‘Piep piep boem!’, stond er in koeienletters op de New York Post nadat Israël de piepers van bijna drieduizend Hezbollahstrijders had laten ontploffen. Naast deze komisch bedoelde kop plaatste de krant een foto van een dode of gewonde man op een scooter, een grote wond op zijn heup. In deze krant schreef iemand dat het ‘Netflix-gevoel moeilijk te onderdrukken was’, ‘een spectaculaire aanval die je eerder in spionagefilms verwacht dan in het echte leven’.
Ik vraag me af of kranten er ook op deze manier over hadden geschreven als de situatie omgekeerd was geweest: als Hezbollah of Hamas duizenden piepers had gesaboteerd om zoveel mogelijk Israëlische militairen te doden of verwonden, willens en wetens het risico nemend dat de explosies zouden plaatsvinden in de rij bij de groentewinkel of in het gezicht van een klein meisje.
Had men daar lollige krantenkoppen over gemaakt? Het ‘Netflix-gevoel’ benoemd? Of hadden de media dan gerept over een laffe terroristische aanslag? Zou onze regering haar medeleven hebben betuigd aan de getroffen soldaten en hun gezinnen, en Israël gesteund hebben in zijn vergeldingsaanval?
Dat omdraaien, dat doe ik vaker, als gedachte-experiment wanneer ik me afvraag door welke bril we naar bepaalde gebeurtenissen kijken. Ik ben vooral beducht voor de bril van de staat Israël, die de groepen die hij bestrijdt en onderdrukt systematisch ontmenselijkt. Een Israëlische ex-militair vertelde bijvoorbeeld hoe in zijn land zowel het schoolsysteem als de politiek en de media de boodschap verkondigen dat Arabieren eng zijn en Palestijnen slecht.
Over de auteur
Asha ten Broeke is wetenschapsjournalist en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Palestijnen zijn voor heel veel Israëliërs geen mensen meer maar ‘terroristen’ of zelfs ‘beesten’, zei ook de Israëlische journalist Gideon Levy. ‘Als je een bezetting wilt volhouden, moet het bezette volk gedehumaniseerd worden, anders word je gek. Wij ontmenselijken de Palestijnen al decennialang, want als we hen niet meer zien als mensen zoals jij en ik, wordt alles veel simpeler. Dan hoeven we geen rekening te houden met mensenrechten of internationale wetgeving.’
Aangezien wij in een land leven waarin die laatste twee zaken voor politici steeds minder betekenen en bovendien racisme en moslimhaat welig tieren, wil ik op mijn hoede zijn voor hoe die ontmenselijking hier doorwerkt.
Dus draai ik in gedachten gebeurtenissen om. Stel dat het zo was gegaan: in 1948 wordt niet de staat Israël maar Palestina uitgeroepen. Onmiddellijk beginnen Palestijnse milities Joodse dorpen schoon te vegen: 750 duizend Joden worden verdreven, 13 duizend vermoord. Een kleine twintig jaar later veroveren de Palestijnen ook de laatste Joodse gebieden.
Vanaf dat moment is er geen plek meer waarin Joden in vrijheid kunnen leven. Hoewel er op papier afspraken zijn over zelfbestuur in de Joodse gebieden, is Palestina in feite een apartheidsstaat. Het Palestijnse leger is overal en kan straffeloos geweld gebruiken. Joden kunnen zomaar hun huis uitgezet worden. Ze mogen niet vrij reizen. In sommige steden, zoals Hebron, zijn bepaalde ‘gesteriliseerde’ straten verboden voor Joden.
Tienduizenden Joden, ook kinderen, verdwijnen zonder fatsoenlijk proces in Palestijnse gevangenissen, waar ze honger en kou lijden en worden vernederd, gemarteld en misbruikt. Amputaties door te strak zittende handboeien zijn routine.
Natuurlijk verzetten de Joden zich. Ze vormen zowel politieke bewegingen als militante groepen die aanslagen plegen. Op 7 oktober 2023 vallen Joodse strijders uit Gaza het zuiden van Palestina binnen. Ze vermoorden bijna
1.200 Palestijnen, soms op gruwelijke wijze. Ook nemen ze gijzelaars mee naar Gaza.
De Palestijnse regering reageert met vernietigende bombardementen en een invasie. Bijna een jaar later is Gaza verwoest, heerst er ziekte en honger, en zijn er ruim 41 duizend Joden gestorven, onder wie meer dan 16 duizend kinderen. Op X zien we de beelden: een moeder die gillend rondrent met een baby zonder hoofd, een peuter wiens beentjes liefdevol bij hem in de lijkwade worden gelegd, een vader die huilend tussen het puin zoekt naar stukjes lichaamsdelen van zijn gezin.
Hadden we dit zelfverdediging genoemd? Hadden we onderdelen geleverd voor de bommenwerpers? Of zouden we ons kapot schamen? Een einde aan de apartheid en bloedige onderdrukking eisen? Zouden we met honderdduizenden de straat opgaan om te roepen: ‘Nooit meer is nu’? Ik mag het toch hopen. Ik hoop het nog steeds.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant