Een leven lang was Judith de Kom (93) bezig met haar vader, de schrijver en verzetsheld Anton de Kom, die in 1945 in concentratiekamp Neuengamme overleed. Nu is er een boek met haar herinneringen aan hem.
Het is een raar besef dat ze haar vader Anton de Kom al meer dan tachtig jaar niet gezien heeft. Ze weet niet meer hoe hij rook, of hoe zijn stem klonk. En toch zit haar vader nog altijd in alles wat Judith de Kom (93) doet. Een leven lang was ze bezig met de man die voor anderen een icoon werd, maar die ze zelf als dochter maar veertien jaar meemaakte: Anton de Kom, schrijver, verzetsheld, in 1898 geboren in Paramaribo, Suriname en in 1945 gestorven in concentratiekamp Neuengamme. Ze verdiepte zich in zijn verhaal, in zijn werk, en gaf als voordrachtskunstenaar overal ter wereld lezingen over hem. En nu is er haar boek Ik omhels je onafgebroken.
Sinds de jaren vijftig schreef ze al verhalen over de Tweede Wereldoorlog, over haar familie en over haar vader. ‘Ik schreef op wat ik me herinnerde. En dat was best veel, want ik ben een goede observator. Ik heb mijn omgeving altijd scherp in me opgenomen.’
Anton de Kom (1988-1945) was een Surinaamse schrijver en verzetsman. Zijn boek Wij slaven van Suriname (uit 1934) – over de geschiedenis van Suriname en de slavernij – geldt als een klassieker en is opgenomen in de Nederlandse Canon.
Judith de Kom (1931) is de dochter van Anton de Kom. Ze was jarenlang actief als voordrachtskunstenaar.
Is dat hetzelfde als waakzaamheid?
‘Waarschijnlijk wel. Ik heb door de oorlog ontzettende angsten ontwikkeld. Ik ben eigenlijk nog voor alles bang. Misschien ook omdat mijn oudere broers altijd over mij waakten. Ik ging nooit ergens alleen naartoe. Jaren later zei een dokter tegen mij: jouw probleem is dat je te beschermd bent opgevoed.’
Ik omhels je onafgebroken kwam tot stand in samenwerking met Ida Does, een vriendin die ze al bijna vijftig jaar kent. ‘Ik vertelde haar over vroeger, over de oorlog en over mijn vader. Ida zei: dat moet je opschrijven. Dat heb ik al gedaan, zei ik. Ik heb haar wat verhalen laten lezen. Waarop zij zei: Judith, dit is een bóék. Dat is er nu, na jaren, met haar hulp dus echt gekomen.’ De Kom vertelt haar verhaal in de vorm van brieven aan onder meer haar vader, haar moeder, andere familieleden en haar voorouders.
U groeide op in een gezin met drie oudere broers. Ad, Kees en Ton. Uw moeder Nel was wit, uw vader Anton was zwart. Hoe bijzonder was dat in die jaren?
‘Heel bijzonder. Nu realiseer ik mij wat een dappere vrouw mijn moeder was. Om in 1920 verliefd te worden op een zwarte man en daarmee ook te trouwen... dat was hoogst ongebruikelijk. De meeste mensen om hen heen begrepen er niets van. Alleen haar eigen moeder wel; die was gek op mijn vader.’
De meeste familieleden van haar moeder keurden de relatie met een zwarte man ronduit af. Kon ze geen nette Hollandse jongen krijgen dan? Een van hen ging na een handdruk van De Kom zelfs demonstratief zijn handen wassen.
Racisme was ook in die dagen een terugkerend verschijnsel. Nadat de familie in de jaren dertig een nieuw huis in Den Haag had betrokken, was De Kom daar aan het werk. Op een dag stond de politie voor de deur: er was iets gestolen bij een buurvrouw en zij wist zeker dat die zwarte man daar achter moest zitten. ‘Toen heeft hij twee dagen vastgezeten. Op basis van een valse beschuldiging. Dat soort pesterijen gebeurden constant.’
Wat bond uw vader en moeder?
‘Het waren soulmates, denk ik nu. Ze hebben elkaar ontmoet op het kantoor van koffiebranderij Reuser & Smulders in Den Haag. Ik heb haar ooit gevraagd hoe dat verliep. Toen werd ze weer even helemaal dat verliefde meisje van toen. Want hij had heel netjes gevraagd of hij haar naar huis mocht begeleiden. Een echte heer. Een mooie, elegante man, die goed was in sport en geweldig kon dansen. Thuis droeg hij gewone huiskleding. Buiten de deur had hij keurig een pak aan. Hij had er twee: een grijs en een blauw kostuum. Hij ging altijd op een stoel staan om zijn broek aan te trekken. Want die broek mocht per se niet op de grond komen.’
En wat was hij voor vader?
‘Streng, heel streng. Hij vond het ontzettend belangrijk dat we goed ons best deden op school. Kennis vergaren was een levensvoorwaarde voor hem. Hij had zelf de mulo gedaan. Later haalde hij zijn diploma boekhouden. Hij was ook heel lief. Hij nam een keer een popje voor me mee. Het bijzondere was dat het een zwart popje was. Die waren er in die tijd bijna niet. Elke avond als we in bed lagen kwam hij ons vieren een verhaaltje vertellen. Vaak over de spin Anansi. Dat kon hij geweldig. Op het spannendste moment hield hij op en zei hij in het Surinaams: ‘En morgen ga ik verder.’
Lezen is belangrijk, leerde ze van haar vader. ‘Pak een boek’, zei hij, als ze even niets zat te doen. Dat is ze altijd blijven doen. En ze spelde in de jaren vijftig de krantenberichten over apartheid in Amerika. Ze las over Rosa Parks, de zwarte vrouw die in 1955 weigerde haar plaats in de bus af te staan aan een witte passagier. ‘Die moed om te blijven zitten, met het gevaar dat je de bus uitgesleept en vermoord zou worden... Als ik eraan denk krijg ik opnieuw kippenvel.’ Bij dat soort berichten moest ze onherroepelijk aan haar vader denken. ‘Het verzet van zwarte mensen zou hem uit het hart gegrepen zijn.’
Kunt u zich ook herinneren dat hij zat te schrijven?
‘Toen Wij slaven van Suriname verscheen, in 1934, was ik pas 3. Daar heb ik geen herinnering aan. Maar ik zie hem nog wel in zijn leunstoel zitten, vaak met een stapel woordenboeken naast zich. Dan zat hij met een stompje potlood te schrijven, op alles wat hij maar aan papier kon vinden. Want er was geen geld om een blocnote te kopen.
Wat schreef hij?
‘Hij schreef gedichten. En hij werkte aan een filmscript: Tjiboe. Maar er was nauwelijks belangstelling voor.’
Judith de Kom was 2 toen het gezin in 1933 naar Suriname ging. Haar vader was van plan om zich daar te vestigen. Maar het liep anders dan gepland. ‘Zijn naam was hem vooruitgesneld, omdat hij hier in Nederland al bezig was met de arbeiders, en actief was in linkse organisaties. In Suriname richtte hij een adviesbureau op, om arme mensen te helpen. Hij wees hen op hun rechten en benadrukte dat ze zich moesten ontwikkelen. ‘Zorg dat je verder komt, dan kun je zelf over je leven beslissen.’ Hij wilde in Suriname lezingen houden over de geschiedenis, de koloniale onderdrukking en het verzet.
‘En hij was bezig met het maken van een zwartboek over sociale misstanden dat hij aan de regering wilde overhandigen.’ Het koloniale bestuur in Suriname zat daar bepaald niet op te wachten: De Kom werd gearresteerd en gevangengezet. Toen op 7 februari 1933 duizenden mensen in Paramaribo voor zijn vrijlating demonstreerden, opende de politie het vuur op de menigte. Daarbij vielen twee doden en dertig gewonden. Pas na drie maanden opsluiting in Fort Zeelandia werd De Kom vrijgelaten.
Wat voor effect heeft deze episode op uw vader gehad?
‘Dat is moeilijk te zeggen. Mijn moeder heeft daar nooit iets over verteld. Ze heeft alleen een keer tegen mij gezegd: ik vind het niet prettig als je steeds in dat verleden blijft wroeten. Want het zijn open wonden. Iedere keer als jij daarover begint, gaat die wond weer open.’
Ze bewaart nog steeds haar poesiealbum, waarvan haar vader de eerste bladzijde beschreef. Het boekje valt na ruim tachtig jaar bijna uit elkaar. Maar De Koms ragfijne handschrift is nog duidelijk leesbaar. Geen gedichtje over rozen die verwelken en schepen die vergaan, maar een serieus vers met als titel ‘Suriname, ons vaderland’. Ondertekend door A. de Kom. ‘Eerlijk gezegd begreep ik helemaal niets van dat gedicht. Pas veel later besefte ik dat hij mij de liefde voor dat mooie land heeft willen nalaten.’
‘A. de Kom’ klinkt nogal afstandelijk. Was hij dat?
‘Ja, in zekere zin wel. Dit was bovendien in de periode dat hij het heel zwaar had. Het was eind jaren dertig, begin veertig. Mijn vader had geen werk, voelde de dreiging van de oorlog. Ons gezin kreeg 18 gulden steun in de week, waar 6 gulden huur afging. De machteloosheid sloeg hem lam. Hij zat steeds meer met zichzelf in de knoop.’ Als werkloze moest hij verplicht sneeuwruimen. ‘Dat ervoer hij als een vernedering.’
Uiteindelijk bleek het de aanloop naar wat in die dagen ‘zenuwziekte’ werd genoemd: overspannenheid. Zijn gedrag begon merkbaar te veranderen. Toen Anton de Kom een keer met zijn zoons op straat liep, hoorde hij een jongetje aan zijn vader vragen: ‘Wat is dat voor man?’ ‘Dat is nou de boeman’, antwoordde de vader.
Judith de Kom: ‘Het was een tijd waarin er nog weinig zwarte mensen op straat waren. Maar dit was voor mijn vader de druppel. Hij zei tegen mijn broers dat ze even moesten doorlopen. Vervolgens liep hij terug om die man een klap te verkopen.’
Niemand wist dat hij in die tijd fanatiek bezig was met verzetswerk, en clandestien stukken schreef voor onder meer het illegale blad De Vonk. Zijn omgeving zag hem vooral als een luie nietsnut, dacht De Kom. Op een dag werd het hem allemaal te veel. Hij liep spinnijdig naar de portiektrap en smeet daar zijn blaadjes en schriften vol verhalen over de stenen traptreden naar beneden, schreeuwend: ‘Jullie denken dat ik niet werk! Maar ik werk wel degelijk! Dit is mijn werk!’ Kort daarna werd hij voor drie maanden opgenomen in een kliniek.
Op 7 augustus 1944 zag Judith, toen 14, haar vader voor het laatst, toen hij ’s morgens de deur uitging. Die avond kwam hij niet thuis. Misschien was hij verlaat, dachten ze eerst nog, en kon hij door de avondklok niet meer over straat. Totdat er rond tien uur op de deur werd gebonsd. Politie. Huiszoeking. Ze hadden De Kom gearresteerd en kwamen nu thuis naar wapens zoeken.
‘‘Als u ze niet uit uzelf geeft en wij vinden ze toch, dan wordt uw man doodgeschoten’, zeiden ze tegen mijn moeder. Ze vonden natuurlijk niks, want mijn vader hád helemaal geen wapens. Toen ze vertrokken vroeg er een: ‘Waarom ben je eigenlijk met die nikker getrouwd?’ Ik hoor mijn moeder nog zeggen: ‘Omdat ik van hem houd en hem respecteer’.’
Anton de Kom kwam nooit meer thuis. Ondanks de radeloze zoektocht van zijn vrouw kwamen ze jarenlang niets te weten over zijn lot. Pas in 1960 hoorden ze wat er met hem gebeurd was. Direct na zijn arrestatie was hij opgesloten in het Oranjehotel in Scheveningen en vervolgens overgebracht naar Kamp Vught. Daarna volgde concentratiekamp Sachsenhausen/Oranienburg. Hij stierf uiteindelijk in april 1945 in een ziekenbarak van Neuengamme aan tbc en werd begraven in een massagraf met tweeduizend anderen.
Pas vijftien jaar nadien werden zijn stoffelijke resten geïdentificeerd, aan de hand van zijn gebit en een deuk in zijn schedel, het gevolg van een verwonding die hij opliep toen een omstander in Den Haag een baksteen naar hem gooide, na een racistische scheldpartij. De Kom werd daarna overgebracht naar de erebegraafplaats in Loenen. ‘Zelfs bij die herbegrafenis had ik nog steeds niet het gevoel dat hij werkelijk dood was.’
Ze is nu 93, twee keer zo oud als haar vader geworden is. In haar hoofd is hij nooit ouder geworden. ‘Als iemand jong sterft, blijft hij altijd jong.’
Is hij wel met u mee blijven reizen?
‘Nou, ik reisde vooral met hem mee. Ik ben mijn leven lang overal op de wereld geweest om over mijn vader te vertellen. Je kunt wel zeggen dat ik jarenlang door hem geobsedeerd ben geweest.’
Vorig jaar legde ze op 4 mei een krans voor haar vader op de Dam. ‘Toen heb ik tegen hem gezegd: ‘Het is nu genoeg geweest, papa. Ik laat het verder rusten.’ Een maand daarna werd zij door minister Wopke Hoekstra uitgenodigd om langs te komen op zijn ministerie. Ze had verwacht dat het een gesprek zou zijn over de plannen voor een Anton de Kom-leerstoel.
Maar tot haar verrassing begon Hoekstra over de arrestatie en de gevangenschap in Paramaribo in 1933. ‘Namens de regering bied ik excuses aan voor het handelen van de toenmalige regering, waaronder het Nederlandse koloniale bestuur in Paramaribo destijds, en het leed dat u en uw familie daarvan hebben ondervonden.’ De herinnering aan dat moment ontroert haar nu nog. ‘Dat woord ‘excuses’ voelde als een historisch moment. Mijn vader en ons gezin is heel veel aangedaan. Eindelijk, na zoveel jaren, had onze pijn betekenis gekregen. Het was gezien. Dat deed me zoveel.’
Judith de Kom: Ik omhels je onafgebroken – Brieven aan haar vader Anton de Kom en andere dierbaren opgetekend door Isa Does. Alfabet; 104 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant