Het kabinet-Schoof wil met een beroep op ‘buitengewone omstandigheden’ delen van de Vreemdelingenwet buiten werking stellen. Het verwijst naar een oud wetsartikel. Maar waar was artikel 111 volgens de Kamer in 1964 voor bedoeld?
‘Wanneer wij teruggaan in de geschiedenis van de laatste jaren, dan blijkt dat het toelaten van vreemdelingen altijd spaarzaam is geschied. Het afwijzen lag ons blijkbaar heel wat beter dan het brede gebaar van het toelaten van vreemdelingen en vluchtelingen.’ Het waren de openingszinnen van PvdA-Kamerlid Johan Scheps tijdens het Kamerdebat over de nieuwe Vreemdelingenwet in 1964.
Scheps, een straatprediker, verzetsstrijder en sociaaldemocraat, hield zijn ambtgenoten en het kabinet-Marijnen bij de wetsbehandeling een spiegel voor. De oorlog lag nog vers in het geheugen. ‘We moeten vaststellen dat er heel wat donkere ogenblikken zijn geweest, toen Nederland zijn houding moest bepalen ten aanzien van vreemdelingen.’
Over de auteur Avinash Bhikhie is politiek verslaggever van de Volkskrant.
Anno 2024 is het diezelfde wet, aangenomen in 1965, die het Binnenhof onder hoogspanning zet. De ministerraad moet binnenkort, na advies van de Raad van State, beslissen of minister Faber van Asiel en Migratie hem deels buiten werking mag stellen. De historische context en de wetsgeschiedenis kan daarbij een rol spelen, aangezien de rechter hier ook rekening zal houden. Komen Fabers plannen wel overeen met de intentie van de opstellers van de wet?
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
In 1964 debatteerde de Tweede Kamer over een nieuwe Vreemdelingenwet. De oude wet, uit 1849, was nodig aan vervanging toe: met twee wereldoorlogen achter de rug en het ontstaan van een nieuwe wereldorde met internationale mensenrechten- en vluchtelingenverdragen waren de regels en bepalingen gedateerd.
Bij de behandeling van de huidige versie van de wet, begin deze eeuw herzien, speelde het veelbesproken artikel 111 geen enkele rol. Dat werd gewoon overgenomen uit de wet van 1965. Daarin stond het, toen nog in artikel 50, als volgt: ‘In geval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden’ kon worden afgeweken van de gehele Vreemdelingenwet.
Het huidige kabinet meent dat ruimtegebrek en het woningtekort genoeg van die ‘buitengewone omstandigheden’ bieden. Maar daar dachten ze in 1964 anders over. Want die omstandigheden waren er toen ook al. Onder meer Kamerlid freule Wttewaal van Stoetwegen (CHU) sprak in het debat over de ‘overbevolking’ in Nederland. ‘De bevolkingssituatie en de woningnood brengen mee, dat onbeperkte toelating tegenover het eigen land niet verantwoord zou zijn.’
In de jaren zestig had Nederland te maken Hongaren die de communistische dictatuur ontvluchtten, Indonesiërs die na de dekolonisatie voor Nederland kozen, met Spanjaarden en Italianen die door het bedrijfsleven werden ingevlogen om de arbeidstekorten te lenigen. Ook de eerste Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten kwamen aan in Nederland, net als Surinamers en Antillianen die als rijksgenoten de oversteek waagden.
Chinezen openden hun eerste restaurants en konden rekenen op sympathie van de Kamerleden: ‘De minister zal met mij van mening zijn dat men in een Chinees restaurant weleens heel smakelijk kan eten. Ik zie niet in waarom wij dat niet zo zouden moeten houden’, aldus PvdA’er Scheps.
Een deel van Kamer zat, net als nu, flink in de maag met de grote instroom van vreemdelingen en vluchtelingen, blijkt uit de verslagen van de wetsbehandeling. De Vreemdelingenwet moest die instroom in goede banen zien te leiden. Maar het ingebouwde noodrecht was kennelijk voor heel andere omstandigheden bedoeld, blijkt ook uit de verslagen. Er werd nauwelijks een woord aan vuil gemaakt.
Alleen Wttewaal van Stoetwegen refereerde aan wat zij als een noodsituatie zou beschouwen. ‘Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liep men natuurlijk vast’. Ze voegde eraan toe dat daarom in 1918 al ‘extra handvatten’ in de wet waren gezet om te kunnen handelen bij ‘buitengewone omstandigheden’. Voor de goede verstaander: in 1914 waren binnen enkele maanden een miljoen Belgische vluchtelingen de grens overgestoken.
Het huidige kabinet wil juridisch gaan onderbouwen dat Nederland nu in een vergelijkbare vluchtelingencrisis zit. ‘We kunnen de grote instroom van migranten naar ons land niet blijven dragen’, aldus premier Schoof bij de presentatie van het regeerprogramma. ‘Mensen ervaren een asielcrisis.’ Binnen twee tot vier weken belooft minister Faber haar ‘dragende motivering’ met de ministerraad te delen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant