Opkomen voor iemand die wordt gepest, je uitspreken tegen misstanden, minder hard autorijden: een moreel juiste keuze is niet altijd direct in je eigen belang. In het Integriteitslab van de Universiteit Utrecht onderzoeken wetenschappers hoe je mensen toch zover krijgt.
Mandy Muller slaakt een kreet van blijdschap als ze voor het eerst tijdens het experiment geld heeft verdiend: ‘Yes!’ Uit de rode badmuts op haar hoofd lopen elektriciteitsdraadjes, verbonden met een computer. Op het scherm in de kamer ernaast slaan de priegelige lijnen naar boven uit – die geven (onder andere) Mullers gevoel van beloning weer.
De badmuts met elektroden, een EEG, meet de elektrische activiteit op verschillende plekken op haar schedel. ‘Dat geeft ons een indruk van de hersenactiviteit bij een bepaalde gebeurtenis,’ zegt Félice van Nunspeet, universitair docent die promovendi bij het Integriteitslab van de Universiteit Utrecht begeleidt. ‘Zoals bij het krijgen van een beloning, in dit geval.’
In dit geval, want dit is slechts één van de vele onderzoeken in het Integriteitslab, waar academici het moreel kompas van de mens onderzoeken. Het huidige onderzoek staat in de startblokken: de experimenten met echte deelnemers beginnen volgende week (Muller, die als deelnemer figureert, is zelf promovendus), vandaag geven de onderzoekers vast een voorproefje.
In de kelder van de universiteit zit Muller achter een computerscherm. Door steeds precies na 3,5 seconde op de spatiebalk te drukken (best lastig, zo blijkt), verdient zij geld. Voor zichzelf óf voor een fictief klimaatfonds. Direct na het klikken verschijnt het resultaat – wel of geen geld verdiend – en precies dát is het moment waarop haar gevoel van beloning wordt gemeten.
Zo’n meting levert regelmatig extra inzichten op ten opzichte van andere meetinstrumenten, zoals vragenlijsten, zegt Ömer Ergün, die promoveert op het onderzoek. ‘Zo gaven mensen in een vooronderzoek van deze studie aan net zoveel voldoening te halen uit het verdienen van geld voor goede doelen als voor zichzelf. Terwijl EEG-metingen in andere onderzoeken uitwijzen: er is méér hersenactiviteit in het beloningssysteem als mensen geld voor zichzelf verdienen.’
Op die manier biedt het EEG een ‘extra puzzelstukje’ bij het in kaart brengen van drijfveren achter (im)moreel gedrag. Want hoe beweeg je iemand om een duurzame keuze te maken als diegene daar niet direct baat bij heeft? Hoe voer je effectief campagne tegen straatintimidatie? En hoe zorg je dat omstanders zich uitspreken tegen grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer?
‘Het gevoel van beloning is een belangrijk onderdeel van motivatie’, zegt Van Nunspeet. ‘Het beweegt ons om bepaalde acties wel of niet te ondernemen. Op dat mechanisme proberen we in te spelen.’
Ergün: ‘We onderzoeken of het verschil tussen de twee pieken van beloning – de ene voor het verdienen van geld voor een goed doel, de ander voor eigen gewin – verdwijnt door vóór het experiment een ‘moreel beroep’ te doen op deelnemers. Daarbij krijgen ze een tekst te zien die bijvoorbeeld benadrukt dat ze met hun prestaties laten zien wat hun idealen zijn.’
Maar waarom de moeite nemen om van ieder mens een moraalridder te maken als we eigenlijk al wéten hoe je mensen motiveert: hen financieel belonen voor moreel juiste keuzen. Denk aan de salderingsregeling (waarbij mensen zelf opgewekte stroom konden verkopen aan de energieleverancier) die Nederlanders massaal aan de zonnepanelen kreeg.
Van Nunspeet: ‘Bij zonnepanelen nemen mensen één keer de beslissing om ze te laten installeren. Dan kan een beloning net dat laatste zetje geven. Maar vaak gaat het over veranderingen in leefstijl of gewoonten waar je dag-in-dag-uit, jaar-in-jaar-uit mee doorgaat. Je zou mensen dan constant moeten belonen, dat is niet te doen.’
Daarbij: veel moreel juiste dingen, zoals opkomen voor iemand die wordt gepest, je uitspreken tegen misstanden, maximaal 30 kilometer per uur rijden op de meeste wegen in Amsterdam, zijn niet leuk of lonen niet op de korte termijn. Voor zoiets is intrinsieke motivatie nodig, zegt Van Nunspeet, die voortkomt uit de waarden van mensen.
Dat lijkt de gemeente Amsterdam te weten, want Amsterdammers werden afgelopen winter aangemoedigd zich aan de nieuwe, impopulaire maatregel te houden met de campagneleus ‘30 doen we voor elkaar’. ‘Maar of die focus op solidariteit het effectiefst is, of dat een ander soort moreel beroep juist beter zou werken, is nog onduidelijk,’ zegt Ergün. ‘Dat is de centrale vraag in deze studie.’
Om die te beantwoorden, wordt voorafgaand aan verschillende ronden in het experiment zo’n moreel beroep op deelnemers gedaan: ze lezen een tekst die hen aanmoedigt om precies op het juiste moment op de spatiebalk te drukken. Als ze dat doen, getuigt dat van morele idealen, luidt één boodschap. Een andere benadrukt dat de deelnemer met goede prestaties voldoet aan zijn morele verplichtingen. Ergün kijkt vervolgens in welke ronde de beloningspieken het hoogst zijn.
Wat verwachten de onderzoekers? ‘Op basis van eerder onderzoek is een van onze verwachtingen nu dat mensen, wanneer zij geld binnenhalen voor het goede doel, een sterker gevoel van beloning ervaren als zij net zijn gewezen op hun idealen, dan wanneer zij net zijn gewezen op hun verplichtingen.’
Stel, die verwachting komt uit, en we weten straks dat het het effectiefst is om een beroep te doen op iemands idealen. Wat heeft dat dan voor implicaties?
Idealen zouden bijvoorbeeld een grotere rol kunnen gaan spelen in campagnes. Neem de campagne die de gemeente Utrecht inzet tegen straatintimidatie. Daarin wordt straatintimidatie weggezet als ‘losergedrag’. Maar als de these van de Utrechtse onderzoekers klopt, is het mogelijk effectiever iemand erop te wijzen dat diegene ‘toch ook wil dat iedereen veilig over straat kan’.
Of neem de samenwerking van het Integriteitslab met het Planetarium in Artis. Van Nunspeet: ‘Het Planetarium heeft geregeld voorstellingen die bedoeld zijn om mensen in beweging te krijgen.’
Zo draait nu de voorstelling Ruimteschip Aarde waarbij bezoekers aan het einde een belofte aan de aarde kunnen doen, zoals: ik zal zuinig op je zijn. Want, schrijft het Planetarium: ‘Op het schip zijn er geen passagiers, alleen bemanning.’ Om dit soort boodschappen zo te verwoorden dat mensen ook écht overgaan tot actie, werkt het Planetarium samen met de onderzoekers in het Integriteitslab.
Legt het Integriteitslab niet te veel verantwoordelijkheid bij de burger? Immers: bestuurders en bedrijven kiezen lang niet altijd voor de morele weg. ‘Liefst zet ik ceo’s het EEG op’, zegt Van Nunspeet. ‘Om te onderzoeken hoe moraliteit meer gewicht krijgt in bestuurskamers.’
Af en toe doet ze dat ook: ‘Er zijn bestuurders en commissarissen die meedoen aan onze onderzoeken, en we zijn weleens met mobiele apparatuur bij bijeenkomsten of kantoren. Tot nu toe hebben we de indruk dat daar dezelfde soort processen een rol spelen als hier in het lab. Bestuurders zijn immers net mensen.’
‘Heb je nou wéér vlees gekocht? Ik dacht dat je vaker vegetarisch wilde eten.’ Wie z’n medemens wil overhalen vegetariër te worden, kan zo’n opmerking beter niet maken, blijkt uit onderzoek aan het Integriteitslab in Utrecht. Mensen schieten dan al snel in de verdediging (‘Dit is de eerste keer in weken!’), of openen de tegenaanval (‘O, en zelf zeker de wereld overvliegen, moraalridder.’)
Maar hoe spreek je iemand dan wel aan op moreel gedrag? Inga Rösler promoveerde bij het Integriteitslab en trekt in een onlangs verschenen publicatie drie behulpzame conclusies.
1. Focus op competenties in plaats van op moraliteit
Stel, een collega deelt een volledig document met een externe partij, terwijl eigenlijk maar een gedeelte van de informatie voor de ogen van die partij bedoeld was. Als je diegene daarop aanspreekt, heb je twee opties: de collega wijzen op diens gebrek aan moraliteit (het delen van deze informatie is onethisch van je) óf diens gebrek aan zorgvuldigheid (het delen van deze informatie is onzorgvuldig van je).
‘Moraliteit ligt erg gevoelig bij mensen,’ zegt Rösler. ‘We zijn bang het stigma van immoreel persoon te krijgen, en daar niet meer van af te komen.’ Dat zorgt ervoor dat mensen minder goed luisteren naar dit soort feedback, blijkt uit Röslers onderzoek. ‘Competenties zijn vormbaar: daar kunnen we aan werken. Benoem, wanneer dat passend is, daarom competenties als je wilt dat je feedback wordt opgepikt.’
2. Toch morele feedback? Richt die op gedrag in de toekomst
Soms ís een kwestie simpelweg moreel, bijvoorbeeld als die collega bewust informatie deelde. In dat geval beklijft de morele kritiek beter als die is gericht op de toekomst, zegt Rösler. ‘Druk iemand dus op het hart zich in het vervolg te houden aan gedragscodes, in plaats van te blijven hameren op het feit dat diegene dat nu niet heeft gedaan.’
Zo voorkom je dat je de stempel van immoreel persoon op iemand drukt, en dat diegene in de verdediging schiet of de kritiek terzijde schuift.
3. Maak je intenties duidelijk
‘Wanneer we worden bekritiseerd, hebben we vaak de neiging om de oorzaak van die kritiek bij een ander te zoeken,’ zegt Rösler. ‘We denken bijvoorbeeld: die persoon wil gewoon laten zien dat die beter is dan ik.’
‘Door geen ruimte te laten voor dat soort interpretaties, maar duidelijk aan te geven waarom je iemand feedback geeft, worden mensen ontvankelijker voor die feedback. Geef bijvoorbeeld aan: ik wil je helpen omdat je laatst vroeg hoe je je werk beter kunt doen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant