Home

‘Als mijn leraar iets zus of zo speelde, vroeg ik: waarom? Waar staat dat dan? Daar werd hij knap nerveus van’

Barokpionier Ton Koopman is bijna 80, barst nog van de energie en gaat binnenkort weer op tournee. Tijdens de oude-muziekrevolutie nam hij roestige symfonieorkesten op de korrel, maar bij jonge musici ziet hij weinig speurzin. ‘Wie checkt of wij het allemaal wel goed hebben gedaan?’

Alles aan Ton Koopman ademt energie. De handdruk bij de voordeur: rap en monter. Het gesprek aan de keukentafel: meehollen met woorden als ‘brokkest’ (barokorkest) en ‘klafsiml’ (klavecimbel). Het spreektempo daalt alleen als Koopman iets wil onderstrepen. Zoals nu: ‘Ik heb net voor mezelf bijgetekend tot m’n 90ste. Dus ik heb weer tien jaar de tijd.’

Op 2 oktober wordt hij 80, Nederlands laatste oude-muziekpionier. Het wordt zelfs dubbel feest, want het door Koopman opgerichte Amsterdam Baroque Orchestra speelt ook alweer 45 jaar samen. Vanaf 19 oktober gaan ze op tournee door het land. Niet met werk van Johann Sebastian Bach, Koopmans lijfcomponist. Wel met Esther, een Bijbels drama van Georg Friedrich Händel. Hij noemt het music for the millions – ‘en dat bedoel ik positief’.

Over de auteur
Guido van Oorschot schrijft voor de Volkskrant over klassieke muziek en opera. Hij maakt de maandelijkse podcast Klassieke klets.

Niet gek dat Omroep Max deze vitale senior heeft omarmd. Een recente documentaire, nog te zien op NPO Start, volgt Koopman het jaar rond. Hij reist van orkestklus naar solo-optreden, van masterclass naar voordracht. In Palermo, Japan of New York, overal willen ze iets van de beroemde klavecinist, organist en dirigent Ton Koopman.

Hoe hij het volhoudt? Het is hem een raadsel. ‘Ik voel gewoon dezelfde energie als dertig jaar geleden. Hooguit loop ik wat trager.’ Hij spiegelt zich graag aan Bernard Haitink, de coryfee die doordirigeerde tot na z’n 90ste. En wat dachten we van de Zweed Herbert Blomstedt? ‘Die is 97 inmiddels, maar zet hem voor een orkest en je ziet een levendige geest.’

80 jaar en nog een toekomst: het had ook anders kunnen lopen. In een Zwolse volkswijk runde vader Fré Koopman een kruidenierszaak. Om zeven kinderen te voeden, nam hij er aan baantje als nachtportier bij. Als hij Tons talent niet al zag, wees de buitenwereld hem er wel op. ‘Mijn vader vond: ons soort mensen gaat niet naar het gymnasium. Niks mee te maken, zei de dirigent van mijn kerkkoor. Een aanstaand musicus moet Latijn kennen.’

‘Een bruin monster’

Hij begon aan het gym met een taalachterstand, bleef zitten in de tweede klas. Thuis kreeg hij, als enige kind, een eigen kamer. Zijn moeder spaarde met bonnen een piano bij elkaar. ‘Een bruin monster. In de viltjes stak ik meteen punaises. Dan tinkelde het alvast als het instrument dat me fascineerde: het klavecimbel.’

Buitenshuis vond hij de weg naar het kerkorgel. Eerst bij de Broeders van Liefde, toen in de Waalse Kerk, daarna het machtige historische Schnitgerorgel in de Zwolse Grote Kerk. ‘Op m’n 14de werd ik de vaste organist van een kerk in Almelo. Op slag verdiende ik meer dan mijn vader. In een zaakje naast de krokettenautomaat kocht ik mijn eerste historische muziekboek.

‘Achteraf… ik ben bang dat ik het allemaal heel normaal vond. Mijn ouders hebben me nooit gevraagd iets bij te dragen. Gaandeweg, zonder het te beseffen, ben ik uit mijn milieu gestapt.’

Levensmissie: Bach

Zegt de man die sinds 2019 voorzitter is van ’s werelds grootste Bach-autoriteit, het Bach-Archiv in Leipzig. Die in 2020 zijn fenomenale muziekboekencollectie, circa twintigduizend stuks, verkocht aan een wetenschappelijk instituut in Gent. Die in 2024 werd bevorderd tot Commandeur in de Franse orde van Kunsten en Letteren, wat maar een handvol Nederlanders hem kan nazeggen.

Als een sjofele beursstudent arriveerde hij in de jaren zestig in Amsterdam. Hij haakte direct aan bij de oude-muziekrevolutie: muziek uit de barok speel je op instrumenten uit de barok, volgens regels uit de barok. Klinkt logisch, maar dat was het niet. Met de blokfluitist Frans Brüggen nam hij roestige symfonieorkesten op de korrel. Net als de klavecinist Gustav Leonhardt, zijn leraar, vond hij zijn levensmissie in Bach.

Adellijke dame

Op les roffelde hij er voortvarend fuga’s uit. ‘Leonhardt hield van schrik soms het instrument vast, bang dat ik iets kapot zou maken. Het klavecimbel is een adellijke dame, zei hij dan, die moet je netjes behandelen. Maar meneer Leonhardt, zei ik dan, veel adellijke dames willen misschien helemaal niet netjes behandeld worden.’

Van Leonhardt leerde hij ook het eindeloze zoeken. Door manuscripten vlooien, traktaten uitpluizen. Hoe speelde Dieterich Buxtehude rond 1700 zijn trillers? Welk tempo verwachtte Bach in een menuet? ‘Als Leonhardt iets zus of zo speelde, vroeg ik steevast: waarom? Waar staat dat dan? Daar werd hij soms knap nerveus van.’

Als hij bij jonge barokmusici íéts mist, is het dat: speurzin. ‘Ze krijgen alle historische muziekbronnen aangereikt, maar wie leest ze? Wie checkt of wij het allemaal wel goed hebben gedaan? Als musicus moet je de feiten op een rij hebben en weten waarover je praat. Niet alleen maar napraten.’

Afwijzing

Verder niets dan goeds over de jonkies. Neem het ensemble Holland Baroque. Dat mengt oude muziek voorbeeldig met genres als folk en jazz, maar krijgt ondanks een positieve beoordeling geen subsidie meer. ‘Een schande’, zegt Koopman. ‘Of ik nou blij ben met hun cross-over of niet, ze doen ongelooflijk hun best het publiek te raken.’

Hij weet hoe moeilijk het is om dan toch door te gaan. In 2006 dreigde Koopman uit onvrede over het cultuurbeleid het Amsterdam Baroque Orchestra over te hevelen naar Bordeaux. Hij bleef, maar tussen de dirigent en ’s rijks cultuurfondsen kwam het niet meer goed. Elke beoordelingscommissie roemt steevast de artistieke kwaliteit. En vindt altijd iets waaraan het zou schorten, van ondernemerschap tot een reflectie op het thema diversiteit.

‘Elke afwijzing doet pijn en soms zijn er vervelende gevolgen, maar that’s it. Ik begrijp het alleen niet. Mijn musici spelen op hetzelfde niveau als die van het Concertgebouworkest. Weet je wat het is? Ik denk dat men gewoon niet durft te zeggen: we vinden Ton Koopman te oud.’

Snif-snif

Een erfgenaam voor zijn orkest ziet hij niet zo gauw. ‘We hebben het er wel over gehad. Er zijn kandidaten geopperd, ik ben bij concerten gaan luisteren, maar er is niemand uitgeprobeerd. En laten we eerlijk zijn: wie stapt er nou in zo’n boedel? Dankzij de honoraria van de internationale toporkesten die ik dirigeer, kan ik er tenminste nog in investeren.’

Zo reist hij in december opnieuw naar het New York Philharmonic Orchestra. Op het programma staat Händels Messiah. Sommige barokfans halen hun neus op voor Händel: uiterlijk effect, metier, meer niet. ‘Ze vergeten dat Händel, anders dan Bach, zichzelf moest bedruipen. In Londen moest hij elke keer de zaal maar weer vol zien te krijgen. Je hoort het ook aan Esther, het stuk waarmee we op tournee gaan. Dat schiet van hoogtepunt naar hoogtepunt. Dat je denkt, mijn god, hoe krijgt iemand het verzónnen? De virtuositeit, de versieringen, de emoties.’

Zelf hield hij het afgelopen zomer niet droog bij Bachs Johannes-Passion. Hij dirigeerde het stuk op zijn eigen festival in de Périgord, Zuidwest-Frankrijk. De kerk zat afgeladen vol en na het slotkoor Ruht wohl, rust zacht, bleef het lang stil. ‘Toen, eindelijk, hoorde ik: snif-snif. Dat zal ik niet gauw vergeten.’

Ongemak

In 2020 was het schrikken. ‘Ton Koopman’, schreef de Volkskrant, ‘krijgt beroerte tijdens concert en blijft doorspelen’. Zijn rechterschouder kwam steeds hoger bij het dirigeren, tot hij ‘angstwekkend ver naar links overhelt en hij zich af en toe vastgrijpt aan de beugel van de bok’. Hij werd per brancard afgevoerd; zijn persmedewerker sprak van een beroerte. ‘Dat van die beroerte was dus niet waar, dan had ik dat concert nooit uit kunnen dirigeren. Laten we het houden op een ongemak waarvan ik allang weer ben hersteld.’

Hij heeft vrienden die langzaam uit het leven verdwijnen. ‘Fysiek zijn ze er nog wel, maar hun geest is verdampt. Terwijl ze op hun 80ste nog goed waren. Gedachten aan de dood druk ik tot nu toe met succes weg. Al weet ik al wel wat er op mijn uitvaart moet klinken.’

Bach, de Trauer-Ode. De treurcantate klonk in 1727 na het overlijden van een Saksische keurvorstin. Het eerste deel gaat over de dood, het tweede zinspeelt op eeuwig leven. ‘Het optimisme dat uit die muziek spreekt! Ik zou me er bijna op verheugen.’

Georg Friedrich Händel: Esther, door het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir o.l.v. Ton Koopman. 19/10, Enschede, Muziekcentrum. Tournee t/m 30/10.

Ton Koopman

1944 op 2 oktober geboren in Zwolle

1968 prijswinnaar van het concours Musica Antiqua in Brugge

1969 begint het ensemble Musica Antiqua Amsterdam

1979 richt het Amsterdam Baroque Orchestra op; in 1992 komt er het Amsterdam Baroque Choir bij

1994-2004 legt alle circa tweehonderd Bachcantates vast op cd

2002 start in Zuid-Frankrijk het festival Itinéraire Baroque (reisroute barok)

2003 richt zijn eigen platenlabel op (Antoine Marchand)

2005-2010 neemt het verzamelde werk op van barokcomponist Dieterich Buxtehude

2006 Bachmedaille van de stad Leipzig

2006 hoogleraar historische uitvoeringspraktijk aan de Universiteit Leiden

2012 Buxtehudeprijs Lübeck

2017 Edison Klassiek Oeuvreprijs

2024 Erepenning van de stad Zwolle

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next