Zondag fietsen mannen en vrouwen zo hard mogelijk door Zürich bij het WK tijdrijden. Er bestaan veel vooroordelen over deze sport, die ‘niks met wielrennen te maken zou hebben’. Sportverslaggever Erik van Lakerveld, liefhebber én zelf deelnemer aan twaalf nationale kampioenschappen tijdrijden, fileert ze.
Niemand minder dan de baas van de Tour de France, Christian Prudhomme, gaf het in 2015 toe: ‘Een tijdrit is een beetje saai, voortdurend rijd je hetzelfde parcours, start-finish, start-finish.’ Hij doelde vooral op de repeterende televisiebeelden; een voorbijkomend kasteeltje is niet 176 keer interessant.
Dat geldt ook voor steeds maar weer dezelfde renner voorbij zien komen op hetzelfde punt, waarbij op tv niet te zien is of hij of zij kneiterhard gaat of de tijdrit louter afwerkt omdat het moet. De spanning moet komen van een armoedig klokje onderin het scherm.
Van Lakerveld: ‘Misschien is de tijdrit voor de argeloze tv-kijker wat minder spannend dan een bergrit of een door waaiers uiteengeslagen klassieker, maar voor wie de tijd neemt om zich een beetje in het metier te verdiepen kan het juist heel spannend zijn, zeker als de kanshebbers op het startpodium verschijnen. Bovendien slikken wielerfans nog veel saaiere zaken: een urenlange wandeletappe met de eindsprint als enig hoogtepunt bijvoorbeeld.
Een tijdrit is als een balanceeract: de renners moeten precies zo hard rijden dat ze aan de streep geen streepje energie meer over hebben. Wie te hard wil, rijdt zichzelf over de kop, wie te angstig is verliest tijd. Daarbij komen nog allerlei technische zaken kijken: het behendig aansnijden van de bochten, het kiezen van de juiste kant van de weg bij zijwind, het indelen van de race, de houding op de fiets. Je pikt de mannen en vrouwen die dat kunnen er zo tussenuit.
En wat de televisiekijker ontgaat: een tijdrit is voor de toeschouwers ter plaatse juist veel aantrekkelijker dan een zogenaamde rit-in-lijn. Bij een tijdrit krijg je alle renners één voor één uitgeserveerd en kijk je je ogen uit bij het hightech materiaal. Heel anders is dat vaak bij een wegwedstrijd waar een peloton in een paar seconden voorbij zoeft en achter de kim verdwijnt.’
Over de auteur
Robert Giebels is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft over wielrennen en Formule 1.
Aan een tijdrit komen geen strategie, bluf en ploegenspel te pas – juist de bekoring van wielrennen als individuele teamsport. Niet voor niets noemde Tom Dumoulin, de beste tijdrijder die Nederland heeft gehad, tijdrijden een gevecht tegen zichzelf, niet tegen anderen.
Zo snel mogelijk van A naar B rammen, nadenken is niet nodig, behendigheid evenmin; dát is tijdrijden. Met de blik op het asfalt dat een paar meter voor de renner ligt – bochten uitgezonderd – lijkt deze ontoegankelijke wielerdiscipline meer op een of andere krachtsport.
Van Lakerveld: ‘De tijdrit is het eerlijkste onderdeel van de wielersport en bevindt zich daarmee inderdaad wat aan de randen van het wielrennen. In een gewone wedstrijd speelt oneerlijkheid een veel grotere rol. Daar kun je zoals Fransman Thomas Voeckler zo kundig deed, je gezicht in zo’n afgrijselijke plooi trekken dat al je concurrenten denken dat je geen puf meer hebt en ze er uiteindelijk in een sprintje op leggen.
Bij de tijdrit kan dat niet en daarmee is het tegelijkertijd de zuiverste vorm van wielrennen. Een oervorm ook: wie kan het hardste fietsen? Die vraag was er eerder dan de vraag wie het beste het bordje van de ander leeg kon eten.
Je ziet wel dat sommige renners nu eenmaal veel meer genieten van het spel op de fiets, van bluffen, van demarreren. Neem Mathieu van der Poel. Hij is niet vanwege de tijdrit gaan wielrennen en dat geldt voor de meesten van zijn collega’s.
Maar Van der Poel is ook het bewijs dat wanneer hij wél gemotiveerd is om zijn eigen grens op te zoeken op de tijdritfiets, hij de discipline behoorlijk goed beheerst. In 2021 verdedigde hij in de Tour met succes zijn gele trui in de tijdrit van Changé naar Laval terwijl weinigen dat van hem verwachtten.’
Niet de renner, maar het materiaal bepaalt bij het tijdrijden winst of verlies. Fiets, onderdelen, kleding en de onmogelijke houding moeten weerstand overwinnen. Vooral luchtweerstand, die immers exponentieel toeneemt met de snelheid. Resultaat: peperdure Formule 1-fietsen.
Olympisch kampioen tijdrijden in Tokio, Annemiek van Vleuten, vertelde over een enthousiaste mecanicien die een dure ketting had gevonden die ‘een paar watt zou schelen’ – hogere snelheid bij hetzelfde vermogen. Mooi, maar dat maakt de sport minder toegankelijk, stelde Van Vleuten. ‘Concurrenten uit landen die niet de budgetten hebben om een windtunnel in te gaan, staan 2-0 achter.’
Van Lakerveld: ‘Het zoeken naar het beste materiaal gebeurt niet alleen in tijdritten. De professionele ploegen streven in elke koers naar het gebruik van het beste materiaal. En als dat niet zo is beklagen coureurs zich. Zo beweerde de Franse renner Guillaume Martin na de afgelopen Tour de France dat hij vanwege de fiets die hij van zijn ploeg Cofidis kreeg niet goed genoeg had kunnen presteren. Het rijwiel was volgens hem te zwaar.
Verschillen zijn er altijd, tussen fietsenmerken, tussen ploegbudgetten, maar als het aankomt op tijdritfietsen zijn de verschillen wel eens groter geweest. Op het WK rijdt geen enkele medaillekandidaat op een matig ontworpen frame. Alle fietsen zijn uitgebreid in de windtunnels getest en eventuele verschillen gaan op de grote hoop met de verschillen die toch al bestaan tussen de renners, door training, door talent en door de vorm van de dag. En sowieso, niemand wordt wereldkampioen door de fiets alleen.’
Wielrenners die moeite hebben met tijdrijden, kunnen het vergeten om in een grote ronde in de top van het klassement te eindigen. Laat staan dat ze de Tour winnen. Miguel Indurain zegevierde begin jaren negentig van de vorige eeuw vijf keer in de Tour dankzij zijn tijdrijderskwaliteiten. In de bergen had de Spanjaard het moeilijk met zijn grote lijf.
Alle renners die na Indurain de Ronde van Frankrijk meerdere keren wonnen, zoals Lance Armstrong, Alberto Contador en Chris Froome, legden zonder uitzondering de basis voor hun zeges in de tijdritten. De belangrijkste koers van het jaar wordt niet gewonnen door de beste allrounder, maar door tijdritspecialisten.
Van Lakerveld: ‘Als je zo denkt, zijn bergritten oneerlijk omdat grote zware renners niet goed kunnen klimmen. Nee, de tijdrit is juist behoorlijk egalitair. Neem Jonas Vingegaard en Tadej Pogacar. Zij wonnen beiden al meermaals de Tour de France en zullen niet zo snel als ‘tijdritspecialist’ worden bestempeld, hoewel dat best zou mogen want allebei kunnen ze een uitstekende tijdrit rijden.
Zij bewijzen dat de oude gedachte dat klimmers geen tijdrijders zouden kunnen zijn, onzin is. Van een beer van bijna twee meter is nauwelijks een klimmer te maken, maar het gros van het peloton kan tot een redelijk tot goede tijdrijder worden gekneed. Dat besef is met het verbeteren van de trainingsmethodes steeds verder doorgedrongen.
Voor lang niet alle coureurs is het een zinnige investering om tijd en energie in de strijd tegen de klok te steken. Maar het is wel slim voor diegenen die voor een klassement rijden en diegenen die sowieso al aanleg hebben voor de tijdrit. Niet voor niets zijn het juist die twee soorten renners die de laatste jaren om de medailles vechten.’
Egan Bernal zou goed zijn voor minstens vijf Tourzeges, maar knalde met zijn tijdritfiets tegen een stadsbus. De wielercarrière van Chris Froome eindigde feitelijk na een valpartij bij een verkenning van een tijdrit. Specialist Stefan Küng kwam bloedend en met een gebarsten helm over de finish van het EK tijdrijden vorig jaar, Ellen van Dijk brak haar enkel tijdens een trainingsrit op de snelle fiets.
Tijdrijden is gevaarlijk door de veel hogere snelheden dan vroeger en de logheid van de fiets. Zelfs olympisch kampioen Annemiek van Vleuten pleit er daarom net als Froome voor om tijdritten voortaan op gewone fietsen af te werken. De winnaar is volgens Van Vleuten dezelfde. ‘Het gaat erom wie het hardst trapt, toch?’
Van Lakerveld: ‘Tijdritfietsen zijn niet logger. Hij stuurt door de andere verhoudingen van frame en fietser iets anders dan een normale racefiets. Maar wie Tom Dumoulin in zijn beste dagen op de tijdritfiets heeft zien sturen weet dat wendbaarheid geen probleem is.
Wel wonderlijk is dat wanneer je op de tijdritfiets de houding aanneemt waarmee je het hardste kunt rijden, je handen een heel eind van je remmen verwijderd zijn. Als er iets onverwachts gebeurt terwijl je met de ellebogen op je stuur ligt, kun je vrij weinig meer. Dat kan heel gevaarlijk zijn. Niet voor niets mogen renners in een gewone koers sinds een paar jaar hun onderarmen niet meer op hun stuur leggen.
Onverwacht gevaar ligt in trainingen, meestal afgewikkeld op de openbare weg, wel veel eerder op de loer dan in wedstrijden. Tijdens het WK spoedden de tijdrijders zich over een afgezet parcours met seingevers op gevaarlijke punten. De route is verkend en riskante passages zijn doorgesproken. Een tijdrit is daarmee oneindig veel veiliger dan een koers in een zenuwachtig en rondzwermend peloton, waar elk moment iets kan misgaan en je de vingers voortdurend aan de remmen wil houden. Dan liever op een lege weg, liggend in een tijdritstuur.’
Tijdrijden is pijn lijden, en wat is daar nou aan? Op een tijdritfiets zit de renner, gevouwen in een onnatuurlijke hoek, per definitie oncomfortabel. Niet de beste wint, maar degene die maximale pijn het beste kan verdragen.
Tijdrijden wordt ook wel als gedoseerd sterven aangeduid. ‘Als je weet dat het pijn gaat doen, doet het nog meer pijn’, was de ervaring van Dumoulin, die tijdrijden vergeleek met ‘je vinger zo lang mogelijk tussen de deur houden’. Renners horen wat Van Vleuten betreft tijdrijden niet leuk te vinden. ‘Dan ben je of de pijn heel snel vergeten of je ging gewoon niet hard genoeg.’
Van Lakerveld: ‘Over die houding: als je oncomfortabel op je tijdritfiets zit dan heb je iets verkeerd gedaan. Ofwel je afstelling klopt niet of je hebt de tijd niet genomen om er een beetje aan te wennen. Het gaat om een balans tussen aerodynamica (het opgevouwen zitten) en kracht kunnen leveren. Dat laatste lukt in een werkelijk oncomfortabele houding sowieso niet. Voor iemand die regelmatig de tijdritfiets pakt zal de houding al snel heel natuurlijk aanvoelen.
De inspanning zelf is pijnlijk, zonder meer. Maar niet per se pijnlijker dan een lange klim in een belangrijke bergrit, of uitgepierd aan het laatste wiel van een waaier hangen in een kille voorjaarskoers. Wat het zo zwaar maakt is dat je alleen bent. Er is geen ander om op te vloeken, niemand om je tegen af te zetten, geen mikpunt om naartoe te rijden. Daarom komt de pijn zoveel harder binnen, maar dat is tegelijkertijd wat tijdrijden zo mooi maakt.
Wielrennen is een sport van martelaren: van mannen en vrouwen die pijn lijden tot het hoogste hebben verheven. Daarom dissen renners onderling zo graag verhalen over loodzware koersen op, over vallen en met breuken en kneuzingen meteen de fiets weer op gaan. Afzien is waar wielrennen om draait. Wat dat betreft is tijdrijden het summum, want behalve fysieke pijn komt daar het geestelijk lijden nog bij. Heerlijk, toch?’
Het WK tijdrijden is te zien op NPO 1 om 11.55 uur (vrouwen) en 14.20 uur (mannen)
Het WK tijdrijden voor vrouwen (30 kilometer) is op papier een strijd tussen de olympische en de Europese kampioenen: Grace Brown uit Australië en de Belgische Lotte Kopecky. Voor Nederland rijden Demi Vollering en Ellen van Dijk.
Bij de mannen (46 kilometer) is het uitkijken naar regerend wereldkampioen Remco Evenepoel en het Britse talent Joshua Tarling. Daan Hoole vertegenwoordigt Nederland.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant