De zorgpremie wordt onbetaalbaar hoog, vindt DSW. Tijd voor radicale stappen en een inkomensafhankelijke premie, aldus de zorgverzekeraar. Luchtkasteel of goed plan?
Dit jaar nog maar eens een tientje erbij. Vorig jaar ook al. En komend jaar ook. En in 2027, als het eigen risico van 385 naar 165 euro gaat, waarschijnlijk zo’n 25 euro. Dan zit de maandelijkse zorgpremie al gauw rond de 200 euro.
Onhoudbaar, stelt Aad de Groot aan iedereen die het maar horen wil. Hij is bestuursvoorzitter van DSW, de eigenwijze zorgverzekeraar uit Schiedam, die elk jaar een week na Prinsjesdag de premie voor volgend jaar al bekend maakt, ver voor de andere verzekeraars dat doen. Daarmee verzekert DSW zich van een boel gratis publiciteit, ook al omdat De Groot graag van de gelegenheid gebruiktmaakt om de zorgwereld op te schudden met gepeperde uitspraken.
Over de auteur
Michiel van der Geest is de zorgverslaggever van de Volkskrant.
Zijn boodschap dit jaar: de ‘nominale zorgpremie’ is niet langer in de huidige vorm te handhaven. Te duur, het aantal mensen met betalingsproblemen te hoog.
De nominale premie is een van de twee geldstromen waarmee ziekenhuizen, huisartsen, wijkverpleging en andere ‘curatieve’ worden betaald en wordt door uzelf rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaald. De andere geldstroom is afhankelijk van uw inkomen en maken werkgevers over aan de overheid, die dat weer verdeelt onder de zorgverzekeraars.
De Groot stelt nu voor de nominale premie te verlagen tot een eurootje of 30. De inkomensafhankelijke bijdrage moet dan weer omhoog. Wie meer verdient, betaalt ook meer. Dat leidt tot minder mensen met betalingsproblemen, denkt De Groot, en meer solidariteit.
Het is terecht, zegt Jochen Mierau, hoogleraar economie van de Volksgezondheid in Groningen, dat De Groot de vraag op tafel legt hoe houdbaar ons stelsel nog is. ‘Alle doelen van de gereguleerde concurrentie in ons stelsel – betaalbaar, hoge kwaliteit, voor iedereen toegankelijk – hebben we niet bereikt. Kijk maar naar de wachtlijsten en de hoge premie. Dus dit is een goed moment om over alternatieven na te denken.’
Toch is het plan voor een hogere, inkomensafhankelijke bijdrage niet nieuw. Vorig jaar pleitte de invloedrijke Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) ook al voor een veel lagere nominale premie in het rapport ‘Met de stroom mee’.
Mensen met een lager inkomen betalen relatief gezien het meest aan zorg, ook al omdat zij vaker gezondheidsproblemen hebben. Als tegemoetkoming voor hun zorgkosten kunnen mensen met een lager inkomen een zorgtoeslag aanvragen. Toch lost dat het probleem maar deels op; niet iedereen vraagt die toeslag aan, of mensen hebben het geld gewoon nodig voor andere uitgaven. Het leidt ertoe dat patiënten zorg mijden uit angst voor de kosten.
Niet verwonderlijk dat een hogere inkomensafhankelijke bijdrage ooit bíjna was ingevoerd. In 2012 zetten VVD en PvdA het in hun regeerprogramma. Maar de haastig uitgevoerde koopkrachtplaatjes deden de VVD-achterban zó schrikken dat het plan nog voor het aantreden van het kabinet schielijk werd ingetrokken.
Een gemiste kans, zegt Marco Varkevisser, hoogleraar Marktordening in de gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit. ‘Een hogere inkomensafhankelijke bijdrage is een prima voorstel. Groot voordeel is dat je de zorgtoeslag dan geheel of grotendeels kunt afschaffen. Je repareert de betalingsproblemen aan de voorkant, niet via een potje achteraf.’ Dat scheelt miljarden aan toeslagen, en hoop administratief gedoe.
Ingewikkeld is het niet, het plan vergt slechts een kleine aanpassing van de zorgverzekeringswet. Daarin staat nu dat de helft van de zorgkosten moet worden betaald uit de nominale premie, en de andere helft uit de inkomensafhankelijke bijdrage. Maar die verhouding ‘is niet op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd’, zegt Varkevisser, ‘en kun je dus aanpassen’.
Bij de invoering van de huidige zorgverzekeringswet in 2006 was de gedachte dat een stevige nominale premie verzekerden er bewust van zou maken dat zorg geld kost, en dat ze er dus verstandig mee om moeten gaan. Maar bewijs dat mensen minder zorg gebruiken bij een hogere premie is er niet. Je kunt de redeneertrant ook omdraaien: dat verzekerden sneller zorg opeisen, omdat ze er toch al voor hebben betaald.
DSW-voorman De Groot ziet nog een ander voordeel. Iedereen zou in zijn plan dezelfde nominale premie moeten betalen, zodat zorgverzekeraars ook niet meer hoeven te concurreren om een zo laag mogelijk maandbedrag, en zij dus makkelijker kunnen investeren in de langetermijngezondheid van hun verzekerden.
Daar is hoogleraar Varkevisser het niet mee eens. Sterker nog, volgens hem zou een (niet overal gelijke) lagere nominale premie de concurrentie tussen zorgverzekeraars juist vergroten, en dat is toe te juichen. ‘Bij een lagere premie, vallen verschillen in maandbedragen eerder op. Ze zijn relatief gezien groter. Die concurrentieprikkel is nodig voor de verzekeraars om hun best te doen zo goed mogelijk zorg in te kopen voor hun verzekerden en daarbij ook kostenbewust te zijn.’
Het idee van ons huidige stelsel is dat verzekeraars niet alleen selecteren op prijs, maar ook op kwaliteit, om zo hun verzekerden de best mogelijke zorg te geven. Volgens De Groot is dat een illusie, verzekeraars kunnen helemaal niet van zorgorganisaties weten hoe goed de kwaliteit daar is.
‘Dat is te makkelijk weglopen van je verantwoordelijkheid’, vindt Varkevisser. ‘Het is heus niet makkelijk, maar juist de verzekeraars zitten op een enorme berg data. Daar zijn echt kwaliteitsverschillen uit af te lezen.’
Wel vindt ook Varkevisser dat het jaarlijkse overstapcircus de focus van de verzekerden te veel legt op de laagste premie. Hij pleit daarom voor de mogelijkheid om ook twee of drie jaar lopende zorgverzekeringen af te sluiten. ‘Zo kunnen verzekeraars voor een stabiele groep verzekerden langetermijnafspraken maken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant