Jarenlang hield Viviane Sassen haar autonome werk en haar modefotografie strikt gescheiden, bang om anders minder serieus te worden genomen in het kunstcircuit. Bij haar eerste retrospectief in Foam versterken de twee werelden elkaar juist.
Viviane Sassen (52) behoort, vindt ze zelf, niet tot de internationale top tien van modefotografen. ‘Ik ben een vreemde eend in de bijt en ik ben geen onderdeel van het modesysteem. Ik heb nooit in de mode gezeten voor de mode zelf, maar altijd voor de fotografie. Kleding interesseert me niet zo, fotograferen voor modebladen is vooral een manier om genoeg te verdienen en zo tijd te maken voor mijn vrije werk.’ Sassen zegt het met grote stelligheid, wat gezien haar statuur – met wereldwijd publicaties in vooraanstaande modebladen en opdrachten van grote modemerken – toch verbazingwekkend mag heten. Ook omdat een deel van haar expositie Phosphor is samengesteld uit modefoto’s.
Sassen legt, tijdens de voorbereidingen voor haar overzichtstentoonstelling in fotomuseum Foam in Amsterdam, graag uit waarom ze als internationaal erkend modefotograaf vooral waarde hecht aan het autonome werk, dat minder bekend en in commerciële zin minder gewild is. Het heeft een duistere, soms zelfs macabere kant die je vergeefs zoekt in de modefoto’s, hoe eigenzinnig en herkenbaar als echte Sassens die meestal ook zijn.
Over de auteur
Arno Haijtema is redacteur bij de Volkskrant en schrijft onder meer over fotografie en de manier waarop nieuwsfoto’s ons wereldbeeld bepalen.
Ze excuseert zich ervoor dat ze juist het witte T-shirt draagt met in grote letters de naam van de expositie erop, dat ze, bezweert ze, toevallig heeft aangetrokken. ‘Dat was niet met een bedoeling’, zegt ze lachend. Ze heeft een afkeer van ‘reclamische’ uitingen, laat ze een paar keer merken tijdens het interview. Die promotie heeft ze ook niet nodig, want haar artistieke kwaliteiten zijn behalve in de modebladen ook in culturele bastions – met exposities in bijvoorbeeld Moma in New York en Huis Marseille in Amsterdam – al ruimschoots erkend.
Haar eerste retrospectief, negen zalen met autonoom werk en eentje met haar modefotografie, is de voorlopige bekroning van haar carrière. Samengesteld met Foam en Maison Européenne de la Photographie (MEP) in Parijs, vervolgens doorgereisd naar het Japanse Kyoto, het Chinese Shanghai en dan nu eindelijk in Sassens geboorteplaats. Iets om naar uit te kijken, want ‘nu kan ik eindelijk al mijn vrienden uitnodigen voor de opening. Ik ben een trotse geboren Amsterdamse.’
Het kostte haar een jaar om haar archief door te spitten en een selectie te maken voor Phosphor. ‘Ik heb eigenlijk twee simultane carrières: de kunst en de mode. Van beide is er het oudere, analoge werk en het nieuwe digitale. Vooral vroeger hield ik die twee kanten angstvallig gescheiden. Heel lang werd ik vooral gezien als modefotograaf, en die wordt in het kunstcircuit toch minder serieus genomen. Dat frustreerde me best lang. Modefotografie schrikt de kunstwereld af, en ik wilde dus niet dat mijn autonome werk zou worden geïnfecteerd door de mode.’ Hoe anders is dat nu: de twee carrières dulden elkaar in Foam niet alleen, ze versterken elkaar.
Duizenden foto’s zijn bij de selectie gepasseerd. Van haar vroege werk op de mode- en kunstacademie. De foto’s waarop ze zelf nog poseert, als model. De latere, veelal uit Kenia, het land waar ze in haar vroege jeugd een paar jaar woonde en dat een grote stempel drukte op haar ontwikkeling als autonoom fotograaf: de kunst, waaronder de foto’s die ze beschildert en waarvan ze intrigerende collages maakt – metershoog soms, zoals in het MEP al was te zien.
Weer zag ze de talrijke foto’s voor editorials – gemaakt in opdracht van de modebladen die haar doorgaans carte blanche geven om zelf te bepalen waar, met welke modellen (vaak van kleur) en in welke setting ze wilde fotograferen. Gelikt is haar werk nooit, eigenzinnig, rijk met verzadigde kleuren en vaak bizar wel, op een interessante manier. Haar kunst is vaak te beschouwen als een experimentele studie naar het menselijk lichaam met vervreemdende poses, weggedraaide gezichten, een belangrijke rol voor slagschaduwen en alledaagse attributen (touwtjes, emmers, autobanden) die tot rekwisieten zijn verheven. Het surrealisme is nooit ver weg.
Een enkele keer was het selectieproces confronterend. ‘Ik dacht dat ik zo rond 2017 was begonnen met beschilderen en collages maken. Maar ik kwam in het archief een soort surprise tegen die ik op de middelbare school voor mijn vader had gemaakt, met foto’s uit tijdschriften waarop ik gezichten had geplakt. Wat ik totaal was vergeten. Het stemde op een bepaalde manier verdrietig. Ik probeer me altijd te vernieuwen, dingen uit te proberen. Blijkt plotseling dat je nog steeds hetzelfde doet. Terwijl het saai is om jezelf te herhalen. De bron waaruit ik put is kennelijk nog steeds hetzelfde. Maar mijn werk verandert naarmate ik verander.’
Het viel haar op hoe ze ook al in haar vroege werk een voorkeur had voor felle, verzadigde kleuren. ‘Dat heb ik in Afrika al omarmd. Mensen denken dat ik de felheid aandik met Photoshop, maar dat is niet zo. Ook op mijn met film geschoten foto’s zie je het al. Het past in de Nederlandse cultuur, de hang naar primaire kleuren, van De Stijl, van Mondriaan. Kijk naar de Nederlandse bewegwijzering, die is ook van zo’n grafische directheid. Heel anders dan langs de Belgische of Franse wegen.’
Lang mogen de mode en de kunsten gescheiden circuits zijn geweest, dat neemt niet weg dat beide Sassen lief zijn en dat er veel verwantschappen zijn. ‘Als model ben ik verliefd geworden op het maakproces van de editorials. Je komt met een groep mensen bij elkaar en het moet meestal op één dag allemaal gebeuren. Je werkt heel intuïtief en spontaan. Ik liep vaak bijna in mijn nakie tussen mensen die ik nauwelijks kende. Aan het einde van de dag nam je afscheid, je omarmde en kuste elkaar bij het afscheid. Er was zo’n progressieve, vrije sfeer.’
De editorials fungeren als de etalages van de fotograaf, legt ze uit. Ze genereren aandacht, maar leveren haar nauwelijks iets op. Modemerken zien dat werk in de bladen, plaatsen het op hun moodboards waarmee de lijnen voor volgende collecties worden uitgezet en vragen dan Sassen wellicht voor de advertenties – de opdrachten waarmee wél heel goed wordt verdiend. En zo is zij financieel in staat ook haar vrije werk te maken, waarbij ze los van de hectiek trager en bedachtzaam kan opereren. En dat autonome werk wordt steeds belangrijker voor haar: ‘Ik raak er steeds meer aan verknocht, het komt echt uit mijn ziel.’
Die kunst lijkt vaak op een uitvergroting van de thema’s in haar modefoto’s. De ongebruikelijke houdingen van modellen, de interesse voor huid en huidtinten, alle verschijningsvormen van het menselijk lichaam, vinden deels hun oorsprong in Sassens Afrikaanse achtergrond. ‘Mijn vader was arts. We woonden in Kenia naast een poliokliniek, waar ik vaak speelde met kinderen die door die ziekte verlammingen en vergroeiingen hadden. Ik was gewend aan hun aanblik en realiseerde me helemaal niet dat ze zo ziek waren.’ De dood was er ook alom aanwezig. ‘Dan zag je een hond die lag te creperen in een greppel. Een paar uur later was-ie dood. De volgende dag was hij door de hitte opgeblazen en kropen de maden over het kadaver.’
Ook thuis was Sassen gewend aan de confrontaties en omgang met dood en ziekte. Nadat het gezin was teruggekeerd in Nederland, opende haar vader een praktijk aan huis. Ze nam de telefoon op en gaf boodschappen van patiënten door. Zag hoe haar vader de wonden hechtte die haar broers, wildebrassen, bij het stoeien opliepen. ‘Dat fascineerde me enorm, ik mocht dan assisteren door spullen aan te geven.’
En zo zijn er meer omstandigheden en gebeurtenissen die haar als fotograaf hebben gevormd. Zoals de vroege dood van haar vader. Hij moest door ernstige fysieke tegenslagen zijn praktijk sluiten, leed chronisch pijn, raakte depressief en maakte een einde aan zijn leven. Sassen verwerkte het in Zwaartekracht, een serie die ging over zijn dood, en later in de serie Umbra, die in geabstraheerde vorm ook over sterfelijkheid gaat. Ook haar collages verraden die fascinatie voor de dood, voor het menselijk lichaam, alsof ze er gewapend met een ciseleermesje een anatomische studie van maakt.
Maar ook de jaren negentig, haar studietijd op de kunstacademies in Arnhem en Utrecht, hebben nadrukkelijk hun sporen nagelaten: ‘Het waren de jaren van de grunge, heel interessant. De fotografie in de jaren tachtig was glamoureus en afstandelijk, zoals in Cosmopolitan en Snoecks. Wij gingen werken met kleine camera’s, we maakten snapshots, fotoshoots in onze eigen keuken. Het was spannend, we werkten met één lamp, zodat de foto’s niet te gepolijst werden. Er kwamen onafhankelijke bladen op, het was een beetje een anarchistische tijd.’
De Duitse fotografen van de Düsseldorfer Schule – Wolfgang Tillmans, Thomas Ruff, Thomas Struth, Andreas Gursky – effenden het pad voor Sassens generatie. ‘We namen een voorbeeld aan hun nuchterheid, aan hun zakelijke manier van fotograferen, aan wars zijn van foefjes. Nog altijd probeer ik het dramatische en romantische zo veel mogelijk te vermijden.’
Afgezien van die grote Duitse namen en de Nederlandse Rineke Dijkstra constateert Sassen dat maar weinig fotografen weten door te dringen tot de kunstmusea. ‘Het zijn nog steeds aparte werelden. De fotowereld presenteert zich op Paris Photo, de beeldende kunst op Art Basel. Tegenwoordig trek ik me daar niks meer van aan, maar nog steeds sijpelt de fotografie moeilijk door in de kunstwereld, met zijn eigen jargon en bepaalde mores. Ik heb nu eenmaal een esthetisch oog, terwijl in musea de nadruk ligt op conceptuele kunst.’
Wat er op haar pad komt als het retrospectief in Foam is afgerond? Ze heeft nog geen concrete plannen. ‘Eerst ga ik een tijdje terug naar Afrika om me te herbezinnen over hoe ik verder wil gaan – dat weet ik domweg nog niet. Ik ben nog steeds heel nieuwsgierig. Als je alles plat wilt slaan, dan gaat mijn werk natuurlijk altijd over seks en dood, over angst en verlangen. De dood is het niets, het verlangen is er om echte, diepe connectie te maken met mensen. In die uitersten is een diepe gelaagdheid te ontdekken.’
De expositie Phosphor: Art & Fashion van Viviane Sassen is t/m 12 januari te zien bij Foam.
Bij een bezoek aan Foam in Amsterdam ligt er voor lezers van de Volkskrant (in beperkte oplage) een gratis poster klaar ontworpen door Viviane Sassen. Het betreft een bewerkte versie van een zelfportret uit 1990. Dit beeld werd ook gebruikt voor de cover van Volkskrant Magazine op 21 september 2024.
Meldt u voor uw bezoek aan het museum eerst aan op: volkskrant.nl/foam
Foam, Keizersgracht 609, Amsterdam
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant