Home

‘Elf hofjes oogt weinig, maar is een godswonder’

Peter Prak (57) is Knarrenhofbouwer: een woonvorm waarbij bewoners naar elkaar omzien zodat ze langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Het ideaal krijgt veel lof toegezwaaid, maar door de vastgeroeste woningmarkt komt het moeilijk van de grond.

Zijn hofjes ziet hij als ‘Gallische dorpjes’ die de strijd aanbinden met ‘het zorginfarct en de eenzaamheid’ die hij op ouderen ziet afkomen – het voorspelde gebrek aan zorgpersoneel kunnen zij het hoofd bieden door elkaar te helpen, is zijn vaste overtuiging. Dat kan in een van zijn Knarrenhoven, ‘kleine, hechte gemeenschappen waar de mensen elkaar kennen en naar elkaar omzien’. Na twaalf jaar staat de teller op elf hofjes, goed voor 450 bewoners.

De belangstelling voor zijn concept is vele malen groter: zo’n 50 duizend mensen hebben zich inmiddels voor een Knarrenhof ingeschreven. Die wanverhouding tussen aanbod en behoefte is de Groningse initiatiefnemer Peter Prak een doorn in het oog. Maar trots is hij ook: ‘Voor buitenstaanders oogt elf hofjes weinig, maar voor mensen die in het vastgoed zitten, is zo veel projecten helemaal zelfstandig tot stand brengen een godswonder.’

Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Zijn vastgoedkennis doet hij, na een studie geografie, op bij onder meer TNO, bouwbedrijf Heijmans en als eindverantwoordelijke voor diverse Vinex-locaties met tienduizenden woningen. Een bewoner van een Zwols project, sociale huurder Liedeke Reitsma, vraagt hem in 2011: ‘Waarom doet niemand iets voor senioren met een smalle beurs?’ En: ‘Waarom bouwt eigenlijk niemand meer hofjes?’ Daarmee raakt ze twee gevoelige snaren bij Prak: voor hofjes heeft hij altijd een zwak gehad, als ‘oases van rust’, voor mensen met weinig geld eveneens. Hij komt namelijk uit Oost-Groningen, ‘waar bij iedereen het hart wat meer links in de borst zit. Bij ons thuis was Joop den Uyl een heilige.’ De Volkskrant leest hij al zijn hele leven – de (geuzen)naam Knarrenhof verwijst naar de ‘krasse knarren’ waarmee Koot en Bie ooit furore maakten.

Met die voorkeuren past Prak niet bepaald in het wereldje van projectontwikkelaars – zijn keuze indertijd voor een Citroën als leaseauto, in tegenstelling tot de in die kringen gangbare BMW of Audi, tekent zijn eigenzinnigheid, evenals zijn vierdaagse werkweek: ‘Ik zei tegen mijn directeur dat ik ook als vader carrière wilde maken. Dat had hij nog nooit gehoord.’

De vastgoedcrisis van 2009 brengt een knik aan in zijn loopbaan – als eindverantwoordelijke voor de Zwolse wijk Stadshagen wordt hij door de gemeente in 2012 ‘als laatste wegbezuinigd’. Naast ‘saaie klussen voor brood op de plank’ besluit hij om met Reitsma aan de slag te gaan met het idee van de Knarrenhof. Inmiddels is dat uitgegroeid tot een levenswerk ‘waarvoor ik zo veel schouderklopjes heb gekregen dat ik er bijkans scheef van loop’. Maar de weerstanden zijn ook talrijk, zo heeft de 57-jarige Prak ondervonden.

U heeft kritisch over projectontwikkelaars geschreven, wat is er mis met hen?

‘Je moet altijd de nuance blijven zien, ook onder ontwikkelaars heb je mensen die heus wel het goede met de wereld voor ogen hebben. Maar de grote bedrijven en hun aandeelhouders zijn vooral gericht op zo hoog mogelijke winstpercentages. Ik ga niet zeggen hoe hoog precies, maar neem maar van mij aan dat ze schandalig kunnen oplopen. Daarmee parasiteren ze op de samenleving, terwijl hun taak juist faciliteren zou moeten zijn – het mogelijk maken van kwalitatief goede en betaalbare woningen. Die grote ontwikkelaars luisteren ook nauwelijks naar de wensen van mensen, terwijl die toch voor de grootste investering van hun leven staan. Bij de warme bakker hebben ze nog meer invloed. Ontwikkelaars zijn net broodfabrieken: ze zijn vooral geïnteresseerd in bulk om hun rendement te maximaliseren, niet in maatwerk.’

Heeft u daar in uw tijd als ontwikkelaar zelf aan meegedaan?

‘Ik probeerde maatschappelijk bezig te zijn door zo veel mogelijk kwaliteit voor bewoners voor elkaar te krijgen bij een minimaal rendement. Maar dat laatste begon wel bij 8 procent, voor minder komt een commerciële partij zijn bed niet uit. In mijn tijd als ontwikkelaar kreeg ik wel steun van collega’s die ook kwaliteit belangrijker vonden dan rendement, maar de aandeelhouders van die bedrijven zien dat totaal anders. Die rennen als honden achter hun eigen staart aan en zitten vast in het foute perpetuum mobile van het vastgoed: als jij die winst niet pakt, doet een ander het wel. Dus ga je tot aan je oksel in de strontton om het maximale eruit te halen.

‘Ik was ook maatschappelijk gedreven door te pleiten voor duurzaam, natuur-inclusief bouwen. Nu zegt iedereen dat, maar toen, zo’n twintig jaar geleden, was dat nieuw. In het tijdschrift van Heijmans zei ik dat je meer business zou krijgen als je dat goed deed. Zo verkocht ik het aan de eigen organisatie. In een commerciële omgeving moet je slimmer zijn dan de rest, wil je iets maatschappelijks tot stand brengen.’

Hoe zit het met het rendement op een Knarrenhof?

‘We mikken op 4 procent – dat is niet ons minimum, maar ons maximum. De winst die we maken, besteden we aan volgende projecten. Een van de doelen die ik me heb gesteld is aan te tonen dat je een eerlijk, maatschappelijk verantwoord vastgoedbedrijf kunt opbouwen. Door hofjes te bouwen waarin ook plek is voor mensen met een kleine beurs – we streven naar 30 procent goedkoop, vooral sociale huur, 40 procent midden en 30 procent duur, dat zijn vooral koopwoningen. Dan krijg je verschillende soorten bewoners door elkaar.

‘De woningmarkt is extreem gepolariseerd, met rijken die vanuit hun villawijken op het tokkievolk neerkijken, terwijl armen in hun flats die rijke patsers heel erge mensen vinden. Maar in beide groepen zitten aardige mensen, die bereid zijn anderen te helpen. In ieder hofje zoeken we daarom naar een juiste mix van personen – sommigen zijn handig met hun handen, anderen met hun hoofd.’

Luisteren naar wensen van bewoners klinkt mooi, maar burgerinitiatieven voor woningbouw lopen vaak op niets uit.

‘Mensen weten wat ze willen, maar niet wat ze kunnen. Vraag je naar hun wensen dan krijg je: een voordeur op de Dam, een achtertuin op de Veluwe en dat voor 300 euro per maand graag. Praat je met ze door, dan begrijpen ze wel dat dat niet kan. Maar zijn er alleen burgers en geen professionals bij zo’n initiatief betrokken, dan komt het zelden tot bouwen. Maar een op de tien komt daaraan toe, en die ene doet er dan tien jaar over. Ik geloof sterk in de democratisering van het vastgoed – je moet de besluitvorming uit de achterkamertjes halen en transparant maken. Maar daarvoor heb je wel professionals nodig. Met de ruim dertig medewerkers van Knarrenhof vormen we een tekenapparaat, een onderhandelingsteam en een rekenmachine voor burgers. De gemiddelde tijd tot het begin van de bouw is bij ons vijf jaar.’

Toch staat de teller na dertien jaar pas op elf hofjes.

‘Mensen die in het wereldje zitten, vinden het ongelooflijk dat ons dat vanuit het niets is gelukt, op eigen kracht. Dat is niet zonder offers gegaan – de eerste vijf jaar heb ik onbetaald gewerkt, terwijl ik nu, na dertien jaar, een uurtarief reken dat ongeveer de helft is van wat ik bij mijn commerciële opdrachtgevers verdiende. Maar dat kan me niets schelen. Geld is niet het doel, dan ben je triest bezig. Voor mij doet het er alleen toe dat je de wereld mooier maakt en anderen helpt.

‘We zitten nu in ons dertiende jaar, dit jaar kunnen we voor het eerst alle uren die onze medewerkers werken ook betalen. Vorig jaar was dat nog 80 procent. We hebben een buffertje en voor drieduizend woningen aan plannen, al is niet alles daarvan hard. Dit soort projecten duurt altijd lang. Ondertussen neemt de behoefte door de vergrijzing eraan alleen maar toe. Hopelijk gaat de rijksoverheid meer steun bieden.’

Die houdt het vooralsnog vooral bij morele support – oud-minister Hugo de Jonge liep weg met uw concept.

‘Hij vond Knarrenhof inderdaad mooi en heeft ons vaak aangeprezen. Maar zijn subsidieregelingen dekken maar 6 procent van de meerkosten. Zijn enthousiasme heeft vooral geholpen bij het binnenkomen bij gemeenten, met wie we uiteindelijk zaken moeten doen.’

Loopt u daar tegen weerstand op?

‘Ik heb al herhaaldelijk meegemaakt dat er enthousiasme is bij wethouders en de gemeenteraad, zoals nu in Utrecht en Den Haag, maar dat dat jaren eerder ook al zo was en er toch niets van de grond kwam. We lopen vaak stuk op hun afdelingen vastgoed, die alleen maar de hoogste prijs voor hun grond willen. Dat is kortzichtig, want met een Knarrenhof bespaar je als overheid geld doordat mensen langer thuis blijven wonen – onze badkamers bouwen we twee keer zo groot om verpleging mogelijk te maken. We besparen zo ongeveer drieduizend euro per zestigplusser per jaar.

‘Maar over die budgetten gaat de afdeling sociaal domein van een gemeente. Die ziet dat voordeel, maar heeft weer geen invloed op de woningbouw. In de praktijk zijn we aangewezen op de kruimels – een basisschool die sluit, een sportveld dat vrijkomt. Als we met ons concept echt grootschaliger willen gaan, dan moeten gemeenten met meer komen. Dat zeg ik vaak tegen hun ambtelijke top: joh, durf eens iets groters te doen.’

Kan de rijksoverheid dat niet bij gemeenten afdwingen?

‘De nieuwe regiewet voor de woningbouw gaat die kant op, maar voordat de rijksoverheid met dwingende aanwijzingen komt, zijn we denk ik jaren verder. Tot die tijd blijven we dus op de goodwill van gemeenten aangewezen. Wat ik bij de rijksoverheid vooral mis, is het vermogen tot integraal denken. Ieder probleem gaat door de eiersnijder, waarna niemand meer overzicht over de partjes heeft. Voor de vergrijzing en het tekort aan zorgpersoneel wordt al decennia gewaarschuwd. Maar als ik die problemen in Den Haag aankaart, zie ik ze denken: ah, meneer heeft een bedrijf, die is aan het lobbyen. Terwijl het mij erom gaat te voorkomen dat straks mensen met een goedgevulde beurs wel Filipijnse hulp kunnen inhuren, maar gewone mensen met lege handen staan omdat de overheid er niet meer voor ze is. Ik zou willen dat politici het aandurven het eerlijke verhaal over de vergrijzing te vertellen.’

Raakt u soms niet gefrustreerd over het gebrek aan daadkracht van de overheid?

‘Ja, maar ik kijk liever naar wat wel goed gaat. Als een bewoner tegen me zegt dat hij zich gelukkig voelt. Of als ik waardering krijg van mensen die er echt verstand van hebben – Peter Boelhouwer (TU-Delft-hoogleraar woningsystemen, red.) bijvoorbeeld. Of een topambtenaar van Binnenlandse Zaken die over de woningmarkt gaat. Een fractievoorzitter uit de Tweede Kamer noemde me eens ‘ongepolijst’, maar zei ook: blijf dat vooral, jij zegt tenminste de waarheid.

‘Ik ben nu 57 en zie aankomen dat mensen het stokje van me gaan overnemen. Dat vind ik mooi, ook al voel ik me totaal niet oud. Dat ben je pas als je niets hebt om voor op te staan, boos over te worden of je op te verheugen. Door dit werk voel ik dat ik leef, ik ga echt ergens voor. Het is te vroeg, maar ik heb al eens over een grafschrift nagedacht: ‘Ik heb liefgehad, ik ben liefgehad en bovenal heb ik goed willen doen’, dat vind ik een mooi levensmotto.’

Boektip: Winnetou Omnibus, Karl May

‘Het kind in jezelf moet je nooit kwijtraken. Dit boek kies ik als een eerbetoon aan een jeugdheld, groot strijder tegen onrecht. Als jongetje ben ik beïnvloed door Winnetou, die altijd menselijk is en het goede blijft nastreven, ook wanneer de beschaving wegvalt. Ook het echte leven draait daar om.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next