Prinsjesdag is een wonderlijke dag, en de mensen die op Prinsjesdag op de perstribune mogen zitten, vormen een wonderlijk gezelschap. Je zou denken dat tout de Nederlandse pers erbij wil zijn, maar vorig jaar zat ik naast een redacteur van het kappersblad Top Hair en nu achter drie vrouwen in Staphorster klederdracht.
Ik vraag een van de vrouwen hoe ze hier terechtgekomen zijn. Ze gaan altijd naar Prinsjesdag met ‘een bus vol Stappers’, vertelt ze – ik zie een bus vol wilde uitgaanstypes voor me, die al vapend en snuivend naar een industriegebied vervoerd worden om de hele nacht te raven. Maar goed, die bus vol Stappers dus, daar mogen er elk jaar een paar van in het publiek zitten. Dit jaar zijn dat deze drie vrouwen.
Aaf Brandt Corstius doet eens per week op geheel eigen wijze verslag van een debat in politiek Den Haag.
Mijn andere tribunegenoot is een journalist die bij het Franse royaltyblad Pointe de Vue werkt. Die vertelt me – ik denk dat die non-binair is – dat die een scriptie over het Nederlandse koningshuis heeft geschreven, en nu is die ‘verslaggever Nederlands koningshuis’ voor Pointe de Vue. Wat pakken Fransen de dingen toch altijd lekker academisch aan.
2024 is niet het jaar van de gekke hoeden: ik spot er maar twee. Jacqueline van den Hil (VVD) heeft een oranje pet op, Anita Pijpelink (PvdA) een rode Zeeuwse knoop in hoedvorm. Tot zo ver statements via hoofddeksels. Volgens een ingewijde komt het tekort aan ludieke hoeden omdat er een grimmige sfeer hangt in de politiek, maar ik denk ook gewoon dat de tijd van lekker gekke hoeden een beetje voorbij is. Politici zijn steeds modebewuster, het is een en al Claes Iversen wat de klok slaat.
Dan komt de koning binnen. De eerste woorden van zijn toespraak zijn: ‘Het is verleidelijk om terug te blikken op de sportzomer.’ Ik verwacht hier een ‘maar’ achteraan, maar die komt niet, want hij gaat daadwerkelijk terugblikken op de sportzomer. De koning leeft nu eenmaal, zoals we allemaal weten, van sportzomer naar sportzomer.
Nederland is het zeventigste land van de wereld als je het qua bewonersaantal bekijkt, zegt hij, maar olympisch en paralympisch staan we dit jaar op de zesde en vierde plaats. Daar mag de samenleving zich, vindt de de koning, best aan spiegelen.
Ik vermoed dat dit het deel van de speech is waar hij zelf een zegje in heeft gehad, want het woord ‘olympisch’ komt er vaak in voor. Daarna mag de koning de plannen van deze regering navertellen, wat meer voelt als iemand die, nou ja, de plannen van een ander navertelt.
Het migratiebeleid wordt ‘sneller, strenger en soberder’, zegt Willem-Alexander. ‘De voorwaarden om een Nederlands paspoort te krijgen worden strenger.’ Ligt het aan mij, of staart Máxima bij dit deel nogal stoïcijns voor zich uit? Er moet ‘grip op migratie’ komen (het woord grip valt vaker), ook op migratie van buitenlandse studenten. Het Nederlands moet weer de eerste taal worden in het hoger onderwijs. Ik kan vanaf mijn plek Willem-Alexanders dochter Alexia niet zien, die kort geleden haar diploma haalde in Wales.
De koning heeft het over het Nederlandse volk, dat lijdt onder ‘onderlinge kribbigheid’. Dat vind ik wel een leuke vondst. Het is weer eens wat anders dan dat eeuwige ‘polarisatie’, veel begrijpelijker ook.
Aan het eind van de Verenigde Vergadering klinkt een ongelofelijk modern en hermetisch stuk van de Britse componiste Frankie Dotwell, speciaal voor deze dag gecomponeerd. Het heet Paradetje. Anders dan de naam doet vermoeden duurt het stuk ontzettend lang.
Normaal zou ik dit misschien ergerlijk vinden, maar nu lijkt het uitvoeren van een extreem lang stuk dat voor leken nogal piep-knor is, een middelvinger tegen deze Kamer, die met geen woord over cultuur rept, alleen als het is om de btw te verhogen.
Aan het eind kom ik mijn collega van Point de Vue nog even tegen in de foyer. Ik vraag hen wat die ervan vond. ‘Ik kon er niks van verstaan, alleen het woord democratie’, zegt die. ‘Wel een belangrijk woord’, zeg ik.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant