In de Ferdinand Bolstraat wilde ik juist de Hema binnenlopen voor een deugdzaam doosje punaises toen er een scooter met hoge snelheid frontaal op me af kwam rijden, midden op de stoep. Ik kon nog net opzij springen.
Amsterdam wordt steeds hufteriger, had ik net in stadskrant Het Parool gelezen: 92 procent van de Amsterdammers ‘ervaart wel eens hufterigheid’ (de overige 8 procent blijft blijkbaar angstvallig binnen, met de gordijnen dicht). Ik wierp de bestuurder de vuilste blik toe die ik voorradig had. Hij remde en stapte van zijn proletenvoertuig. (Mijn eigen zoons hebben ook scooters, dus ik mag dat zeggen.)
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
‘Wat moet je nou, hè, wat moet je nou?’, schreeuwde hij . Het was een pafferige jongen van eind 20, met zo’n ingewikkeld vormgegeven snor-baardconstructie waarvan hij waarschijnlijk – ten onrechte – gehoopt had dat die zijn bolle kop optisch zou verstrakken. (Ik heb zelf ook een bolle kop, dus ik mag dat zeggen.) Hij had een vrouw bij zich, zo’n zelfbruinende blondine die verveeld keek, zo van ‘daar gáán we weer.’
‘Je moet niet op de stoep rijden, man’, riep ik. ‘Wat boeit jou dat, kutwijf!?’, riep hij met overslaande stem terug. (Dat ‘kutwijf’ was nog een meevaller, meestal kun je ‘kankerhoer’ krijgen.) Hij fluimde op de stoep. Ik vraag me altijd af waar die jongens altijd die enorme fluimen vandaan halen. Sparen ze die op in hun mond, om ze in voorkomende gevallen paraat te hebben?
‘Eikel’, liet ik me ontvallen. Dat was dom, want nu stapte hij dreigend op me af. ‘Niet doen, Dennis’, sprak de blondine lijzig. ‘Je gaat toch geen oude wijven slaan?’ De man hield zijn pas in en bekeek mijn gestalte, zijn gezicht vertrokken van haat. ‘Die is niet écht oud’, concludeerde hij. ‘50 of zo’.
Nu was dat laatste een meevaller, want ik word, deo volente, volgende week 59. Een triomfantelijk glimlachje kon ik daarom niet onderdrukken. Maar ook dat was dom, want nu laaide zijn woede weer op. ‘Sta je me nou godverdomme uit te lachen?!, schreeuwde hij, waarna hij opnieuw dreigend op me af kwam.
‘Laat nou, Dennis, kom nou mee’, dreinde de vrouw. De man wierp me een giftige blik toe, maar zag toch af van slaan. Wél fluimde hij nogmaals overvloedig voor mijn voeten, waarna het tweetal de scooter besteeg en wegreed.
Even later rangschikte ik, binnen bij de Hema, zes melkchocoladeletters in het sinterklaasschap tot het woordje ‘HUFTER’. Nee, dat was niet netjes. Maar ja, ook ík ben een hufter, net als alle andere Amsterdammers. (En ja, ik wilde eigenlijk ‘EIKEL’ schrijven, maar de ‘K’ was op.)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant