Home

Koopkracht stijgt minder hard dan kabinet eerder hoopte, vooral lagere inkomens komen lager uit

De doorsnee Nederlander gaat er volgend jaar naar verwachting 0,7 procent op vooruit. Vooral de lagere inkomens en uitkeringsgerechtigden gaan er veel minder in koopkracht op vooruit dan op basis van het hoofdlijnenakkoord werd verwacht.

Dat blijkt uit de koopkrachtcijfers die het ministerie van Sociale Zaken dinsdag naar de Kamer heeft gestuurd. In augustus verwachtte het Centraal Planbureau (CPB) nog een koopkrachtstijging van 1,1 procent voor 2025, op basis van de plannen in het hoofdlijnenakkoord. Dat het cijfer nu lager uitvalt, komt omdat het kabinet in de Miljoenennota toch afziet van een aantal voorgenomen inkomensmaatregelen.

De verwachte koopkrachtcijfers die het ministerie van Sociale Zaken ieder jaar op Prinsjesdag presenteert, geven altijd een vereenvoudigd beeld en kunnen flink afwijken van de daadwerkelijke koopkracht. De berekening is alleen gebaseerd op het inkomensbeleid van het kabinet en de loon- en prijsontwikkeling en houdt geen rekening met een verandering in de privésituatie van mensen. Zo zijn persoonlijke omstandigheden zoals scheiding, promotie of verlies van werk van grote invloed op de koopkracht. Bovendien zijn de verschillen tussen inkomensgroepen groot.

Over de auteur
Hessel von Piekartz is politiek verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over de volksgezondheid, pensioenen en sociale zekerheid.

Alles over politiek vindt u hier.

Dat de verschillen groot zijn, is ook goed te zien in de prognoses van het ministerie. De middeninkomens houden nog relatief veel over van de door het CPB voorspelde koopkrachtstijging, terwijl met name de lagere inkomens hun koopkracht veel minder zien stijgen dan eerder verwacht. Zo konden mensen in de laagste inkomensgroep aanvankelijk op een plus van 1,4 procent rekenen, maar daar blijft nu slechts 0,5 procent van over.

Uitkeringsgerechtigden

Ook uitkeringsgerechtigden zien de verwachte koopkracht dalen ten opzichte van de augustusraming van het CPB. Toen voorspelde het planbureau nog een stijging van ruim 2 procent, maar inmiddels is de verwachting dat zij er volgend jaar 1 procent op vooruit gaan.

De verklaring voor dit grote verschil is dat het kabinet een aantal maatregelen die positief zouden uitpakken voor lage inkomens anders invult of uitstelt. Zo gaat een voorgenomen verhoging van de huurtoeslag volgend jaar nog niet door, maar wordt die uitgesteld naar 2026. Daarnaast wordt de algemene heffingskorting, een korting op de inkomstenbelasting die vooral gunstig is voor lage inkomens, verlaagd met 335 euro.

Kindgebonden budget verhoogd

De negatieve effecten daarvan worden weer enigszins gedempt door een hervorming van het belastingstelsel, die het kabinet wel doorzet. Zo komt er een extra schijf voor lagere inkomens waardoor zij uiteindelijk wat minder belasting betalen. Ook verhoogt het kabinet het kindgebonden budget volgend jaar waardoor gezinnen met kinderen er uiteindelijk per kind 75 euro bij krijgen.

De belangrijkste reden voor het kabinet om af te zien van een aantal extra maatregelen is om de koopkrachtontwikkeling ‘evenwichtig’ te houden, de ‘koopkrachtimpuls te spreiden’ over de komende jaren en om financiële tegenvallers in de begroting te dekken, zo blijkt uit een toelichting van het ministerie. Minister van Sociale Zaken Eddy van Hijum (NSC) zei vrijdag al dat hij de lastenverlichting wil ‘opbouwen’ en dat daarom niet alles in 2025 al doorgaat.

Daarmee lijkt het kabinet te hebben geluisterd naar het advies van CPB-directeur Pieter Hasekamp, die vorige maand opriep om voorzichtig te zijn met lastenverlichtingen. Volgens hem is het nu niet noodzakelijk om aan alle knoppen te draaien omdat het ‘verrassend goed’ gaat met de economie en de koopkracht daardoor al meer toeneemt dan gedacht. Omdat het begrotingstekort wel oploopt, is het bovendien verstandig om kritisch te zijn op de uitgaven.

Nauwelijks daling armoede

Het heeft er uiteindelijk toe geleid dat het kabinet nu met een pakket is gekomen dat over de hele linie slechts magere plusjes oplevert maar tegelijkertijd ook geen negatieve uitschieters kent. Alleen voor een alleenstaande ouder die rond het sociaal minimum leeft, verwacht het ministerie geen enkele verbetering in koopkracht.

Aan de armoedecijfers doen de maatregelen tegelijkertijd maar weinig. Van een echte daling is de komende jaren nauwelijks sprake, al slaagt het kabinet er wel in om de armoede in ieder geval niet verder op te laten lopen. Zo is de verwachting dat de kinderarmoede de komende jaren op 4,7 procent blijft.

Source: Volkskrant

Previous

Next