Nederlandse musea hebben duizenden menselijke resten in hun depots, deels uit de koloniale tijd. Het besef daalt in dat deze objecten respect verdienen en dat ze indien mogelijk moeten worden gerepatrieerd. Maar dat ligt vaak ingewikkeld.
‘We zullen je terug naar huis brengen, in naam van je moeder’, zegt kunstenaar en activist Manuwi C. Tokai tijdens een performance in 2022 in het Wereldmuseum Amsterdam. Haar liefkozende woorden zijn gericht tot iemand die niet te zien is. In de video van de performance wendt ze zich tot een kleine kist. ‘Fragile. Handle with care. Open here’, staat daarop.
Vanuit de voormalige koloniën werden de vorige eeuwen geregeld menselijke resten meegenomen. Ze kwamen terecht in etnografische en natuurhistorische collecties. Daar werden de botten en schedels gebruikt voor onderzoek, zoals in de fysische antropologie, bijvoorbeeld voor – inmiddels omstreden – pseudowetenschappelijke schedelmetingen.
Het Wereldmuseum, een museumkoepel met locaties in Leiden, Rotterdam, Amsterdam en (tot voor kort) Berg en Dal, is opgeteld verantwoordelijk voor bijna een half miljoen objecten die zijn verzameld sinds 1837.
Tot een paar decennia geleden werden deze zonder scrupules tentoongesteld. Sinds begin deze eeuw is het Wereldmuseum kritisch op het tentoonstellen van menselijke overblijfselen. Toch zijn die op dit moment nog steeds in de vaste opstelling van de vestigingen van het Wereldmuseum te zien, zoals een met turquoise mozaïek versierde Mexicaanse schedel in Leiden. De meeste botten en schedels zijn van de tentoonstellingszaal naar het depot verplaatst. Maar ook een depot is niet de juiste plek voor menselijke overblijfselen.
Af en toe worden er verzoeken gedaan tot teruggave van de resten in Nederlandse collecties. Doorgaans worden die ingewilligd. Zo gaf in 2005 het Wereldmuseum een getatoeëerd Maori-hoofd aan Te Papa Tongarewa, het Nationaal Museum in de Nieuw-Zeelandse hoofdstad Wellington.
Uit de collectie van Museum Vrolik (Amsterdam UMC) is in 2019 een Maori-hoofd teruggegaan naar de Maorigemeenschap. Daarnaast werden vijf schedels en drie skeletten overgedragen aan de Moriori, een volk van de Nieuw-Zeelandse Chatham Eilanden. En in 2022 besloot het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vijfduizend jaar oude skeletten uit Museum Naturalis te repatriëren, op verzoek van de Maleisische regering.
Sinds kort speelt bij de teruggave van koloniale objecten uit de Rijkscollectie de Commissie Koloniale Collecties een essentiële rol. Deze onafhankelijke commissie is in 2022 ingesteld door voormalig staatssecretaris Gunay Uslu om zich over koloniale restitutiekwesties te buigen. Als het gaat om menselijke resten hoeft deze commissie echter niet te worden geraadpleegd.
Dat komt, zo legt OCW uit, door de ‘bredere problematiek’ rond menselijke resten en de ‘specifieke ethische kanten’, die verschillen van de omgang met ander koloniaal erfgoed. Het ministerie stelt zich over het algemeen welwillend op bij verzoeken die menselijke resten betreffen, laat de woordvoerder weten. ‘De minister zal deze de hoogste prioriteit geven en teruggave hierbij als uitgangspunt hanteren.’
Samen met het Rijksmuseum, Museum Bronbeek, het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inventariseert het Wereldmuseum momenteel hoeveel en welk soort menselijke resten uit de koloniale tijd er in Nederlandse musea liggen. Wayne Modest, de inhoudelijk directeur van het Wereldmuseum, noemt dit onderzoek, dat wordt gesteund door het ministerie van OCW en het ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘een belangrijke stap richting het vormen van nationaal beleid’. Naar verwachting verschijnt het rapport met de gezamenlijke visie van deze musea en kennisinstituten eind dit jaar.
Het Wereldmuseum heeft inmiddels al geïnventariseerd wat er in hun depot te vinden is aan menselijke resten. De teller staat op 3.647, waarbij ook skeletdelen en haarmonsters worden meegerekend.
Ondertussen gaat het proces van uitzoeken waar de menselijke resten thuishoren door. Conservator Caribisch gebied en koloniale geschiedenis bij het Wereldmuseum Wendeline Flores legt uit dat het per geval op maatwerk aankomt. ‘Ons doel is het vinden van een geschikte rustplaats voor voorouderlijke resten.’ Ze heeft het liever over ‘voorouderlijke resten’ dan over ‘menselijke resten’. ‘Omdat je dan meer erkent dat die een relatie hebben met het nu en ook met de mensen nu.’
Eind juni ontving het Wereldmuseum een delegatie van de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden Suriname (VIDS) om te kijken naar de inhoud van de kist die Manuwi C. Tokai toesprak in haar performance. ‘We brengen je naar huis’, had zij beloofd.
Het gaat om een pijnlijk collectiestuk: een pasgeboren baby die is geconserveerd op sterk water. De baby is aangekleed met onder meer een hoofdtooi en heeft een kleine slang in de hand. Rond deze baby is vooral heel veel niet bekend, legt het museum uit: de exacte plaats van herkomst, waarom de baby is meegenomen, waar de uitdossing vandaan komt en wanneer die is toegevoegd. Het is volgens het museum ook niet bekend of het om een meisje of jongetje gaat.
Aangenomen wordt dat de baby uit Suriname afkomstig is. Uit archiefonderzoek blijkt dat in 1867 een kind op sterk water werd geschonken aan dierentuin Artis door J.M Brakke. Hij was gezagvoerder op een schip dat naar Suriname voer. Later is de etnografische collectie van Artis overgedragen aan het Koloniaal Museum, de voorloper van het Tropenmuseum (nu Wereldmuseum Amsterdam).
In het Koloniaal Instituut stond de baby beschreven als ‘Pasgeboren Indiaansch kindje, klaarblijkelijk opgetooid voor de begrafenis’. Er is echter een vermoeden dat de ‘klederdracht’ (zoals die in de collectiearchieven wordt genoemd) pas later is toegevoegd. De baby is sinds de jaren negentig van de vorige eeuw niet meer aan het publiek getoond. De baby werd in de gesloten kist wel nog een keer getoond aan publiek, in een presentatie over ethische vraagstukken in 2012.
Sinds oktober 2022 is het museum weer volop met deze baby bezig. Dat komt door Tokai. Zij werd destijds door het museum uitgenodigd in het kader van het project ‘Dichter bij onze koloniale erfenis’ een gedicht te schrijven over een object in de tentoonstelling.
Geen van die objecten waren echter gerelateerd aan haar inheemse achtergrond, de Ka’lina Terewuyu-gemeenschap, een gemeenschap in Midden- en Zuid-Amerika, waaronder Suriname. Daarom vroeg ze of het museum voor haar verder wilde zoeken: ‘Ik had al eens gehoord dat er een voorouder in het museum aanwezig was, en ik had begrepen dat het om een baby zou gaan.’
Het museum haalde voor haar de baby uit het depot. Dat maakte diepe indruk op Tokai: ‘Het is een heel mooi kindje. Het is zo heftig om te zien dat de baby is aangekleed en helemaal grijs is geworden door al die jaren op sterk water.’
Sindsdien ijvert zij voor de thuiskomst van de baby. Tokai denkt niet dat de ouders vrijwillig afstand hebben gedaan van de pasgeborene. Of de baby dood of levend ter wereld kwam, maakt daarin voor haar geen verschil: ‘Het is ook mogelijk dat de moeder al was overleden.’
Ze hoopt dat de mogelijke thuiskomst van de baby rust geeft voor de nabestaanden en de voorouders. Tokai verduidelijkt: ‘Als ik het heb over voorouders, dan bedoel ik zowel de voorouders die het geweld hebben ondergaan, als de voorouders die het geweld hebben gepleegd.’
‘Laat onze voorouders in vrede rusten’, stond dan ook op de grote banier die ze tijdens haar aangrijpende performance ophing in het atrium van Wereldmuseum Amsterdam. Tokai deed daarbij een beroep op toenmalig OCW-minister Robbert Dijkgraaf en zijn collega, minister van Buitenlandse Zaken Wopke Hoekstra, om de baby en andere voorouderlijke resten terug te geven aan de Ka’lina Terewuyu-gemeenschap. Inmiddels heeft ze contact met het ministerie: ‘Er is de intentie om te repatriëren.’
Het Wereldmuseum heeft zich de afgelopen tien jaar volgens Modest ontwikkeld: ‘Waar we voorheen als museum meer de nadruk legden op het behouden van collecties, willen we nu veel meer aandacht geven aan onze maatschappelijke rol.’ Het museum gaat ook het gesprek aan met activisten. Zo werd in 2016 het collectief Decolonize the Museum uitgenodigd. Deze groep wil dat musea bewuster omgaan met hun koloniale achtergrond, bijvoorbeeld in hun taalgebruik. Modest: ‘We hadden hen uitgenodigd om het museum te bekritiseren.’ Inmiddels spreekt Modest van een samenwerking: ‘Activisten hebben ons aangespoord om te kijken naar ons koloniale verleden.’
Zo ook Tokai. Zij is verrast over de houding van het museum: ‘Ik had meer weerstand verwacht. Maar ze faciliteren alles.’ Uiteindelijk heeft zij samen met het museum de dorpshoofden uit Suriname uitgenodigd om de baby in het depot te bekijken: ‘Op die manier konden we de verschillende Surinaamse inheemse gemeenschappen betrekken bij het proces.’ Dat de baby uit de Ka’lina Terewuyu-gemeenschap komt, is namelijk niet zeker.
Eind juni werd de baby voor de delegatie uit Suriname uit de houten kist in Amsterdam gehaald. De collectie van het Wereldmuseum is niet de enige museumcollectie die de dorpshoofden tijdens hun twee weken in Nederland bezochten. De delegatie keek onder meer naar voorwerpen gerelateerd aan de inheemse geschiedenis in het Rijksmuseum. Ook brachten zij een oriënterend bezoek aan de botanische collectie van het Naturalis en aan de verzameling aan kaarten van Suriname in het Allard Pierson. Bij museum Vrolik bogen ze zich tevens over voorouderlijke resten: vier schedels en een gemonteerd skelet.
Als er onzekerheid is over de precieze herkomst van menselijke resten, kan ‘spiritueel onderzoek’ plaatsvinden. Dat gebeurde ook bij het bezoek van de dorpshoofden. De pyjai, een geestelijk leider, maakte daarbij contact met voorouders. Dit kan de dorpshoofden helpen om te achterhalen tot welke inheemse gemeenschappen de menselijke resten behoren.
Voor Tokai is zo’n spiritueel onderzoek ‘een erkenning en begroeting van onze voorouders’. Ze legt uit: ‘Het is net als wanneer je een overledene op een begraafplaats gaat bezoeken, dan neem je vaak een bloemetje of een kaarsje mee.’ Over wat er precies gebeurt tijdens het spirituele onderzoek kan ze niet in detail treden, legt ze uit: ‘Dat is onbeleefd tegenover de voorouders. Spiritueel werk is niet iets wat we publiekelijk bespreken, het is een privé-aangelegenheid.’
Ook het museum geeft geen details. Modest en Flores zijn sowieso terughoudend als ze over de baby spreken. Het museum wil voorkomen dat het proces met de inheemse dorpshoofden wordt verstoord of dat er sensatieverhalen de ronde gaan doen. Wel zegt het museum dat dit niet de eerste keer is dat er spiritueel onderzoek binnen de muren wordt uitgevoerd.
Bovendien legt Flores uit dat er aan deze onderzoeken nog geen directe conclusies zijn verbonden. In Suriname overleggen de dorpshoofden eerst met de gemeenschap. Flores: ‘Het is niet zozeer dat we wachten op een antwoord op de vraag: willen jullie de repatriëring, ja of nee? Het is meer een lopend gesprek met inheemse gemeenschappen.’ Modest: ‘Wat betekent het bijvoorbeeld als nabestaanden willen bidden of een ceremonie willen uitvoeren? Dan moeten wij dat als museum kunnen organiseren.’
Léontine Meijer-van Mensch herkent de uitdagingen waar het Wereldmuseum voor staat. De Nederlandse historicus is directeur bij drie volkenkundige musea in Leipzig, Dresden en Herrnhut en wordt per 1 oktober directeur van het Rotterdam Museum. Ze ontvangt bijna wekelijks een aanvraag via de websites van de musea om te komen kijken naar voorouderlijke resten.
Meijer-van Mensch leidt de Duitse volkenkundige musea sinds 2019 en ze is voorzitter van de Ethische Commissie van het International Council of Museums (ICOM). Ze noemt de omgang met menselijke overblijfselen ‘een van belangrijkste ethische thema’s voor musea met een koloniale collectie’.
Ze ziet dat er binnen musea sprake is geweest van een omslag in het denken. ‘Voorheen waren het ‘dingen’, hadden ze een objectnummer, spraken we over ‘beenderen’. Nu zijn musea in een proces van ‘hermenselijking’, legt Meijer-van Mensch uit. Zij heeft het inmiddels daarom niet meer over ‘menselijke resten’ of ‘voorouderlijke resten’, maar over ‘mensen’ of ‘voorouders’.
Ook Tokai gebruikt de termen ‘voorouders’ of ‘familieleden’ als ze het over menselijk restanten heeft. Ze gaf in dat kader de baby (die bekend is onder collectienummer TM-A-6491) de naam Wayam’membo, een koosnaam uit een wiegeliedje dat ‘klein schildpadje’ betekent. ‘Ik wilde de objectificatie niet in stand houden.’
De verandering in de omgang met menselijke resten in collecties heeft ook praktische gevolgen. Het Grassi Museum in Leipzig, dat Meijer-van Mensch leidt, is het eerste museum in Europa dat een speciale ruimte heeft ingericht om ceremonies, zoals ritueel onderzoek, te kunnen faciliteren. Dat was voor een deel van het publiek wel even wennen. ‘In het begin hadden mensen zoiets van: ‘Wat doet die Meijer-van Mensch daar? Ze heeft een soort uitvaartcentrum in de tentoonstelling geplaatst!’’
Als ze vervolgens in gesprek gaat met mensen die hun bedenkingen hadden (‘dat krijgt dan gauw een woke-kritieksausje’) vraagt ze: ‘Hoe zou u het vinden als uw overgrootmoeder ergens in een depot in een doos in een museum aan de andere kant van de wereld werd bewaard? Dan gaat het knopje om en begrijpen mensen dat het heel belangrijk is dat we ze repatriëren. Daarom is het voor ons ook belangrijk om het over mensen te hebben.’
De eerste repatriëringsceremonie die Meijer-van Mensch bijwoonde was in het depot, in de kelder van het museum. ‘Ik vond dat geen goede plek, het moest zichtbaarder worden, niet worden weggestopt.’ Daarom is nu een voormalige tentoonstellingszaal als ceremoniële ruimte ingericht. Wanneer die niet in gebruik is, is die toegankelijk voor bezoekers.
Ook het Wereldmuseum is van plan een speciale ceremoniële ruimte te creëren waarin onder anderen inheemse mensen naar de collectie kunnen komen kijken en eventuele ceremonies kunnen uitvoeren. De ruimte wordt naar verwachting gerealiseerd in een nieuwe depot in 2029. Tot die tijd blijft het Wereldmuseum in de bestaande gebouwen ceremonies faciliteren.
Mogelijk kan daar dan in de toekomst een repatriëringsceremonie voor de baby plaatsvinden, als de dorpshoofden besluiten een verzoek bij OCW in te dienen. Hoe de rustplaats van de baby er vervolgens uit zal komen te zien, is nog niet bepaald. Tokai: ‘Dat zijn gesprekken die binnen de gemeenschap moeten worden gevoerd. Er zijn zo veel vragen die nog moeten worden beantwoord, omdat hier echt wordt gepionierd.’
Als het onderzoek van de dorpshoofden geen uitsluitsel geeft over de herkomst van de baby, overweegt het museum dna-onderzoek. Het uitvoeren daarvan om de herkomst van menselijke overblijfselen te bepalen is binnen de museale wereld niet vanzelfsprekend. Dat merkte ook Meijer-van Mensch. ‘Tot nu toe wijzen nazaten dat vrijwel altijd af. En dat nemen we heel serieus.’
In het geval dat dorpshoofden besluiten dat de baby niet in Suriname thuishoort, moet het museum zelf een keuze maken over de bestemming van de baby. Modest: ‘Tot het moment dat wij een geschikte rustplaats vinden, is het onze verantwoordelijkheid om voor de baby te zorgen.’ Die wordt voorlopig bewaard in een apart deel van het depot van het Wereldmuseum, met meer dan drieduizend andere menselijke resten. Daar kunnen ze niet blijven, vindt Tokai. ‘Kunnen menselijke resten rust vinden in een museumdepot? Ik denk van niet.’ Volgens Modest valt een begraafplaats in Nederland ook te overwegen.
Ook in Duitsland denken ze na over deze vraag. Meijer-van Mensch ziet een rol voor de overheid. ‘Binnen de Duitse politiek is al gesproken over een mausoleum. Dat moet dan helaas wel een ontzettend groot mausoleum zijn. En dan is natuurlijk nog de vraag: wie betaalt dat?’
Een belangrijke kanttekening bij een dergelijk plan is dat het per gemeenschap sterk verschilt wat een geschikte omgang met overledenen is. Worden zij bijvoorbeeld begraven of gecremeerd? Meijer-van Mensch: ‘En er zijn plekken waar mensen bij voorkeur in grotten worden begraven.’ Volgens OCW zijn er momenteel geen plannen voor een dergelijk mausoleum of begraafplaats in Nederland.
‘Weet dat we jou welterusten zingen’, beloofde Tokai in haar performance aan de baby. Begin volgend jaar opent in het Wereldmuseum Amsterdam een door Tokai gemaakte installatie die aandacht vraagt voor de voorouderlijke resten in de museumcollectie. Centraal in deze installatie zal een kleine doodskist staan. Die bouwde zij vorig jaar in Suriname en heeft ze aan het museum geschonken. De kist krijgt een vaste plek in het museum, als een vooruitwijzing naar een laatste rustplaats voor de baby.
De meeste Nederlandse musea zijn aangesloten bij de International Council of Museums (ICOM) en volgen de ethische code ervan. In die code staat bijvoorbeeld dat verzoeken voor teruggave van menselijke resten voortvarend en met respect moeten worden behandeld.
Bovendien moeten musea heldere richtlijnen opstellen. Daar is in Nederland echter nog geen sprake van, zegt Ton Hol, voorzitter van de Ethische Codecommissie voor Musea die binnen Nederland over toepassing van de ICOM-code gaat. Hij vindt het essentieel dat er uitgangspunten worden geformuleerd ‘om willekeur te voorkomen’. Daarin ziet hij ook een rol voor de overheid: ‘Als je menselijke resten wilt terugbrengen, kost dat veel onderzoek en dus geld. Musea kunnen die kosten niet zomaar opbrengen.’
In 2007 heeft de Ethische Codecommissie op verzoek van de Museumvereniging een advies uitgebracht over het verzamelen en tentoonstellen van menselijke resten. Opvallend: restitutie wordt in dit beknopte document niet genoemd. Later, in 2009, boog de commissie zich wel over een restitutieverzoek. Het ging om zes Urker schedels die in de collectie van het Universiteitsmuseum Utrecht zijn beland nadat ze eind 19de eeuw waren ontvreemd van een kerkhof. De Commissie stelde de verzoekers in het gelijk en de schedels keerden terug naar Urk.
De Ethische Codecommissie geeft op verzoek advies. Het Wereldmuseum heeft dat nog niet gevraagd over de baby op sterk water.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant