten laten geen twijfel bestaan.

De enorme 80 liter-benzinetank die speciaal werd gemaakt is er ook. Ik herken hem van oude foto’s die ik drie jaar eerder kreeg van de man die de tank oorspronkelijk maakte. En zo zijn er nog meer details. Het kan niet missen: het is de Le Mans Mini Marcos.

Natuurlijk wil ik weten hoe deze auto hier terecht is gekomen. De eigenaar zegt dat hij de carrosserie zo’n tien jaar eerder heeft gekocht van iemand in het noorden van Portugal, die hem vertelde dat ze uit een van de Portugese koloniën in Afrika kwam. Hij weet niet welke.

Hij zegt de auto zelf te hebben willen restaureren, maar dat kwam er nooit van. Pas als hij een Mini-specialist vraagt om de Mini Marcos weer voor hem door te verkopen, valt die persoon op dat er ooit een rolkooi in zat. Net als de wel erg grote tank. Daar is mee geracet, is zijn idee.

Geen weg terug

Al speurend stuiten de heren op verhalen die ik heb gepubliceerd over de lang geleden gestolen Le Mans-auto en trekken ze dezelfde conclusie als ik. Ze benaderen een vriend van mij, Joost, die ze vaag kenden. Voor mijn gevoel is er nu geen weg meer terug – de auto moet mee naar Nederland.

Maar inladen blijkt nog een hele toer. Het hek waar hij doorheen moet, zit op slot en de sleutel is mee met de moeder van de eigenaar. Maar zij kan ieder moment terugkomen, zegt hij. Daarop besluiten we niet te wachten. In de keuken wordt het geld tergend langzaam geteld, twee keer. Daarna tillen we, met alle risico van dien, de carrosserie met zijn vieren over het anderhalve meter hoge hek.

Het gaat goed. En hij blijkt op z’n kant nét aan in Jurgens bus te passen. We hebben kussens en een matras mee waarop de Mini kan steunen en zijn blij dat we de 2.300 kilometer terug naar huis niet met open achterdeuren hoeven te rijden. De ontlading is enorm als we weer richting Lissabon rijden. We nemen door wat ons is overkomen; de vage afspraak en dito ontmoetingsplaats; het feit dat de auto ingebouwd stond en over het hek moest.

Nadat we half Europa hebben doorkruist, ging het allemaal toch heel snel. Maar het belangrijkst is dat de koop is geslaagd en de auto na decennialang zoek te zijn geweest nu boven water is. Daarmee is de grootste horde in de terugkeer van de Blauwe Vlo genomen.

Spanning

Bij de Frans-Spaanse grens worden we aangehouden en vrezen we gedoe om papieren die er niet zijn, maar het is niets vergeleken met de spanning van eerder. Eenmaal thuis stel ik een lange lijst op van alle benodigde onderdelen om het autootje na al die jaren weer op te bouwen tot de staat waarin het in juni 1966 verkeerde.

Ruim een jaar later kom ik erachter dat het verhaal over de Afrikaanse kolonie een verzinsel is. Ik heb dan al een artikel gepubliceerd in het tijdschrift Classic Cars Africa met de vraag of iemand de auto daar ooit heeft gezien. Ik krijg geen reacties.

Maar in maart 2018 belt iemand vanuit Portugal. Hij heeft de auto in 1993 gezien in Coimbra bij een handelaar in klassieke auto’s en heeft zelfs een foto. Daarop staat hij rechtop tegen de wand van een werkplaats. Ook hem vielen toen al de rolkooi, de grote tank en diverse kenmerkende gaten op. En ook hij trok al de conclusie dat dit de Le Mans-wagen moest zijn.

Hij vertelt mij: ‘Ik kwam erachter hoe het zat. Er was vroeger een andere Mini Marcos in Portugal en daar was ook mee geracet. Toen die wagen verongelukte, ging de eigenaar op zoek naar een donorauto om hem weer op te bouwen en vond deze carrosserie in Frankrijk. Hij werd gekocht, maar uiteindelijk niet gebruikt en aan de kant gezet. Die handelaar stond bekend om het opkopen van hele partijen auto’s en onderdelen en zo kwam de Marcos bij hem. Toen ik hem zag was de rolkooi eruit gezaagd en waren alleen de tank en de pedalen er nog.’ Dat is precies zoals ik hem 23 jaar later aantrof.

Bewijs

Een volgende doorbraak volgt wanneer ik contact opneem met de Franse Automobile Club de l’Ouest; de club die de 24-uursrace van Le Mans sinds 1923 organiseert. Deze heeft zijn eigen historische afdeling inclusief museum met Le Mans-auto’s en een archief met gegevens van alle auto’s die ooit aan de wedstrijd hebben deelgenomen. Maar die sturen ze niet zomaar door. Om ze te krijgen moet je eerst bewijzen dat jouw auto ook werkelijk die auto is.

Zonder ook maar iets van papieren is dat in mijn geval nog niet eenvoudig. Ik verstuur niettemin een pakket met al het mogelijke bewijs naar een jury. Zes weken later volgt het antwoord. Letterlijk: ‘Het is goed.’ Na een forse factuur ploft een week later een dikke map op de mat met daarin alle officiële documenten van Nummer 50. Een goudmijn aan informatie met alle mogelijke maten, nummers en gewichten die aan deelname aan de wedstrijd voorafgingen.

Inmiddels nadert de restauratie eindelijk zijn voltooiing. Ook daarin moesten nog tal van tegenslagen worden overwonnen. Technische natuurlijk, maar zeker ook over gemaakte afspraken en over geld. Wel sprak ik ondertussen met nog meer betrokkenen en vond zelfs diverse originele onderdelen van de auto terug, waaronder de unieke versnellingsbak (in Frankrijk), de extra radiateur die voorin was gemonteerd (in Italië) en de oorspronkelijke magnesium wielen (in Engeland). Geef mij nog heel even en alles zit weer in elkaar zoals het zat tijdens dat bejubelde etmaal in 1966.

Het fenomeen Mini

Een verkiezing, top-100 of wat voor lijstje dan ook waarin auto-ontwerp aan de kaak wordt gesteld, is niet compleet zonder de originele Mini (1959-2000). Het 3.05 meter lange Britse autootje was dan ook een wondertje van vernuft. Het concept met de kleine wielen op de uiterste hoeken en de motor dwars voorin wordt door talloze fabrikanten tot op de dag van vandaag gekopieerd.

Ontwerper Alec Issigonis wilde in eerste instantie niets weten van een sportieve variant, maar Formule 1-teambaas John Cooper wist het idee voor een opgevoerde Mini uiteindelijk toch aan de fabriek te verkopen. De Mini Cooper die eruit voortkwam, leidde tot een stroom aan race- en rally-overwinningen en een enorme populariteit.

Al helemaal toen de sterren van toen massaal in Mini Coopers werden gezien. Alle vier de Beatles reden erin, alsmede Mick Jagger, Twiggy, Steve McQueen, Brigitte Bardot, Peter Sellers, Britt Ekland, Paul Newman en... Enzo Ferrari. Met zijn eenvoudig uit te wisselen techniek zorgde de Mini ook voor een hausse aan doe-het-zelfautobouwers die de motor en ophanging voor hun eigen ontwerpen gebruikten, van fenomenaal tot ronduit maf.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next