De dag waarop Tadej Pogacar vanuit het vertrek de kuierlatten neemt en zijn concurrenten hem pas weer aan de finish terugzien nadert met rasse schreden. Nu de uitdagingen in het peloton schaars zijn geworden, rest hem nog maar één ding: zichzelf verslaan. Zondag viel hij tijdens het wereldkampioenschap op honderd kilometer van de finish aan – iets wat zelfs bij Mathieu van der Poel, toch ook een voorstander van spectaculair koersen, tot vraagtekens leidde. Pogacar zelf had na zijn overwinning overigens ook zijn twijfels. Hij vond het bij nader inzien een ‘domme aanval’ van zichzelf.
Je bent zojuist vernederd en dan verklaart degene die daarvoor verantwoordelijk is dat jouw nederlaag het gevolg is van een plotselinge domme ingeving waaraan hij geen weerstand kon bieden. Dat is psychisch ontwrichtend en het kan fataal zijn voor je zelfvertrouwen. Je zou zelfs kunnen besluiten met wielrennen te stoppen: als het zo moet, heeft het allemaal geen zin meer.
Zo staan we ervoor in het wielrennen. Tadej Pogacar kiest de wedstrijden die hij wil winnen uit en wint ze vervolgens – en niet op een zuinige manier, maar op uitbundige wijze.
‘Hij is weg. Hij is alleen’, zei José De Cauwer bij de VRT op verslagen toon toen er nog precies 100,4 kilometer was te rijden.
‘Het is gewaagd,’ zei Karl Vannieuwkerke, ‘het is bijna een vorm van misprijzen van de concurrentie.’
‘Dit hadden we niet zien aankomen,’ gaf De Cauwer eerlijk toe.
Karl en José wisten dat het een lange zit zou worden tot de huldiging. Ze moesten de coupe van Pogacar op waarde schatten, maar tweeënhalf uur de loftrompet steken klonk ook niet erg aantrekkelijk. Daarop besloten ze de kaart van de hoop te trekken.
Mogelijk, dacht Karl, zou Pogacar de ‘man met de hamer’ nog tegenkomen. Hij vroeg hoe hard iemand ging die was getroffen door een ‘hongerklop’. ‘Tien kilometer per uur’, antwoordde José. Dat gaf de burger moed. Misschien kreeg Pogacar een hongerklop.
Daar leek het overigens niet op, Pogacar fietste ontspannen door, stampte tegen de hellingen op en nam zo nu en dan een gelletje.
‘Wordt hij dan niet moe?’, vroeg José zich af.
Er was sprake van filosofische berusting, een meer bespiegelende benadering kreeg nu de overhand. ‘Het is echt waanzin waarnaar we tegenwoordig aan het kijken zijn’, constateerde Karl.
‘Het is wat het is’, zei José. ‘Koers is koers.’
Even was er een sprankje hoop, toen het gaatje met de achtervolgers tot 35 seconden was verkleind en er nog een kilometer of vijftien was te gaan. ‘Ze komen dichterbij. Zit er bij Pogi soms sleet op?’, vroeg Van Nieuwkerk zich hoopvol af.
‘Bij zo’n coureur houd je geen rekening met een inzinking,’ zei De Cauwer beslist. Hij besloot dat de tijd voor totale bewondering was aangebroken en haalde ‘diep respect’ en ‘fenomenaal’ uit de kast. Daarop gooide ook Karl de handdoek in de ring, je kon wel spanning blijven fingeren, maar iedereen kon zien wat er aan de hand was: Pogacar had iedereen op een hoop gereden. ‘Ja, dames en heren, u kunt pannenkoeken gaan bakken’, raadde Karl de kijkers aan.
José riep Pogacar uit tot ‘de messias van de wielrennerij’ en toen was het WK afgelopen.
Over de auteur
Bert Wagendorp is voormalig sportverslaggever van de Volkskrant, oprichter van wielertijdschrift De Muur en auteur van wielerroman Ventoux. Hij schrijft wekelijks een sportcolumn. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns