Home

‘De drie R’en’ zouden weleens aan de vooravond van een glorieuze comeback kunnen staan

Het welbekende credo ‘rust, reinheid en regelmaat’ werd meer dan een eeuw geleden gelanceerd door de Harlinger wijkverpleegkundige Sien van Hulst. Wilma de Rek pleit voor een terugkeer van die goeie ouwe drie R’en, maar wel met een nieuwe invulling.

Ik moet een jaar of 12 zijn geweest toen ik voor het eerst over ‘de drie R’en’ las. Ik denk dat het in de Margriet van mijn moeder was, die de bladenman elke maandagavond om 7 uur aan de deur bracht, samen met de Viva, de Donald Duck en de Tina, maar het kan ook de Libelle van de buren zijn geweest, waar we de bladen tegen ruilden en waar ik op afvloog vanwege Jan, Jans en de kinderen.

Rust, reinheid en regelmaat: wat er precies mee werd bedoeld wist ik niet, maar op de een of andere manier ging van die woorden iets kalmerends uit. Het leek me dat ze samen een soort mantra vormden waarmee je jezelf naar het aardse paradijs kon denken, de plek waar de echte mensen woonden, die hun schoolspullen níét altijd kwijt waren, hun huiswerk wél netjes op tijd af hadden en die zich nooit versliepen.

Later begon de kreet naar gekookte aardappelen te ruiken die klokslag 6 op tafel moesten staan, naar koffie bij het Achtuurjournaal, naar ‘de wol’ waar je vooral ‘lekker vroeg onder’ moest liggen. Hij kreeg iets betuttelends. Mensen die over rust, reinheid en regelmaat begonnen, waren doorgaans vermanend kijkende types die moeite hadden met de moderne tijd. Ik ging het leuk vinden dat in ons ietwat slordige, grote gezin iedereen altijd door elkaar rende om kwijtgeraakte dingen te zoeken, en voelde een zeker medelijden met de echte mensen, die hun zaakjes zo keurig op orde hadden dat ze nooit iets onverwachts meemaakten.

‘De drie R’en zijn hopeloos verouderd’, luidde nog weer wat later – in 1990 – de kop boven een stuk in Het Parool, geschreven ter gelegenheid van de benoeming van Micha de Winter tot hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht. De Winter stelde voor die ouderwetse termen rust, reinheid en regelmaat, althans in de jeugdgezondheidszorg, te vervangen door drie frisse, nieuwe R’en, namelijk van ‘recht, ruimte en respect’.

Van recht, ruimte en respect is nadien niet veel vernomen. Maar rust, reinheid en regelmaat zouden weleens aan de vooravond van een glorieuze comeback kunnen staan. Natuurlijk is mijn blik enigszins vervormd doordat ik de afgelopen jaren werkte aan een boek over de drie R’en, dat komende week verschijnt (bekend fenomeen: wie zwanger is struikelt opeens over de baby’s, wie in de overgang komt ziet alleen nog maar vrouwen met waaiers wapperen). Maar feit is dat er geen week voorbijgaat zonder dat het credo ergens opduikt, in een blad of krant, op Instagram of X, op radio en tv.

Daarbij valt op dat iedereen met rust, reinheid en regelmaat iets anders lijkt te bedoelen.

Toen zangeres Anouk in een interview met Volkskrant Magazine vertelde dat ‘de drie R’en haar van haar cokeverslaving hadden afgeholpen’, bedoelde ze dat vrij letterlijk: ze had baat gehad bij een regelmatig gezinsleven, dat zich afspeelde in een redelijk schoon huis en met min of meer voldoende rust. Maar toen Mirjam Bikker van de ChristenUnie de drie R’en afgelopen voorjaar verwerkte in haar dankwoord voor informateur Kim Putters, die volgens haar ‘rust, regelmaat en ook wel reinheid’ in de kabinetsformatie had gebracht, bedoelde ze niet dat Putters zo fijn met de glassex over de vergadertafels was gegaan of op tijd rookpauzes had ingelast. Ze wilde zeggen dat Putters vrede en kalmte had teruggebracht in een groep mensen die elkaar eerder verhit de tent uitvocht.

Kennelijk vertegenwoordigen de drie R’en een universeel verlangen, naar orde in plaats van chaos, naar overzicht en controle in plaats van stress en paniek, naar kalmte in plaats van voortdurende druk; naar iets van voorspelbaarheid in een wereld die er alleen maar complexer en onbegrijpelijker op wordt.

Verre van verouderd

Als je de grote geschiedenis van rust, reinheid en regelmaat bekijkt, zie je dat ze in feite al heel lang de basis vormen onder een plezierig bestaan, en óók dat ze in de loop der tijd steeds van betekenis zijn veranderd. De drie R’en zijn verre van verouderd, we kunnen er in onze tijd zelfs meer aan hebben dan ooit. Maar dan moet de invulling van de begrippen wel een tikje worden geactualiseerd.

Een vermoeide monnik die in de 7de eeuw droomde van de eeuwige rust aan de zijde van zijn God, zal bij ‘rust’ beslist een ander beeld hebben gehad dan de afgeleefde fabrieksarbeider van 60 jaar oud, tot wie schrijver A.M. de Jong zich begin 20ste eeuw richtte in zijn korte verhaal Acht-urendag (Voor Vader), toen de achturige werkdag na een lange strijd door de arbeidersbeweging eindelijk een feit was:

‘Jij, vader, zult niet meer echt en veel genieten van deze overwinning. Voor jou komt ie te laat. Jij bent gebroken en versleten. De fabriek en het leven onder de zware druk van eeuwigdurende kommer en ontbering hebben je krachten gesloopt, en nu ben je een wrak... Maar die laatste jaren zal je acht uur per dag werken en Zaterdagsmiddags zul je bij moeder zitten en je pijp roken, verwonderd over je vrijheid, genoegelijk, net of ’et Zondag is.’

En de rust waarop dat afgeleefde vadertje zich verheugde, is weer iets totaal anders dan de rust waaraan de afgestompte kopjes van de schermverslaafde jongeren zo veel behoefte hebben, over wie Jonathan Haidt schrijft in zijn deze zomer verschenen Generatie angststoornis. Haidt is niet de eerste die alarm slaat, vele boeken over de fnuikende invloed van de mobiel op de gezondheid gingen het zijne voor. Maar ook voor wie niet schermverslaafd of afgestompt is, is het razend lastig niet steeds gestoord te worden, met een telefoon die voortdurend als een jengelend kind om aandacht vraagt. Elke tijd heeft zijn eigen gezondheidscrisis. Je zou die van nu kunnen omschrijven als een rustcrisis, waarin het aan het scherm vastgezogen lijf veel te veel rust krijgt en het continu bezige hoofd veel te weinig, met obesitas- en burn-out-epidemieën tot gevolg.

Als één van de drie R’en actueel is, is het wel die van Rust.

Dan Reinheid, dat poëtische en gevaarlijke woord dat zo dicht tegen ‘zuiverheid’ aanschurkt maar dat in essentie over hygiëne gaat. Eeuwenlang was reinheid het belangrijkste wapen in de bestrijding van infectieziekten als cholera, tyfus of de pest; tot in de 20ste eeuw vormden infectieziekten de belangrijkste doodsoorzaak van de mens. In onze tijd, met vaccins, riolering, antibiotica en allesreiniger, lijkt reinheid niet zo’n issue meer; je kunt je zelfs afvragen of de moderne mens niet té schoon is geworden – dagelijks lang douchen is helemaal niet goed voor de huid.

Toch hoef je maar een heel klein beetje uit te zoomen om te zien dat onze leefomgeving veel minder ‘rein’ is dan je zou denken. Onze westerse huizen mogen dan min of meer schoon zijn, de aarde is nog nooit zo smerig geweest en de lucht die we inademen is vervuild. Pcb’s, ammoniak, microplastics: in de afgelopen vijftig tot honderd jaar heeft de mens meer nieuwe, chemische stoffen aan het milieu toegevoegd dan in alle honderdduizenden jaren daarvoor. Om over mentale hygiëne nog maar te zwijgen. Je hoeft tegenwoordig niet meer op X te kijken om te zien hoe vervuild het publieke debat is, ook in de gewone wereld worden gesprekken er niet beschaafder op.

Als één van de drie R’en actueel is, is het wel die van Reinheid.

Maar mijn favoriete R is die van Regelmaat. De lijst met methoden aan de hand waarvan ik mezelf in het gareel probeerde te krijgen, is eindeloos. In den beginne waren het eenvoudige tijdschema’s en to-dolijstjes, later onderwierp ik me aan verfijndere technieken van mensen die stellig beweerden de methode aller methodes te hebben bedacht. Ik las Roy Baumeister over wilskracht, ik las David Allen over hoe je dingen gedaan moet krijgen, ik las Cal Newport over concentratie, ik las nog een stuk of duizend andere in discipline gespecialiseerde auteurs. Ik stond elke dag om 5 uur op en stortte daarna in. Ik zette de grote zandloper die ik voor mijn verjaardag van mijn lieve collega’s had gekregen pontificaal op mijn bureau en keerde hem om als ik aan een ‘taakje’ begon, en nog eens, en nog eens.

Alles liep altijd op niets uit, en pas nu begrijp ik waarom: vrijwel al die ideeën over hoe een goede regelmaat eruitziet, zijn gebaseerd op de maatschappelijke klok. Maar ons lichaam doet helemaal niet aan maatschappelijke klokken! Regelmaat is goed voor ons, regelmaat hóórt bij ons, we zijn opgetrokken uit regelmaat, zoals alles wat op aarde leeft. Maar de regelmaat in ons lichaam is níét de regelmaat van de maatschappij. De regelmaat in ons lichaam is de regelmaat van het universum. En dat universum kent wel terugkerende dagen, maanden, jaren en seizoenen, maar geen minuten, uren en weken.

De wekker die elke maandagochtend om half 7 miljarden mensen hun bed uit jaagt voor alweer een nieuwe werkweek mag dan een volkomen ingeburgerd regelmaatsinstrument zijn, hij houdt op geen enkele manier rekening met de regelmaat van ons lijf. Hij druist daar zelfs een groot deel van het jaar keihard tegenin. Het concept ‘maandagochtend half 7’ en het concept ‘werkweek’ zijn bedacht door de mens. Door de mens die de tijd in zijn greep wilde krijgen en zonnewijzers maakte, klokken in en aan kerktorens hing, het slingeruurwerk bedacht, de wereld in tijdzones verdeelde, atoomklokken uitvond, en op een kwade dag moest constateren dat hij niet zozeer de tijd in zijn greep had gekregen, maar de tijd hém.

Als één van de drie R’en actueel is, is het wel die van Regelmaat.

Pionier van de wijkverpleegkunde

De kreet ‘rust, reinheid en regelmaat’ stamt niet uit de jaren vijftig en is ook niet bedacht door Florence Nightingale of dr. Spock, zoals je soms leest. Nightingale was weliswaar een enorme propagandist van frisse lucht, licht, hygiëne en rust, maar de drie R’en werden in 1905 gelanceerd (zij het in een iets andere volgorde, namelijk reinheid, rust en regelmaat) door de Friese pionier van de wijkverpleegkunde Aafke Gesina van Hulst, roepnaam Sien, geboren in 1868 als oudste dochter van een doopsgezinde tegelfabrikant en zijn sociaal betrokken echtgenote.

Samen met haar moeder Rijkje trok Sien op jonge leeftijd de krottenwijken van haar woonplaats Harlingen in om mensen te helpen. Toen ze 26 jaar oud was richtte ze een vereniging voor wijkverpleging en ziekenzorg op, die ze een paar jaar later liet opgaan in de landelijke vereniging Het Groene Kruis. Vanaf dat moment werd Van Hulst het gezicht van het Groene Kruis in Harlingen en ver daarbuiten.

Verenigingen als het Witte en Groene Kruis waren particuliere initiatieven, niet gebonden aan een politieke zuil of geloofsgemeenschap. Ze boden verpleegkundige zorg aan huis, bijvoorbeeld na een bevalling, maar bonden ook de strijd aan tegen infectieziekten als tyfus en tuberculose. Goede medicijnen waren er nog niet, het beste wat een mens tegen infectieziekten kon doen was zorgen dat hij ze buiten de deur hield – preventie dus.

Het belangrijkste middel daarbij was hygiëne. Waar de overheid zich het grootste deel van de 19de eeuw nauwelijks om de volksgezondheid bekommerde, zorgden artsen die ‘hygiënisten’ werden genoemd, en later de kruisverenigingen, voor de verspreiding van kennis over het verband tussen een hygiënische leefomgeving en gezondheid. Dat deden ze via voorlichtingsbijeenkomsten en ‘geschriftjes’, laagdrempelige brochures vol goede raad.

Sien van Hulst schreef in 1905 een van die geschriftjes, en gaf het als titel Reinheid, rust en regelmaat. Het slechts vijftien pagina’s tellende drukwerkje gaat over de verzorging van pasgeboren baby’s, een onderwerp waarin Van Hulst zich had gespecialiseerd; al een paar jaar gaf ze in Harlingen ‘moeder- en bakercursussen’. In Reinheid, rust en regelmaat zette ze al haar tips nog eens op een rijtje, in een taal die aandoenlijk aandoet: ‘Als nu ’t kindje heerlijk heeft gerust, zal het naar voedsel gaan verlangen, en me dunkt, jong moedertje, het zal een weelde voor U zijn, dit zelf aan uw lieveling te mogen geven. Want ge zult uw kindje zoo graag het allerbeste geven wat ge voor hem hebt! En dat allerbeste is de moedermelk!’

In het jaar waarin Van Hulst haar brochure schreef, was de kindersterfte in Nederland hoog. Ruim 130 op de duizend baby’s overleden voor ze een jaar oud waren. Een angstwekkend hoog aantal, schreef Van Hulst, en onnodig; met een goede verzorging op basis van reinheid, rust en regelmaat zouden veel meer ‘lieve, kleine, hulpbehoevende wezentjes’ in leven blijven. In Friesland, waar die goede verzorging er mede dankzij haar eigen inspanningen wél was, was de babysterfte een stuk lager.

Bedrijfsslogan voor de Hollandse huisvrouw

Na de dood van Sien van Hulst in 1930 begonnen haar drie R’en aan een nieuw leven. Van mantra voor zuigelingenzorg groeiden ze na de Tweede Wereldoorlog uit tot bedrijfsslogan voor de Hollandse huisvrouw, toen Nederland een verzorgingsstaat werd, met het gezin als hoeksteen van de samenleving en de huisvrouw als belangrijkste steunpilaar.

In 1946 kwam er een nieuwe kinderverzorgingsbijbel, Baby and Child Care, in het Nederlands vertaald als Baby- en kleuterverzorging van dr. Spock, Benjamin McLane Spock zoals hij voluit heette. Het werd vooral in de jaren zestig en zeventig enorm populair. Spock verzette zich tegen de rigide voedingstijden zoals die er door Sien van Hulst en haar navolgers waren ingeramd. Hij betoogde dat ouders hun baby’s ook mochten optillen en knuffelen als het volgens de klok nog helemaal geen etenstijd was.

Daarin had hij beslist een punt, en nu kom ik nog even terug bij mijn favoriete R, die van regelmaat.

Regelmaat is goed; uit recent onderzoek blijkt een vast ritme gedurende de dag zelfs een betere voorspeller voor een lang leven dan de lengte van de slaap (iets wat de Vlaamse schrijver Willem Elsschot overigens allang wist: in Villa des Roses (1913) schrijft hij dat ‘niets beter is voor de gezondheid dan een geregeld leven’). Maar een gezond ritme gedurende de dag wil níét zeggen dat je alles elke dag exact op hetzelfde tijdstip doet, zoals Sien van Hulst dacht toen ze haar babyvoedingstijden opstelde. Dan volg je immers alleen maar de maatschappelijke klok, die in zekere zin ‘onnatuurlijk’ is.

Onze voorouders deden het qua tijdmeting een stuk verstandiger dan wij. De Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen verdeelden de lichte periode tussen zonsopkomst en zonsondergang in twaalf parten: dat waren hun uren. Datzelfde deden ze met de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst, de nacht. Het eerste uur van de dag brak aan als de zon opkwam. Als hij onderging, was dat het einde van het twaalfde uur. Daarna begon het eerste uur van de nacht.

Aangezien de zon in gebieden die wat verder van de evenaar liggen in de aanloop naar de zomer elke dag een beetje eerder opkomt en een beetje later ondergaat, was de lengte van de uren in de oudheid dus steeds anders. In de zomer duren de dagen immers veel langer dan de nachten en in de winter is het precies andersom.

Tweemaal per jaar duurde zo’n antiek uur even lang als ons moderne uur, namelijk tijdens de ‘equinoxen’, de dag- en nachtevening aan het begin van de lente en aan het begin van de herfst, als de zon loodrecht boven de evenaar staat. Komende week is het weer zover: dan komt de zon precies in het oosten op en gaat hij precies in het westen onder. Overal ter wereld is het dan ruwweg twaalf uur licht en twaalf uur donker.

Net als wij hanteerden de Ouden een dagindeling die hen tot een bepaalde regelmaat dwong; maar hun regelmaat sloot wel aan bij de regelmaat van de natuur. En dus bij de regelmaat van het lichaam. Want onze biologische klok, dat kleine commandocentrum in het midden van ons brein dat de regelmaat van ons lichaam dirigeert, kent óók seizoensritmen.

Naarmate de dagen lengen, spreiden ook de cellen van de biologische klok hun activiteiten uit over een langere periode; ze worden met steeds meer tussenpozen actief. En in de winter worden die tussenpozen weer korter. Wie gewend is elke week om 9 uur ’s avonds naar de sportschool te gaan is ’s zomers dus heel gezond bezig, maar ’s winters minder; dan is het buiten donker en maakt het lichaam zich op voor de nacht.

Flexibele regelmaat

Een gezonde regelmaat is dus een flexibele regelmaat, eentje die meeademt met de seizoenen, en ook met de cycli van het leven – pubers en jongeren zijn bijna altijd avondmensen, bij ouderen wordt het ritme wat rommelig, en sowieso loopt de biologische klok voor iedereen een beetje anders. Het licht van de zon zet al die klokken gelijk, elke dag opnieuw.

Mijn persoonlijke ideale regelmaat heb ik uiteindelijk gevonden door iets heel simpels te doen: dagelijks opstaan met de zon, net als onze voorouders. Dat levert niet alleen een prettig begin van de dag op – mooi hoor, zonsopkomst – maar in het voorjaar en de zomer ook een paar fijne, ongestoorde uren. In die lichte seizoenen ben ik ‘productiever’ dan in de donkere herfst en winter, die zich weer ontzettend goed lenen voor lang slapen, dikke boeken lezen en het bereiden van slome stoofpotten. Meeademen met de seizoenen: ik kan het iedereen aanraden. Ik weet ook dat het lang niet voor iedereen haalbaar is.

In een ideale wereld is er rust, reinheid en regelmaat. Maar we leven niet in een ideale wereld, we leven in een dolgedraaide wereld waarin de drie R’en vaak ver te zoeken zijn. Hoe krijgen we ze terug?

In de tijd waarin Sien van Hulst haar credo lanceerde, vond niemand het raar dat de gegoede burgerij zich inspande om de kansarme medemens, die ziek werd van zijn smerige leefomgeving, te helpen dan wel te ‘verheffen’. In onze individualistische tijd, met een omgeving die óók ziekmakend is, laat niemand zich meer door een ander vertellen hoe hij moet leven. En hoewel daar veel voor te zeggen is, is het ook lastig: mensen hebben niet altijd in de gaten door welke wetten, gewoonten en commerciële belangen ze worden gestuurd.

Maar het instrument waarvan Sien van Hulst de hoogste verwachtingen had bij de strijd tegen de ziekten van haar tijd, was niet de (al dan niet bemoeizuchtige) liefdadigheid. Haar belangrijkste wapen was de nuchtere verspreiding van ‘inzicht, kennis en verstand’, zoals ze in haar pamfletje schreef: ‘Het leven der menschen is vooruitgang, geen stilstand.’

Grappig genoeg leiden die kennis, dat inzicht en het verstand ons, als het om de drie R’en gaat, nu terug naar Moedertje Natuur, die zelf het best weet hoeveel rust, reinheid en regelmaat de aarde en haar bewoners nodig hebben. We zouden zo onderhand weleens wat beter naar haar mogen luisteren.

Rust, reinheid en regelmaat. Wijsheid van vroeger voor het leven van nu van Wilma de Rek verschijnt 24 september 2024 bij Nijgh & Van Ditmar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next