Schrijver Maartje Wortel heeft veel overtuigingen – over de bio-industrie, het klimaat en de liefde bijvoorbeeld – die ze zonder schroom aan mensen opdringt, dwars tegen hun zelfverkozen onwetendheid in. Ook in haar nieuwe roman Camping tackelt ze de neiging van de mens weg te kijken.
Vier trappen omhoog in Amsterdam-Oost staat Maartje Wortel (41) in de deuropening van de sociale huurwoning te wachten. Op het verzoek om thuis af te spreken, had ze geantwoord: ‘Ons huis is wel piepklein en een zooitje, hoor.’ Nu zegt ze: ‘Ik heb van iemand gehoord dat jouw appartement héél netjes is, maar ik ben van huis uit gewend dat schoonmaken zonde van je tijd is. Hopelijk vind je dat niet erg?’ Meteen erachteraan: ‘Heet is het, hè? Heb jij het ook zo warm?’
Het is eind augustus, 30 graden en inderdaad benauwd warm. Terwijl Wortel glazen omspoelt en met water vult, zegt ze: ‘Ik mag van Femke maar één keer per dag zeggen dat het zo heet is. Ik ben namelijk een heel geobsedeerd iemand, mijn vriendin Niña noemt me daarom ‘The Big O’. Als niemand me een grens oplegt, vertel ik gewoon achthonderd keer achter elkaar hoe warm ik het heb.’
Wat vind je zo vervelend aan die hitte?
‘Ik had het als kind al, als we naar het strand gingen. Dan lag ik er als een lijk bij, met een grote handdoek over me heen om mijn lichaam en gezicht te bedekken. Ik heb ook altijd zo’n rood hoofd; het lijkt alsof ik die hitte niet kwijt kan. Hitte maakt me onbeweeglijk, ik voel me erin gevangen en je kunt er niks tegen beginnen. En het is ook niet zo van ‘o, misschien ontkomen we hier nog aan’, nee, je weet: het wordt door de klimaatcrisis alleen maar erger. En waarom grijpen we niet in?’
Er zijn genoeg mensen die de opwarming van de aarde blijven ontkennen.
‘Ik vind het op zich de charme van de mens dat er steeds weer zo’n grote vitaliteit is, of verbeeldingskracht, of escapisme om zelfs als we er middenin zitten nog allerlei soorten crises te blijven negeren. Dat we daartoe in staat zijn, is zowel onze tijdelijke redding als de oorzaak van onze uiteindelijke ondergang.
‘In mijn nieuwe roman haal ik het boek Animal Joy aan, waarin wordt gesteld dat geen enkel dier dat wordt overvallen door angst zal zeggen: ‘O, het is waarschijnlijk niets.’ Omdat zo’n dier allang intuïtief heeft aangevoeld dat er wél gevaar dreigt. Het is echt iets van de mens om dan te redeneren: nee hoor, níks aan de hand, het komt allemaal wel goed.’
Het is precies vijftien jaar geleden dat Maartje Wortel debuteerde met Dit is jouw huis, een verhalenbundel waarmee ze de Anton Wachterprijs won. Een paar jaar eerder was ze van de School voor Journalistiek gestuurd, omdat ze te veel verzon, geen handige eigenschap voor een journalist, en overgestapt naar de Rietveld Academie. Haar romans Half mens en IJstijd werden allebei genomineerd voor meerdere grote prijzen; IJstijd won de BNG Literatuurprijs.
In deze krant werd ze tien jaar geleden uitgeroepen tot dé literaire belofte van 2014, dankzij ‘haar droogkomische originele vertelstem die meer weglaat dan vertelt’. Er volgden columns in kranten en bladen, verhalenbundels en boeken als Dennie is een star en De groef. Het gisteren verschenen Camping (opgedragen aan haar geliefde Femke Heemskerk en met Whitney Houstons Didn’t We Almost Have It All als motto) is haar eerste roman in vijf jaar.
Terwijl ze een thermoskan koffie op het achterbalkon zet, met uitzicht op de tuin van een dierenkliniek (‘je kunt nog beter boven een disco wonen, hier hoor je de hele tijd katten krijsen en honden piepen’), stelt ze een van de vele vragen die deze middag op de interviewer worden afgevuurd: ‘Kampeer jij weleens?’
Nee.
‘O, nou: als je kampeert en na afloop je tent weghaalt, dan blijft er zo’n heel lullig vakje over, waar het gras plat, dor en geel is – een afdruk van het feit dat jij er bent geweest. Eigenlijk ontstond daardoor het idee voor dit boek, omdat ik een parallel zie met het leven: dat iedereen het zo ernstig neemt en denkt dat ze heel wat achterlaten. Maar als jij weg bent, zet iemand anders zijn tent over jouw vakje heen en is jouw aanwezigheid alweer vergeten.
‘In Camping gaat het personage Derek naar de afscheidsreceptie van een collega, iemand die binnen de universiteit veel aanzien genoot, en terwijl zij daar haar afscheidspraatje staat te houden, verschijnt op het scherm achter haar de vacature voor haar functie.
‘Dit heb ik dus in het echt meegemaakt en ik vond het fascinerend hoe zoiets gaat: we stonden daar met z’n allen een show op te voeren voor hoe belangrijk iemand is geweest, terwijl: morgen zit er alweer een ander op die stoel en is het klaar met je belangrijkheid. Snap je? Dus denk ik: laten we onszelf nou niet zo serieus nemen, maar juist in godsnaam een beetje plezier maken nu het nog kan.’
Camping vertelt het verhaal van Victorien, die een hekel heeft aan kamperen en allergisch is voor gras. Maar omdat de vrouw die haar verlaat, Ode, droomt van een camping, koopt Victorien er eentje, met de oude eigenaren (twee zussen) erbij.
Op de camping komen allerlei soorten gasten voorbij. Derek, een BN’er die verwikkeld is geraakt in een seksschandaal. Bilal, die zijn geld verdient als uitlaatservice voor de stappentellers van mobiele telefoons. Igor, de ex-militair die het niet kan aanzien hoe de wereld om hem heen een steeds grotere troep wordt en rigoureuze maatregelen neemt om zijn medemens te redden van de ondergang.
Wortel: ‘Femke en ik waren vorig jaar op een camping die werd gerund door twee bejaarde zussen. De ene zus zat achter de receptie en woonde in een prachtig huis dat op die camping stond. Zij deed verder bijna niks, behalve aperol spritz drinken met een heel grote zonnebril op. De andere zus was juist heel druk bezig met heggen knippen en zo, woonde in een caravan en was daar duidelijk zeer ontevreden over. Je voelde: hier is van álles aan de hand.
‘En ook zo fascinerend: ze zaten daar prachtig tussen de bergen en een meer, maar er gebeurde verder niets. Dan vraag ik me meteen af: wíllen mensen een bepaald soort leven, of nemen ze genoegen met het leven waarin ze verzeild zijn geraakt?’
In Camping zegt Bilal wat ik me ook altijd afvraag: ‘Waarom gaan mensen hun vakantietijd gebruiken om het slechter te hebben dan thuis, en dat dan ‘lekker ontspannen’ noemen?’
‘Wat ik er zo leuk aan vind, is dat alle regels die je op school of thuis krijgt opgelegd niet gelden op een camping. Alles is goor, niemand kijkt ervan op als je vijf dagen niet doucht en koken doe je op je knieën in het natte zand. Dat knullige eraan, het geklooi, vind ik dus heerlijk.
‘Ik heb best een tijd in een woongroep gewoond, met een Nigeriaanse vrouw. Ze was hoogopgeleid, had genoeg geld, maar toen ik mijn tent weggooide omdat ik een nieuwe had gekocht, sprak ze me daarop aan: ‘Maar Maartje, nu doe je een huis weg.’
‘Voor mij staat die tent voor vrijheid, maar is het ook niet meer dan een wegwerpartikel, terwijl voor anderen de bittere realiteit is dat dat tentje alles is wat ze hebben.’
Gerommel in de gang, katten Anton en Coby kijken op. Femke Heemskerk, olympisch zwemkampioen, tegenwoordig boekverkoper en sinds vier jaar de partner van Wortel, komt breed lachend binnen (‘hi, schat!’). Een dag na het gesprek zullen ze met vriendinnen Bijke Aarts, Niña Weijers en uiteraard hun campinguitrusting naar Vlieland vertrekken. Wortel: ‘Femke had voor ze mij kende nog nooit gekampeerd. Gelukkig vindt zij het ook het leukste wat er is.’
Terwijl ze Heemskerks ‘Paris 2024’-beker volschenkt: ‘In coronatijd heb ik hier midden in de woonkamer voor Femke de tent opgezet. Ik trok de avondklok echt niet, en dat iemand anders gaat vertellen wat je wel en niet mag. Soms moest ik dan even mijn fantasie de vrije loop laten. Dus sliepen we in die tent, bakte ik een eitje op het gasstel en organiseerde een campingdisco voor ons tweeën.’
Even later zal Wortel vertellen dat Heemskerk uien snijdt met haar zwembril op (tegen het tranen) en Heemskerk dat Wortel met koelelementen in bed ligt als de temperatuur tropisch is.
Over apart gedrag gesproken: jouw goede vriendin Bijke Aarts vertelde dat jij nogal opdringerig bent met je overtuigingen. Dus als iemand tijdens een feestje een plakje worst eet, begin jij over de bio-industrie. Bijke zei: ‘En dan wordt het heel ongezellig. Het is ook niet zo dat Maartje op zo’n moment denkt: laat ik mijn mond nu maar eens houden.’
‘Ik voel de sociale constructies niet altijd even goed aan, dat klopt. Ik was bijvoorbeeld bij het verjaardagsfeest van mijn nichtje. Ik ben zelf al vanaf mijn 17de vegetariër en zij had ook besloten dat ze geen dieren meer wilde eten. Waarop mijn broer vroeg: ‘Maar je vindt vlees toch heel lekker?’ Hij wil dan zeker weten dat ze een autonome keuze maakt, terwijl ik juist denk: dit ís autonoom.
‘Nou, ze hield het drie dagen vol, omdat ze vlees inderdaad net iets te lekker vond. Maar dan ga ik een kind van 10 daarmee confronteren. ‘Je houdt toch zo van dieren, schat? En dit is dus wel een dood varken, hè?’ Vervolgens gaan alle gasten van het feest zich ermee bemoeien en krijg ik knallende ruzie met iedereen.
‘Terwijl ik denk: we kunnen hier toch gewoon een gesprek over voeren? Ik vind het interessant dat mensen vanwege hun eigen verlangens de ruimte en het leven van anderen, in dit geval dieren, afnemen en kapotmaken. Hoe kun je zo ignorant zijn? In Camping zegt de verteller: ‘Want ook al weet de hele wereld iets, alsnog wordt er meestal gedaan alsof men van niets weet.’’
Het gaat in je boek ook over de bio-industrie, ‘de meest wrede en oneerlijke industrie die iemand ooit had kunnen bedenken’ en over dieren die met een krokant laagje eromheen in snackbars liggen uitgestald: ‘Zolang je pijn in een onherkenbare vorm giet, voelt niemand er iets van.’
‘Ken jij het verhaal van de kunstenaars hier in Amsterdam die met De Tostifabriek de werkelijke kosten van één tosti ging berekenen? Daar hadden ze dus twee varkens en een koe voor nodig, die zouden zorgen voor de ham en de kaas. Ze begonnen een minibuurtboerderijtje, waar kinderen kwamen om die dieren te aaien en te voeren. Maar om een tosti te kunnen maken, moesten de dieren, die alle drie een naam hadden gekregen, uiteindelijk natuurlijk worden geslacht. En toen was ineens de buurt te klein, stond er in Het Parool een verhaal over de actie om die varkens en koe te redden. Terwijl: we doen de hele dag niet anders dan dieren doodmaken om ze op te eten. Maar als je vlees eet dat je kent en hebt zien opgroeien, wordt het kennelijk ineens een heel ander verhaal.’
Slok koffie: ‘Als je zo’n tosti dus onder normale omstandigheden produceert, kost-ie 25 euro. Daarom gaat het al mis bij het feit dat wij vinden dat 2,80 euro genoeg is voor een tosti.’
‘Laatst las ik dat ze in Denemarken proberen te stimuleren dat mensen met de fiets in plaats van de auto naar horecagelegenheden komen. Wie dat doet, krijgt een gratis cocktail. Toeristen die een kano huren en vervolgens ook plastic uit het water vissen, hoeven niet te betalen voor die kano. Het schijnt goed te werken en is natuurlijk heel creatief bedacht, maar tegelijkertijd maakt het me verdrietig dat mensen dit soort dingen dus pas doen als ze er iets voor terugkrijgen.
‘Terwijl: je kríjgt er al iets voor terug, namelijk een schonere planeet. Toch gaan we liever ten koste van anderen door met het leven dat we kennen en gewend zijn.’
Dan even een gewetensvraag aan jou, die ik mezelf laatst ook stelde: zou je de klimaatverandering ook zo erg hebben gevonden als de aarde juist steeds kouder zou worden, in plaats van warmer?
‘Hm, ja, eerlijk gezegd zou ik dat wel minder erg vinden. Ik moet denken aan een onderzoek vorig jaar op Lowlands, waarvoor een groep mensen een vragenlijst kreeg met als onderwerp: ‘Allemaal hetzelfde eten en daardoor niemand meer honger?’
‘Iedereen, ik ook, vulde die natuurlijk zo altruïstisch mogelijk in, om aan te tonen wat een goed mens je bent. ‘Ja, natuurlijk wil ik dat iedereen hetzelfde krijgt.’ Maar toen kwam het; aan het eind van de test werd gezegd hoe fijn het was dat wij allemaal zo’n goed hart hadden voor de wereld, maar dat de oplossing echt allang bestond. En vervolgens kregen we een pakje astronautenvoeding. Want als de hele wereld dat voortaan zou eten, was iedereen gelijk en had niemand meer honger.
Maar toen ik het dronk, dacht ik: o, nee, dit is toch ook niet de bedoeling. En dat is uiteindelijk steeds het evenwicht waarnaar je op zoek bent – wat maakt jouw leven de moeite waard, maar wat neem je daarmee van een ander af?’
Bijke vertelde dat jij in jullie appgroep soms wel twintig berichten per dag stuurt met allerlei onheilstijdingen die in het nieuws zijn. En ook dat je nogal hypochondrisch bent.
‘Dat zal ook met mijn controledrang te maken hebben. Dat ik gewoon bij alles denk dat ik het ga verliezen. Waarschijnlijk heeft het daarom ook zo lang geduurd voordat ik verder durfde te gaan met Camping. In mijn roman Half mens wordt het been van de hoofdpersoon geamputeerd en nadat dat boek was verschenen, had ik ineens een gekke moedervlek op mijn voet en kreeg ik van de dokter al een folder mee over huidkanker. Waardoor ik bang werd dat ook míjn been geamputeerd zou moeten worden. In Dennie is een star gaat kat Dennie dood. Maar toen ik dat boek schreef, was mijn Dennie er nog gewoon. Nog geen half jaar nadat het was uitgekomen, werd hij doodgereden. Het voelt dus soms alsof wat ik schrijf waarheid wordt, daarom durfde ik niet verder te gaan toen ik de eerste zin van Camping had opgeschreven: ‘Ze had de kanker met haar blote handen gevoeld.’’
Tegen Femke, die in de keuken staat: ‘Toch, Fem, als ik eenmaal iets heb, vind ik het niet meer zo erg, maar ik ben altijd bang voor wat er kán gebeuren? Bijvoorbeeld: eigenlijk zijn wij gaan samenwonen omdat...’
Heemskerk, droog: ‘Jij dacht dat ik dood was.’
Wortel: ‘Ze kwam niet thuis na haar werk en ik was vergeten dat ze daarna een afspraak had. Dus ik zat hier te wachten, ze nam de telefoon niet op en toen ging ik bij 112.nl kijken en zag dat er op haar route naar huis een traumahelikopter was getraceerd.
‘Op zo’n moment weet ik gewoon zeker: dit is het einde en ik heb niet alles eruit gehaald wat erin zat. Omdat ik bang was om te gaan samenwonen, bang om me te verbinden. Dus toen zij alsnog thuiskwam, was ik heel hard aan het huilen en vroeg ik meteen of ze wilde samenwonen.’
Jij wist pas vanaf je 21ste dat je op vrouwen viel, toch?
‘Ja, terwijl ik wel echt volbloed gay ben. Als je foto’s van mij van vroeger ziet, was ik een kleine Paul de Leeuw. Een mollig kind met korte haartjes, een saxofoon, goudkleurig brilletje en klompen.
‘Als ik er nu over nadenk, kom ik uit een soort queer gezin. Mijn ouders hadden weinig contact met familie, maar juist wel heel veel vrienden, dus mijn broer en ik zijn mede door die groep vrienden opgevoed. Ze vonden een vrij leven en lekker met ons kamperen belangrijker dan geld.
‘Mijn ouders verdeelden de huishoudelijke taken ook, waardoor mijn vader regelmatig aan het stofzuigen was, wat veel kindjes uit mijn klas toen heel raar vonden. Maar goed, ook mijn moeder heeft weleens gezegd: ‘Lieverd, of je nou op een vrouw valt of een paard, je mag alles mee naar huis nemen, hè?’ En ik dacht toen echt: waar hééft zij het over?
‘Uiteindelijk was ik gewoon best laat met zoenen en seks, kreeg ik mijn eerste echte vriendin toen ik 21 was en heb ik daarna zeven jaar met iemand samengewoond. Totdat ik verliefd werd op een ander, maar zij ook: op Miss Denemarken. En Miss Denemarken ook op haar. Dus ik had sowieso het nakijken. Ik begreep meteen dat ik mijn verlies moest pakken en zei: ‘Ga, schat, ik zou het ook doen. Go.’
‘Maar goed, al na een week bleek Miss Denemarken nogal tegen te vallen. Dat dan gelukkig weer wel.’
In je boek denkt Victorien, als ze een camping koopt om wraak te nemen op Ode: wat Ode kan, kan ik ook. Ik pak haar droom af.
‘Ik kon het me wel voorstellen, dat je woedend bent dat iemand besluit bij je weg te gaan. Zelf hoop ik ook altijd wel dat diegene die me verlaat nog eens naar mij kijkt en denkt: shit, zij heeft het toch beter voor elkaar dan ik.’
Jij had een jaar een relatie met actrice Georgina Verbaan, jullie stonden in 2020 ook samen op de cover van Vogue. In het boek De groef schrijf je dat je ‘ziekmakend verliefd’ was.
‘Kijk, ik schrijf ook dingen op die in dienst van het boek staan. Zelfs mijn moeder belde en vroeg: ‘Lieverd, ik wist helemaal niet dat het zo slecht met je ging?’ Verder praat ik liever niet over Georgina, omdat ik het voor haar en ook voor mezelf vervelend vind dat onze relatie steeds wordt opgerakeld, gereduceerd tot een roddel.’
Waar ik naartoe wilde is de constatering dat in elk geval jouw bekende partners voorheen bekend stonden als hetero.
‘O, ja, dat is wel mijn specialiteit, inderdaad. Bijna al mijn ex-vriendinnetjes en ook Femke vielen voorheen op mannen. Ik ben een superconservatief persoon, zit het liefst thuis boeken te lezen, maar op de een of andere manier schijn ik iets uit te stralen van: avontuur, wild, vrij. Misschien is dat de aantrekkingskracht?’
En vervolgens zit je hier met jou thuis boeken te lezen.
‘Ja, of ongewassen voor een tent op een verregende camping.’
Femke, jij was zelfs nog maar kort getrouwd met een man toen Maartje en jij elkaar via Instagram leerden kennen.
Heemskerk: ‘Ik had al wat boeken van Maartje gelezen en ben haar gaan volgen. Toen bleek dat zij ook van zwemmen hield en postte ze op een gegeven moment een foto van haar bed waar de katten op lagen. De afbeelding op dat dekbed was een zwembad, dus ik schreef ‘o, dat is wel een betere manier van trainen’, waarmee ik bedoelde: slapend trainen. Maar zij dacht dat ik met haar aan het flirten was. Terwijl ik vooral dacht: misschien kunnen we wel vrienden worden.’
Wortel: ‘Maar daar nam ik geen genoegen mee. Misschien is dat mijn succesformule: gewoon geen genoegen nemen met alleen vriendschap.’
Heemskerk: ‘Toen ik uiteindelijk wel verliefd werd, voelde ik ook verwarring. Was ik dan nu lesbisch? Of bi? En wat maakt dat eigenlijk uit? Het zijn vooral anderen die het willen duiden.’
Wat trok je aan in Maartje?
‘De eerste keer dat we elkaar ontmoetten, voelde ik meteen: zij ziet mij echt. Dat voelde heel fijn.’
Maartje, Bijke noemde jou een ‘magneet’, iemand met een soort magie om zich heen waardoor mensen graag in je buurt zijn. ‘En die mensen zich heel bijzonder laat voelen doordat ze zo veel vragen stelt.’
Wortel: ‘Nu ga ik een stomme link leggen, maar heb jij B&B vol liefde gezien? Ik wil niet té veel generaliseren over mannen, maar het is wel een beetje zo dat mannen zichzelf nogal vaak overschatten. En dus heel graag van alles over zichzelf vertellen, zonder ook maar iets aan de vrouw tegenover zich te vragen. Terwijl: zo boeiend zijn hun verhalen echt niet. En ik denk dat een beetje oprechte interesse voor je vrouw, wat humor en wat minder zelfoverschatting helpt.’
Bijke vertelde ook dat haar ex-man met zijn nieuwe vriendin naar haar verjaardag kwam en jij vervolgens aan die vrouw vroeg: ‘Vind jij het nou ongemakkelijk om hier te zitten?’
‘Toch werd de sfeer daardoor veel meer ontspannen. En misschien dacht die vrouw juist wel – ik weet het niet, want ik heb het niet met haar geëvalueerd: godzijdank vraagt iemand ernaar. In z’n algemeenheid vind ik dat mensen elkaar veel te weinig vragen stellen.
‘Hoewel mijn broer juist heel anders in elkaar zit. Die zegt: ‘Waarom wil iedereen in ons gezin maar altijd alles van elkaar weten? Ik wil gewoon op de bank zitten, sport kijken en chips eten.’ Volgens hem zien wij er de schoonheid niet van in dat juist dát intimiteit is. Maar binnen ons gezin zijn we allemaal voortdurend overprikkeld. Ik weet niet beter dan dat er een pijnlijk punt werd aangeraakt en de vlam meteen in de pan schoot. Er werd weggelopen, met deuren geslagen en mijn broer gooide de gehaktballen door de kamer. Daardoor ben ik zelf inmiddels niet bang meer voor conflicten. Omdat de boel thuis weliswaar snel kon ontploffen, maar vijf minuten later stonden mijn ouders alweer te tongen in de keuken, snap je?’
Even later: ‘Het gekke is dat ik in iedereen geïnteresseerd ben, maar ik mijn vader en moeder zelden vraag naar hun verleden. Misschien omdat je denkt: ik ken ze op mijn manier, ze zijn het decor van mijn leven. Maar daarom lijkt het me zo’n ondankbare taak om moeder of vader te zijn – je steekt al je tijd en aandacht in die kinderen en uiteindelijk bel ik ze vooral als ik ze nodig heb, of om sneren uit te delen.’
Op jouw Instagrampagina zag ik dat je jezelf vaak omringt met kinderen.
‘Ik houd heel erg van pubers. Als hier nu de bel gaat en het is van ‘hier heb je twee puberzonen’, dan lijkt me dat geweldig. Laatst was ik met een vriendin in een bar waar haar puberzoon werkte, die voor ons een biertje tapte. Dat vond ik zo ontroerend. Ineens is er het omslagpunt dat je niet meer voor ze hoeft te zorgen en ze iemand zijn geworden met wie je over politiek en kunst kunt praten.
‘Toen Femke nog bij haar man was, maar wij al wel verliefd waren zonder dat hij daarvan wist, was ik verdrietig omdat zij en ik elkaar niet konden zien. Ik zou met Bijkes kinderen een bordspel spelen, maar zat de hele tijd huilend in de slaapkamer te bellen met Niña. Waarna Bijke me uitlegde dat dat niet heel leuk voor haar kinderen was. Vervolgens heb ik ze de situatie met Femke uitgelegd, en zei haar zoontje: ‘Iedereen moet hetzelfde weten.’
‘Dat vond ik zo geweldig, dat zo’n kind in die ene zin de oplossing voor ons probleem gaf. Als we allemaal dezelfde informatie hebben, kan namelijk iedereen bedenken wat hij of zij daar vervolgens mee wil doen. Iets wat je ook kunt toepassen op de klimaatcrisis of de politiek of zelfs het wel of niet eten van een tosti.
‘Tijdens corona heb ik me trouwens ingeschreven om pleegmoeder te worden, maar na een tijdje dacht ik toch: wat moet een puber nou met mij? En ik had ook even de angst dat ik zo’n puber toegewezen zou krijgen die mij vervolgens dood gaat schieten, weet je wel?’
Hoe was het eigenlijk om dé literaire belofte genoemd te worden? Voelde je daardoor veel druk om succesvol te zijn?
‘Eigenlijk niet. Ik denk niet in doelen als een vast inkomen of de beroemdste schrijver van Nederland zijn en in twaalf talen worden uitgegeven.
‘De meeste schrijvers komen om de twee jaar met een nieuw boek. Toen ik dat uit gewoonte ook wilde doen, vroeg ik me ineens af wat ik nou precies wilde vertellen en waaróm, en wie daar in godsnaam iets aan heeft. Dat blijft natuurlijk altijd de kwestie bij kunst: dat soms niet zo zichtbaar wordt waar het precies goed voor is.
‘Waardoor ik een jaar fysiotherapie ben gaan studeren, omdat ik de behoefte had aan een helder beroep. Je helpt iemand weer rechtop en leert ze opnieuw bewegen. Maar later dacht ik: eigenlijk is dat ook de functie van kunst; in elk geval het in beweging zetten van gedachten.’
Maar het is een minder concreet vak.
‘Ja. En ik vind het juist prettig om iemand te kunnen helpen. Daarom heb ik ook jarenlang als schoonmaker gewerkt, wat geinig is, want mijn eigen huis is niet eens schoon. Maar ik vond het heel prettig om een taakje te krijgen en dat taakje vervolgens zo goed mogelijk uit te voeren. Er is weinig zo fijn als ramen lappen. Ten eerste zie je heel goed wat je hebt gedaan. En als je binnen zit, kun je daardoor weer als nieuw naar buiten kijken.
‘Ik hoor andere schrijvers soms over hun vak praten in termen als ‘het is schrijven of doodgaan’. Terwijl ik net een essay van Virginia Woolf las, waarin ze stelt dat je als schrijver de balans moet vinden tussen deelnemen aan het leven en het leven observeren. Ik zou niet dood willen gaan en alleen maar hebben kunnen schrijven.’
Toch kwam die nieuwe roman er.
‘Ik ging bij de delicatessenzaak verderop kaas kopen en daar vroeg iemand: ‘Jij bent toch Maartje Wortel? Wanneer schrijf je nou eindelijk weer eens een boek?’ Vervolgens ben ik naar huis gefietst en gaan werken. Zo simpel kan het zijn.
‘Ik had er helemaal nooit over nagedacht dat er echt mensen bestonden die van mijn werk houden en zin hadden in een nieuw boek van mij. Maar één vrouw heeft dus aangewakkerd dat ik weer begon.’
Ineens: ‘Ik was trouwens wel zenuwachtig voor dit interview, omdat er straks iets op papier vastgelegd staat en ik daar geen controle over heb. Terwijl: uiteindelijk maakt het geen zak uit. De hele krant staat vol met oorlog, dus waarom is het dan erg als ik iets raars zeg? Dat is ook weer zo goed aan romans schrijven: al die mensen in je boek kun je gewoon alles laten doen wat je bedenkt, zonder dat ze daar zelf nou heel veel vraagtekens bij plaatsen.’
Ik moest nog denken aan de enige keer voor dit gesprek dat wij elkaar ontmoetten. Dat was in 2011, toen we naast elkaar zaten tijdens de jaarlijkse uitblinkerslunch bij toen nog kroonprins Willem-Alexander en Máxima. Jij had net de Anton Wachterprijs voor je debuut gewonnen.
‘Ik was daar gewoon in mijn slaapshirt met streepjes en een afgeragde spijkerbroek gekomen, hè?’
Dat fascineerde me nogal. Ik had destijds voor de gelegenheid een te dure Escada-broek aangeschaft, maar jij droeg een spijkerbroek en All Stars.
‘Ik moet daar nu ook om lachen, maar het is gewoon niet in mij opgekomen om iets netjes aan te trekken. Misschien omdat ik vanuit mijn opvoeding geen enkel ontzag voor hiërarchische structuren heb meegekregen. Toen ik daar binnenkwam, had ik natuurlijk ook wel door van: ah, underdressed. Maar dat heb ik toen even genegeerd, zeg maar zoals anderen nu de klimaatcrisis negeren.
‘Gelukkig zat ik ook naast André van Duin en die ontfermde zich een beetje over me. Hoe ik moest reageren als ze met de wijn achter me stonden, en zo.’
Op het achterbalkon, waar het nog steeds warm is, zet Femke een schaal nootjes neer. Wortel: ‘Wij hadden nooit samen kunnen zijn als Femke nog zwom. Omdat zij daar opperste concentratie voor nodig had, en ik over álles wil praten en daarmee veel ruimte inneem. Mijn ex-geliefden vonden mij uiteindelijk vaak te veel, te intens, te obsessief. Dat kan natuurlijk ook benauwend zijn.’
Heemskerk: ‘Jij hebt een hekel aan oppervlakkige gesprekken.’
Wortel: ‘Ik wil dat niks zomaar is. Soms hebben wij een gewoon fijn weekend gehad, waarin we wat over straat liepen, hebben gezwommen en gegeten.’
Heemskerk: ‘En B&B vol liefde gekeken.’
Wortel: ‘Ja, alles prima, maar dan denk ik toch: we hebben niet gegeven wat we konden. Daar word jij soms wel gek van.’
Heemskerk: ‘Jij zegt altijd dat ik een olympic sporter was, maar dat jij een olympic lover bent.’
Wortel: ‘Ik vind dat je echt moet opletten dat je aantrekkelijk blijft voor elkaar.’
Heemskerk: ‘Stel dat wij samen in bad zitten, en de temperatuur is heel lekker. Dan zit ik gewoon te genieten in dat bad, maar jij draait binnen een paar minuten al aan de kraan. Terwijl ik denk: maar het is zo toch prima?, denk jij: zal het iets heter of juist iets kouder niet nóg lekkerder zijn?’
Wortel: ‘En dan zeg jij: het is soms het best om die knoppen gewoon met rust te laten.’
26 oktober 1982 Geboren in Eemnes.
2000-2002 Fontys Hogeschool voor de Journalistiek Tilburg (niet afgemaakt).
2004-2008 Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam (afgestudeerd).
2007 Winnaar Write Now! (Verhalenwedstrijd voor jonge schrijvers).
2009 Debuut met verhalenbundel Dit is jouw huis.
2010 Nieuw Proza Prijs Venlo voor het verhaal Kranten.
2010 Anton Wachterprijs voor Dit is jouw huis.
2011-2013 Korte verhalen voor het VPRO-radioprogramma De avonden.
2011 Eerste roman Half mens verschijnt.
2014 Roman IJstijd.
2015 Winnaar van de BNG Literatuurprijs voor de roman IJstijd en verhalenbundel Er moet iets gebeuren.
2015-2018 Schrijft verhalen voor Trouw.
2016 In samenwerking met literair festival Tilt en Janine Hendriks verschijnt het boekje Goudvissen en beton.
2019 Roman Dennie is een star.
2019-2020 Studie fysiotherapie in Utrecht.
2013-2023 Docent aan de Gerrit Rietveld Academie.
2020-heden Docent aan Artez University of Arts.
2021 In de ‘Terloops’-reeks van uitgeverij Van Oorschot verschijnt De groef, over haar wandelingen met Niña Weijers.
2024 Schrijft de musical Ground Floor voor Orkater en roman Camping verschijnt bij uitgeverij Prometheus.
Maartje Wortel woont met haar vriendin Femke Heemskerk.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant