Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Bram Hage (42) reanimeerde niet alleen een slachtoffer, maar voerde ook het slechtnieuwsgesprek met nabestaanden. ‘Dat is te veel.’
‘Ik wilde je dit verhaal drie jaar geleden al vertellen, maar toen kon ik het nog niet. Nu wel, hoop ik. Het gebeurde in 2020. Ik had noodhulpdienst en reed ’s nachts met mijn maatje Sanne door Alphen aan den Rijn. Bij een flat was een vechtpartij gemeld, maar bij aankomst zagen we niemand. Het regende, het was doodstil op straat.
‘Vervolgens kregen we kort achter elkaar meerdere meldingen van gewonden, op twee, drie verschillende adressen vlakbij. De meldkamermedewerker klonk gespannen. ‘Geef me één adres’, zei ik directief. Terwijl ik achteruit draaide om naar dat adres te rijden, zag ik in het licht van de koplampen iets in het plantsoen. ‘Daar ligt iemand’, zei ik. Sanne rende erheen en begon meteen te reanimeren.
Over de auteur
Wil Thijssen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik greep de defibrillator uit de auto en rende ook naar het slachtoffer. In de regen lag een ventje van een jaar of 15 dat helemaal was afgeslacht, beter kan ik het niet omschrijven. Met elke compressie die we gaven, gutste het bloed uit veel steekwonden.
‘Omdat in die buurt een geradicaliseerde persoon werd vermist, kwam meteen alle mogelijke versterking onze kant op. De anti-terreureenheid, hondengeleiders, ambulances, de officier van dienst. Iedereen vroeg zich af: waar is de dader?
‘We schoven het slachtoffer in de ambulance, maar de verpleegkundige zei: ‘Hij haalt het niet.’ Veel mensen kwamen kijken wat er aan de hand was, onder wie een radeloze vader en moeder die schreeuwden: ‘Waar is onze zoon?’ Ik wist nog niet wie het slachtoffer was. Om rust te creëren op de plaats delict regelde ik dat alle betrokkenen en getuigen naar het bureau werden vervoerd.
‘Druppelsgewijs kwam steeds meer informatie binnen. De verdachte was niet de vermiste geradicaliseerde persoon, maar een 18-jarige jongen die nog nooit met de politie in aanraking was geweest. Achteraf denk je: was dat maar wel zo, dan hadden we misschien iets kunnen zien aankomen.
‘Hij woonde bij zijn moeder, zijn ouders waren gescheiden. Op zijn vaders adres, een paar straten verderop, was een familiefeestje gaande. De verdachte was met twee neefjes naar huis gelopen om op zijn kamer te gaan gamen. Daar werd hij psychotisch en stak met een vleesmes die neefjes, zijn moeder en een voorbijganger neer. Een van die jongens hadden wij gevonden, een getalenteerde jeugdspeler van Ajax.
‘De verdachte belde zelf 112. De meldkamermedewerker die hem aan de lijn kreeg, verdient een grote medaille. Hij bleef rustig met de dader in gesprek, zei dat hij naar buiten moest lopen met zijn handen omhoog, en dan hoor je op de achtergrond collega’s roepen: ‘Op je knieën!’ De jongen werd aangehouden en dan is het gevaar dat wij allemaal voelden, geweken.
‘Op het bureau sprak ik die twee radeloze ouders. Ik legde uit dat ik de identiteit niet wist van de jongen die in de ambulance was overleden, maar ik had wel zijn telefoon. ‘Bel je zoon maar’, zei ik. Toen die vader het nummer van zijn kind belde, ging de telefoon in mijn hand over. Het werd doodstil.
‘Verslagen zaten die ouders daar in de hal van ons bureau. Ze hadden nog een 11-jarig zoontje op dat familiefeest. Sanne en ik haalden hem op, een heel guitig mannetje met grote, vragende ogen.
‘Op het bureau lukte het die ouders niet dat jochie te vertellen wat er was gebeurd. Ze konden het gewoon niet. Die vader keek mij wanhopig aan, dus ik hurkte en zei: ‘Ik heb slecht nieuws voor je. Je grote broer komt niet meer terug. Hij is overleden.’
‘En toen... Die schreeuw... Je ziet het: dit raakt me nog steeds. Mijn chef stond bij de balie en zei: ‘Bram, genoeg.’ Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Ik aaide het ventje over z’n bol en ging buiten een peuk roken. Het is niet goed als je het hele proces meemaakt van slachtoffer reanimeren tot slechtnieuwsgesprek met nabestaanden. Dat is te veel.
‘Later hoorde ik dat de dader als 9-jarig jochie getuige was geweest van de schietpartij in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn in 2011, waarbij zes doden vielen. Daar komt de scheiding van je ouders overheen, en je groeit op in een cultuur waar hulp vragen niet vanzelfsprekend is. Dat gaat dus mis. Wij worden nog dagelijks met de nasleep van dat Ridderhof-drama geconfronteerd, maar dit incident is wel heel extreem.
‘De gil van dat kereltje hoor ik nog steeds. Zijn grote broer was de trots van de familie. Ik let sindsdien extra goed op signalen van psychische problemen. We moeten niet sec naar wangedrag van jongeren kijken, maar altijd de waarom-vraag stellen. Vaak zit daar iets achter, een schreeuw om hulp. Iedereen vindt het erg als je kanker hebt of als je arm eraf ligt door een ongeluk, maar psychische problemen zijn onzichtbaar. Daar moeten we alert op zijn. Niet alleen de politie, maar wij allemaal.’