Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Bert Vagevuur (67) was pas kort leidinggevende, toen hij in de nieuwjaarsnacht van 2001 naar de fatale cafébrand in Volendam moest.
‘Het was in de nieuwjaarsnacht. Met tien man reden we in twee dienstauto’s naar Volendam. We kwamen als eerste hulpverleners aan na de brand in café ’t Hemeltje, die 250 bezoekers ernstig had verwond en uiteindelijk veertien mensen het leven kostte.
‘Dat wisten we op het moment van de melding nog niet. Ik was nog maar kort inspecteur. Ze zetten mij, de jongste leidinggevende, op die nachtdienst. Ik heb hiervan geleerd dat dat niet goed is.
Over de auteur
Wil Thijssen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘We zetten de auto’s op een plein en gingen door een smalle steeg de dijk op. Onderweg kwam ik een Volendamse collega tegen die ook dienst had. Hij zei: ‘Bovenaan links zijn twee kroegen vol zwaargewonden. Hier, neem mijn portofoon, ik ga mijn zoon zoeken.’ Alle Volendammers waren bezorgd.
‘Boven aan de dijk was rechts ’t Hemeltje en waren links de twee kroegen met gewonden. We splitsten op in twee groepen. Ik maakte een fout en ging in de eerste kroeg mee naar binnen om te helpen. Pas vijf jaar later leerde ik tijdens de opleiding tot Officier van Dienst dat een leidinggevende altijd afstand moet houden, om alles te kunnen coördineren. Ik was onervaren, ik deed die nacht wat me het beste leek.
‘In een café verwacht je herrie en muziek, maar het was er doodstil. Ik zag tientallen verbrande mensen. Op mijn netvlies staat een meisje van een jaar of 16, naakt, haar feestkleding was als een zwarte tatoeage in haar lijf gebrand. Een jongen zat met zijn handen in een mayonaise-emmer vol water. Hij was zo ernstig verbrand dat hij geen pijn meer voelde. Een vriend naast hem hield af en toe een sigaret in zijn mond zodat hij kon roken. Afschuwelijk. Maar je trekt een luik dicht en gaat handelen.
‘Ik wilde overzicht krijgen en zei tegen mijn collega’s dat iedereen het café uit moest, behalve de slachtoffers en een begeleider, want ik snap dat je papa of mama echt niet wegkrijgt bij een verbrande dochter of zoon. Je handelt op gevoel. Ik zei ook dat de collega’s de gewonden moesten registreren. Ze schreven namen, leeftijden en contactgegevens op Heineken-notitieblokjes uit het café.
‘Mijn redding was de komst van Udo Reijnders, een forensisch arts die ik kende van de arrestantenzorg. Hij kwam spontaan helpen. Udo deelde de slachtoffers in naar ernst van hun verwonding: ‘Voor deze wil ik een ambulance’, ‘Deze gaat het niet redden’ of ‘Deze kan naar een gewondennest’ – zo’n grote tent waar gewonden bij calamiteiten hulp krijgen. De GGD had in Volendam zes van die tenten opgezet.
‘Wat nodig was, regelde ik via de meldkamer Amsterdam: ambulance, gewondennest, lijkschouwer. Toen we beide cafés hadden leeggeruimd, ging ik naar de gewondennesten beneden op het plein. Ook die lagen helemaal vol met verbrande slachtoffers, ingepakt in folie, op brancards. Ambulances reden af en aan. ‘We hebben meer vervoer naar de ziekenhuizen nodig’, zei een ehbo’er. Dus belde ik de meldkamer: ‘Ik heb grote stadsbussen nodig.’
‘De meldkamer is je levenslijn. Zij vragen niet: ‘Waarom? Waar moet ik die vandaan halen? Wie gaat dat betalen?’ Nee, ze vragen alleen: ‘Hoeveel?’ Geweldig.
‘Het plein was bevroren en spekglad, dus vroeg ik de meldkamer een strooiwagen. Even later reed daar zo’n wagen te strooien en kwamen er twee stadsbussen om gewonden naar ziekenhuizen te vervoeren. Uit allerlei huizen kwamen nieuwe gewonden die door omwonenden onder de douche waren gezet, om met de bussen mee naar een ziekenhuis te gaan.
‘Toen stond ik daar met al die briefjes met registratiegegevens. Een brandweercollega trapte de deur van een jeugdsoos in, zette een tafel bij de deur en zei: ‘Hier gaan we administreren.’
‘Toen ik ’s ochtends thuiskwam en de tv aandeed, was het beeld op zwart met de tekst: ‘We wachten op nieuws over de ramp in Volendam.’ Ramp? Ik had voor mijn gevoel twee cafés en gewondennesten ontruimd, dat was het. Toen ik kort daarna met mijn gezin een weekje naar Winterberg op vakantie ging, lagen daar kranten in het Duits, Frans, Engels en Nederlands: ‘Ramp in Volendam’. Pas toen werd de omvang me duidelijk. En ik had daar dus middenin gestaan.
‘In die tijd was het nog niet gebruikelijk, maar na thuiskomst heb ik een debriefing met alle betrokkenen georganiseerd, ook voor medewerkers van de meldkamer, zodat iedereen zijn verhaal kon doen om het te verwerken. En nog steeds stel ik bij calamiteiten de vraag: wie is er eigenlijk om de leidinggevende op te vangen?
‘Kort na de ramp belde ik Udo Reijnders om hem te bedanken. Toen pas liet ik mijn emoties toe. Eind 2020 kwam de ramp ook weer hard bij me binnen. Ik bekeek de documentaire Volendam – 20 jaar later, waarin iemand met een ernstig verbrande vrouw gaat trouwen. Ik kon, net als nu, mijn tranen niet tegenhouden toen de bruidegom tegen zijn verminkte bruid zei: ‘Wat zie jij er supermooi uit.’’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant