Home

‘Het idee dat sommige criminelen gewoon naast ons wonen, is zo bedreigend dat we liever de andere kant op kijken’

Advocaat Evert Hingst, die in 2005 werd vermoord, was een echte crimineel, stelt Bregje Bleeker in Criminaliteit voor ons soort mensen. ‘Het grote publiek denkt bij het woord crimineel aan een ongeschoren boef die met pistolen zwaait, en niet aan een man in een net pak.’

Al sinds haar studie geschiedenis en politicologie is Bregje Bleeker gefascineerd door de rafelranden van de maatschappij. Als student had ze een lange relatie met een 18 jaar oudere hasjhandelaar. Het zette haar aan het denken: wat zien we als criminaliteit, wat vinden we eng, en waar is dat op gebaseerd? Het leidde tot haar debuutroman De Walrus, die in 2007 verscheen, negen jaar na de (natuurlijke) dood van de hasjhandelaar.

Nu diept ze die vragen verder uit, in haar nieuwe boek Criminaliteit voor ons soort mensen, waarvoor ze een beroep deed op oude contacten in de misdaad en sprak met bekende criminelen als Donald G. en Mink K. Het gaat over de op het eerste gezicht keurige fiscaal advocaat Evert Hingst, die door de politie werd verdacht van witwassen en in 2005 werd doodgeschoten in het chique Amsterdam-Zuid.

Over de auteur
Menno van Dongen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

In haar ogen is Hingst de verpersoonlijking van de opkomst van het witwassen. Die vorm van criminaliteit nam een vlucht in de jaren tachtig, toen drugsbaron Klaas Bruinsma zoveel geld verdiende dat het niet langer haalbaar was om alles in vuilniszakken op zolder te zetten. Mensen uit Bruinsma’s omgeving gingen met zakken vol cash naar officiële instanties, zoals het Amsterdamse effectenkantoor Nusse Brink. Daar zaten directeuren ooit dagenlang geld te tellen. ‘Dat was misschien uitzonderlijk’, zei een directielid tegen De Telegraaf, ‘maar het was niet verboden.’

Toen er meer regels kwamen om zulke praktijken tegen te gaan, profiteerde Hingst van de groeiende behoefte aan juristen die ze konden omzeilen, zegt Bleeker. ‘Wat hem voor mij extra interessant maakt, is dat we een gemeenschappelijke geschiedenis hebben. ‘We komen allebei uit een welgesteld milieu. Ik ben opgegroeid in Amsterdam-Zuid, in de Beethovenbuurt, waar hij woonde. Om de hoek van waar Evert werd vermoord, ging ik naar een keurig gymnasium. Daarom praat ik zo ontzettend netjes’, vertelt ze met een grijns op haar gezicht.

Ze heeft altijd een dubbel gevoel gehad bij haar oude buurt. ‘Overal waar je kijkt, zie je ‘ons soort mensen’: notarissen, bankdirecteuren, psychiaters, chirurgen, advocaten. Sommigen zijn heel aardig, maar ik erger me aan de wereldvreemde schijnheiligheid die je daar ziet. Mensen die roepen dat ze begaan zijn met asielzoekers, maar het vanzelfsprekend vinden dat ze in een buurt wonen waar je alleen in de supermarkt buitenlanders tegenkomt, omdat die daar werken.’

Wat was uw beeld van Evert Hingst, en hoe is dat nu?

‘Eerst zag ik hem zoals hij werd omschreven in de media: een fiscalist die de criminaliteit in werd getrokken en eindigde als maffia-advocaat. Wat me wel opviel, is dat veel van zijn vakbroeders volhielden dat hij een charmante, briljante fiscalist was die nooit is veroordeeld, met wie eigenlijk niet zoveel mis was.

‘Nu is mijn beeld dat Hingst al sinds 1996, vóór het einde van zijn rechtenstudie, werkte voor ‘De Groep’. Dat was in die tijd, na de moord op Klaas Bruinsma, de grootste criminele organisatie van Nederland. Aan de top stonden Stanley H. en Jan F., die later zijn doodgeschoten, en Mink K. Mannen van De Groep hebben me uitgebreid over Evert verteld. Omdat het lang geleden is, voelden ze zich vrijer om erover te praten, al dan niet anoniem.’

Hingst was waarschijnlijk de eerste fiscalist die in dienst was van een criminele organisatie, stelt Bleeker. ‘Hij was een facilitator: iemand die mensen aanstuurde die financiële constructies bedachten om geld wit te wassen. In zijn laatste levensjaren – hij stierf op zijn 36ste – was hij eigenlijk gewoon een crimineel, en werkte hij nog nauwelijks als advocaat. Zijn kantoor was vooral een dekmantel.’

Dat Hingst ook privé met misdadigers omging en werd verdacht van witwassen, was al bekend. Met name het tijdschrift Vrij Nederland heeft er veel over geschreven. Maar Bleeker – die vijftig misdaadjournalisten, (ex-)politiemedewerkers, wetenschappers, juristen en criminelen heeft gesproken – maakt inzichtelijk hoe het zover is gekomen en hoe Hingst erin slaagde zich netter voor te doen dan hij was.

U schrijft dat het advocatenkantoor waar Hingst werkte, op de Keizersgracht, de tweede huiskamer was van beruchte criminelen. Wat gebeurde daar?

‘Mensen van De Groep waren er kind aan huis. In een kast stond een kluis, die Mink K. er had neergezet, waarin K. onder andere dure horloges bewaarde. In Everts kantoor lagen niet alleen dossiers van klanten, maar ook geheime politiedossiers, die niets met zijn clientèle te maken hadden. Leden van De Groep spraken er regelmatig af met misdaadjournalisten. Mede omdat een advocatenkantoor in principe niet mag worden afgeluisterd.’

Grepen collega’s van Hingst niet in?

‘Nee, ze keken weg. Deels omdat ze het redelijk normaal vonden wat er gebeurde. Pas op het laatst, toen Hingst doordraaide onder invloed van cocaïne, veranderde dat. De deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, de toezichthouder, heeft pas vier maanden voor Everts dood een indringend gesprek met hem gevoerd, waarna hij stopte als advocaat. Rijkelijk laat, vind ik. Want hij was al twee keer gearresteerd, had wekenlang vastgezeten en er liep een politieonderzoek tegen hem wegens witwassen. Hingst is nooit veroordeeld, moet ik benadrukken, maar ten tijde van zijn liquidatie was er genoeg bewijs om hem te vervolgen en veroordelen.’

Hij was lang niet de enige rotte appel, stelt u.

‘Ja, hij is vooral bekend geworden omdat hij is vermoord. Tot dat moment zagen veel mensen niet dat Hingst eigenlijk gewoon een crimineel was. Omdat het grote publiek bij het woord crimineel denkt aan een ongeschoren boef die met pistolen zwaait, en niet aan een man in een net pak. Mensen willen het gevoel hebben dat ze goed en kwaad van elkaar kunnen scheiden, dat zij goed zijn en zo’n boef fout. Het idee dat sommige criminelen erg op ons lijken en gewoon naast ons wonen, is zo bedreigend dat we liever de andere kant op kijken.’

Vier jaar geleden, toen Bleeker al bezig was met haar boek, ging er een schok door het notariaat en de advocatuur. Uit onderzoek van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst bleek dat notaris Frank Oranje, bestuursvoorzitter van het prestigieuze kantoor Pels Rijcken, ruim 11 miljoen euro had verduisterd. Even later maakte Oranje een einde aan zijn leven.

‘Daarna zag je hetzelfde gebeuren als na de dood van Hingst: vakgenoten waren stomverbaasd, ze noemden hem een uitzondering. Terwijl we nu weten dat Oranje al dik twintig jaar fraudeerde.’

‘Nog een voorbeeld: de tv-serie Klem, van BNNVara, die volgens de makers lichtjes gebaseerd is op het leven van Hingst. Daarin wordt belastingambtenaar Hugo, gespeeld door Barry Atsma, neergezet als een brave boekhouder, die toevallig in contact komt met een beroepscrimineel. Als Hugo iets illegaals doet, is dat puur om anderen te helpen. Alsof mannen als Hingst niet bewust kozen voor de misdaad, om er beter van te worden.’

Waarom is Hingst volgens u het verkeerde pad op gegaan?

‘Vooral vanwege de spanning. Hij vond het superleuk om rond te lopen in een wereld met drank in overvloed, geld te over en dure zeiljachten in Spanje. Het voelde als zijn jongensdroom, als een film.’

Na het verschijnen van De Walrus, in 2007, sprak u met De Telegraaf over uw jarenlange relatie met die hasjhandelaar: ‘Ik mis het geld niet’, zei u, ‘maar wel af en toe de spanning.’ U herkent dit dus?

‘Inmiddels ben ik niet alleen schrijver maar ook een gedreven gemeenteambtenaar, en denk ik er anders over. Destijds miste ik de spanning nog wel, ja. Voor mij was die hasjwereld een vlucht uit het echte, saaie leven. En ik voelde me veilig tussen mannen als De Walrus, hoe gek dat ook klinkt. Sommige criminelen zijn levensgevaarlijk, maar voor de meesten geldt: houd je aan je afspraken, dan overkomt je niets.’

Waarom kiest de ene ‘witte boord’ voor de misdaad en de ander niet?

‘Soms bezwijken ze een of twee keer voor de druk of verleiding. Maar vaker dan je denkt is het een keuze, een patroon. Uit onderzoek naar fraudeurs blijkt dat zij over de hele linie vaker misstappen begaan: verkeersovertredingen, belastingontduiking, vreemdgaan in hun relatie. Het zijn bovengemiddeld vaak narcisten, die gemakkelijk liegen, weinig empathie hebben en lijden aan zelfoverschatting.

‘Facilitators maken gebruik van het feit dat hun misdrijven minder zichtbaar zijn. Als iemand wordt geliquideerd, weet de politie dat ze moeten zoeken naar de moordenaar. Maar als er op een slimme manier misdaadgeld wordt witgewassen, lijkt het alsof er niets is gebeurd.

‘Daar komt bij dat de pakkans klein is. Van de recherche hoorde ik dat ze in de tijd van Hingst veel sneller een arme sloeber uit Amsterdam-Zuidoost oppakten dan een advocaat. En dat de bewijslast voor advocaten nog steeds hoger ligt. In de rechtszaal is zo iemand een heel lastige tegenstander, die zich kan beroepen op zijn geheimhoudingsplicht en zijn verschoningsrecht. Dat zijn pijlers van ons rechtssysteem, en terecht. Maar kwaadwillende advocaten verschuilen zich er ook achter.’

*

Nadat Hingst was vermoord, in 2005, stonden er alleen enkele overlijdensberichten van zijn familie in de krant. Niet van collega’s, de Orde van Advocaten of mensen uit de georganiseerde misdaad. Hij hoorde niet meer bij de bovenwereld en werd ook in de onderwereld met de nek aangekeken, stelt Bleeker. ‘Bij iemand als topcrimineel Sam Klepper was dat anders. Na zijn liquidatie in 2000 vulden overlijdensberichten bijna twee grote pagina’s van De Telegraaf, en werd Klepper in een witte koets door de stad gereden, begeleid door honderden motoren.’

Hingst had het aan zichzelf te wijten, denkt ze, omdat hij op het laatst met veel mensen in conflict raakte, inclusief zijn oude kompanen Mink K. en Stanley H. ‘Hij dacht ten onrechte dat hij zich met ze kon meten.’

Op de achterflap van uw boek en in een persbericht staat dat u de moord op Hingst heeft ‘opgelost’. In de podcast Zware Jongens noemden misdaadjournalisten dat een doodzonde, want u heeft geen hard bewijs.

‘Het stomme is dat ik daar heel genuanceerd over ben in het boek. Daarin schrijf ik dat de waarschijnlijke moordenaar Stanley H. is, die trouwens ook in Amsterdam-Zuid woonde. Maar ik benadruk dat je dat nooit kunt weten. Als er een tweede druk komt, zullen we op de achterflap zetten dat ik de moord probéér op te lossen. Achteraf had ik moeten ingrijpen toen de uitgever met deze tekst kwam, ik heb onderschat hoe het zou overkomen. Het is een smet op mijn boek, maar dat gaat gelukkig over veel meer dan die moord.’

Bregje Bleeker. Criminaliteit voor ons soort mensen; 352 pagina’s; 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next