Koopkracht, had iemand op een muur geschilderd, is de kracht om te laten liggen wat je niet nodig hebt. De krant had hiervan een foto geplaatst. Dit koopkrachtplaatje sprak mij aan. Het liefst koop ik niets. Uit zuinigheid, denk ik. Of is het luiheid?
‘Beide.’ Mijn vriendin Jet. Ze zegt ook nog: ‘Het is de giftige mix.’
Misschien bedoelt ze mijn hoofdkussen. Het is een oudje, het klontert. Er lijkt iets in te zitten, iets levends. Het doet denken aan verweesde melkpakken in studentenhuizen. Als je zo’n pak aan je mond zette, liep er iets duns in je hals, zuur water, en stortte er vanaf de bodem een brok biologische feta op je gebit. Toch vond ik het tot dusver onnodig een nieuw kussen te kopen, zie het koopkrachtplaatje.
Om de bulten die erin zitten koest te houden, werkte ik enige tijd met twee slopen over elkaar heen. Maar ja, omdat de slopen niet gratis op mijn rug groeien, ben ik overgestapt op een sloop en een T-shirt. Een aanrader, al verstoort het op termijn je T-shirts-evenwicht.
En eigenlijk zijn ik en mijn kussen toe aan een derde laag. Zou je het ding nu, pin eruit, dus zonder slopen en T-shirts, in een Russische loopgraaf werpen, dan breekt de tering uit. Misschien maar aan Tommy meegeven, als die weer gaat.
Wat er zal gebeuren, is dit. Kussenloos achtergebleven, stel ik de aanschaf van een nieuw exemplaar uit. Ergens heen fietsen, Ikea bijvoorbeeld, en daar wat testliggen en twijfelen, dons of synthetisch, hard of zacht, is me te veel gedoe. Ik heb er de koopkracht niet voor.
‘Koopzwakte, bedoel je.’
Ondertussen, ik ken mezelf, wen ik aan het slapen zonder kussen. Waarna het probleem is opgelost. En zo gaat het eigenlijk met alles.
‘Behalve met boeken en platen.’
Ik sluit mijn ogen en wacht. Dan, als iedereen stil is, steek ik mijn wijsvinger op, en zeg: ‘Behalve met boeken en platen.’
De gevolgen kunnen ver strekken. De initiële vonk om naar Breda te verhuizen, zeg maar zoals de moord op Frans Ferdinand van Oostenrijk de Eerste Wereldoorlog ontketende, was onze ijskast. Hij sloot al eeuwen niet goed meer, maar koelen – als de beste. Ik had een eettafelstoel onder de greep geparkeerd, waardoor hij potdicht bleef, zolang je er niet aankwam tenminste.
‘Maar we moeten er toch in kunnen?’
‘We kunnen wat erin moet of eruit toch opsparen tot één moment van de dag?’ Grapje. Over het zoemen en ratelen zei ik: ben gewoon blij dat je geen tinnitus hebt. Geen grapje.
Toen boven op de stoel van Jeroen, ter verzwaring, de magnetron kwam te staan, was de maat van mijn vriendin Jet vol. (De stoel, die er zeker vijf jaar heeft gestaan, noemden we de stoel van Jeroen, omdat deze Jeroen iemand was die weleens kwam eten, en het ons grappig leek wanneer hij met zijn bord in de keuken moest zitten, met zijn rug tegen die vibrerende ijskast. Met Jeroen is verder niks mis – juist niet. Daarom vonden we het grappig.)
‘Ja maar’, zei ik, ‘en als we dan binnenkort toch nog verhuizen?’ We hadden in die periode vage verhuisplannen. ‘Dan blijft die fonkelnieuwe koelkast zeker hier!’ Mja, daar kreeg ze zo snel even geen speld tussen.
Godsamme, zei ik, hebben wij weer. Het is dus óf een nieuwe koelkast, óf zo snel mogelijk verhuizen. IJsberen, vloeken. Erna heb ik eerst wat bij de Megapool geneusd, en toen op Funda. Met achterlating van mijn trouwe ijskastje zijn we halsoverkop naar Breda vertrokken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns