Home

‘Ach, wat zag die jongen eruit’, zei de man. ‘Hij had geen neus meer. Je kon zo naar binnen kijken. Maar hij was blij dat hij leefde’

Met een dubbele boterham in mijn hand was ik rond lunchtijd het park ingelopen, tussen twee buien door. Bij de vijver trof ik een troepje brandweermannen, bezig met allerlei sportieve activiteiten. Ik bleef staan kijken, en ook naast me hield een wandelaar stil, een oude, gelooide man.

‘Ja, je moet fit zijn, in dit vak’, zei de oude. ‘Ik zat zelf ook bij de brandweer. Vroeger dan, want ik ben nou 82. Zwaar, maar dankbaar werk. Niet dat je nou elke dag levens redde, hoor. Vaak was ’t een kwestie van nathouden. Al kon ’t soms hard gaan. Een vlam in de frituurpan, en dat zo’n huisvrouwtje er dan een kan water op gooit...’ Hij keek me streng aan, en zei: ‘Nooit doen hè, water op een vetbrand!’

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Braaf schudde ik van nee. ‘Een kat uit een boom halen hoorde er ook bij’, vervolgde de man. ‘Link hoor. Zo’n beest is doodsbang, en zet zó zijn klauwen in je gezicht.’ Hij wees op zijn verweerde ooglid, waar een rafelig litteken over liep. ‘Nou ja, ’t hoort erbij’, besloot hij. ‘Weet zo’n beest veel?’

Ik nam een hapje van mijn boterham. ‘Maar wat ik zeg hè’, hernam de man. ‘Niet dat ik nou dagelijks levens redde. Maar ’t kwam toch wel voor. En soms was zo’n persoon er beroerd aan toe. Iemand die ernstig verbrand is, kun je haast niet optillen. De huid laat los. Die glibbert zo uit je handen.’

Ik slikte het brood moeizaam door. Er zat gelukkig geen filet americain op, of zo, maar ik zag toch af van een volgende hap. De man lachte. ‘Eet smakelijk’, zei hij. ‘Maar nou ja, ik had dus zo’n zwaar verbrande jongen gered. Ik weet het nóg. Uit een bovenhuis in de Tweede Jan Steen. Een jaar of 18 was hij. Ik dacht, die haalt het niet. Maar hij kwam er, wonder boven wonder, toch bovenop. En toen kwam hij me bedanken.’

De oude glimlachte wrang. ‘Ach, ach, wat zag die jongen eruit’, zei hij. ‘Hij had geen neus meer. Je kon zo naar binnen kijken. Maar hij was blij dat hij leefde. We hebben altijd contact gehouden. Hij máákte er wat van. Hij vond rustig, zittend werk. En hij kreeg een vrouw, die jongen, met zijn verminkte kop. Geen bloedmooie vrouw, hoor; korte beentjes en plat als een dubbeltje. Maar toch: een lief mens, met een fris gezicht.’

Hij glimlachte weer. ‘Die jongen heeft drie kerngezonde kinderen met d’r gekregen. Zijn oudste heeft het zelfs tot advocaat geschopt. Dus wat ik maar zeggen wou: ’t is zwaar werk, bij de brandweer. Maar dankbaar.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next