Home

‘Wees niet bang’, zegt de echtgenoot van een Libanese vrouw. Maar dat is ze wel

Terwijl de Israëlische bombardementen doorgaan, komen in Beiroet vluchtelingen uit het zuiden aan. Zeker 27.500 mensen zijn ontheemd geraakt. ‘We moesten weg. We wilden niet op onze dood wachten.’

Toen er een bom neerkwam op 10 meter van hun huis neerkwam, wisten Hussein Hodroj (41) en zijn vrouw dat het tijd was om te vluchten. Ze namen hun drie maanden oude zoontje Ahmad mee, en reden nog dezelfde dag naar de Libanese hoofdstad Beiroet. Nu staan ze in de schaduw van een vervallen schoolgebouw, een tijdelijk onderkomen dat ze met honderden andere families moeten delen. ‘We moesten daar weg’, zegt Hodroj over hun besluit te vluchten. ‘We wilden niet op onze dood wachten.’

Het is een dag na de enorme Israëlische luchtaanvallen, zo’n achthonderd in totaal, die in grote delen van Zuid- en Oost-Libanon een spoor van vernieling achterlieten. De schok is groot. Zeker 27.500 mensen zijn volgens de Libanese autoriteiten ontheemd geraakt in eigen land, bovenop de tienduizenden die al eerder huis en haard hadden verlaten. Het dodental voor maandag alleen al is opgelopen tot boven de 550, zodat 23 september de geschiedenis in zal gaan als de dodelijkste dag in Libanon sinds het einde van de burgeroorlog in 1990.

Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Hiervoor was hij correspondent Centraal- en Oost-Europa.

En de oorlog dendert door: Israëlische gevechtsvliegtuigen bombardeerden dinsdag opnieuw het zuiden van Libanon, evenals een wijk in Zuid-Beiroet waar Hezbollah de dienst uitmaakt. Hezbollah vuurde tientallen raketten terug. De vrouw van Hodroj die haar naam liever niet prijsgeeft, oogt aangedaan en staart glazig voor zich uit. Als ze huilt, verbergt ze zich achter de rug van haar echtgenoot.

Oorlog op de stoep

De school waar ze naartoe zijn gekomen, staat in Dekwaneh, een christelijke wijk in oostelijk Beiroet die de oorlog tussen Hezbollah en Israël de voorbije maanden altijd op afstand wist te houden. Maar sinds maandag staat de oorlog bij hen op de stoep. Er zijn vrijwilligers van Caritas, een katholieke stichting, die broodjes uitdelen.

Rafka Reyes (22), één van de Caritas-coördinatoren, vertelt dat er voortdurend donaties binnenkomen, maar bij lange na niet genoeg. ‘We hebben nu 27 hygiënekits voor vrouwen bijvoorbeeld, terwijl er hier 327 gezinnen zijn aangemeld.’ De kits zullen nodig zijn, want de school zelf oogt stoffig en verwaarloosd, alsof hij in jaren niet is gebruikt. Dekens en matrassen zijn er ook niet genoeg, met als gevolg dat sommige vluchtelingen op de grond moeten slapen.

Lang niet iedereen wil met de pers praten, met name dankzij het toedoen van een aantal opgefokte jongemannen. Ze stellen zich voor als leden van ‘Amal’, een sjiitische partij die sinds jaren optrekt met (het eveneens sjiitische) Hezbollah. Ook Amal heeft strijders die aan de zuidgrens met Israël vechten.

Geen twijfel aan de missie van Hezbollah

Gaandeweg het bezoek wordt duidelijk dat Amal-leden het bij de school voor het zeggen hebben. Een grootmoeder in een zwarte chador, Julia Farhad (61), krijgt door een potige man gesouffleerd wat ze moet zeggen. Ze wordt geacht Hezbollah’s ‘verzet’ op te hemelen met zinnen als: ‘We zijn niet bang voor Israël. We zullen terugkeren met een overwinning.’ Farhad glundert erbij.

Dat ieder woord door de Amal-leden wordt gewogen, hoeft niet te verbazen. De oorlog die Hezbollah en zij in het zuiden uitvechten, wordt in de rest van het land door lang niet iedereen gesteund – daar zijn de groeperingen zich maar al te goed van bewust. Bovendien krijgt Hezbollah sinds een week stevige klappen te verduren van Israël, met de pieper-explosies als belangrijkste voorbeeld. Ieder woord van zuidelijke Libanezen moet daarom on message zijn. Openlijke twijfel aan Hezbollah’s missie wordt niet op prijs gesteld.

Elders in Beiroet klonk diezelfde stoere taal ook uit de mond van andere ontheemden, waarmee overigens niet is gezegd dat die werd ingefluisterd. ‘Denk niet dat een vliegtuig of een raket ons zal verslaan, of dat een gewonde persoon of een martelaar op de grond ons zal verzwakken’, zo zei een van hen tegen persbureau Associated Press. ‘Integendeel, het geeft ons kracht, vastberadenheid en veerkracht.’

Voltreffer op het huis

Bij de school zit de 16-jarige Mahmoud op een bankje, een vlassig snorretje op zijn bovenlip. Een auto heeft zijn familie niet, zegt hij, maar vanuit hun dorp ging een minibus waar hij met zijn moeder, zussen en broers in mee mocht. Of hij binnenkort naar school kan in Beiroet is niet duidelijk, ook al kan hij dat goed gebruiken: zijn eigen school is vanwege de oorlog al maanden dicht. ‘Wat ik dan doe? Voetballen en op mijn telefoon spelen.’

Naast hem zit een neef voor wie de familie zorgt. Issa is 39 jaar oud, maar is moeilijk ter been en heeft het verstandelijke vermogen van een kind. Hij maakt zijn aanwezigheid op luide toon duidelijk. Wie goed luistert, hoort hem indringend fluiten, waarna hij iets onzichtbaars uit zijn hand laat vallen. ‘Boem.’ Vlug legt Mahmoud uit wat er aan de hand is: een half etmaal nadat de familie hun dorp verlaten had, werd hun – inmiddels lege – huis met een voltreffer geraakt.

Een tante van Mahmoud steekt bij de ingang een sigaret op. Haar man is in het dorp achtergebleven, zegt ze, om ondanks de bombardementen op het huis te passen. Ze kijkt bedrukt: sinds maandagavond heeft ze hem niet meer kunnen bereiken. ‘Wees niet bang’, had hij haar tijdens het laatste gesprek gezegd. Maar dat is ze wel.

Luister ook naar onze podcast

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next