Georgi Gospodinov schreef een roman over de hang naar ‘vroeger’ die ook in de politiek steeds luider klinkt en waarschuwt voor valse nostalgie. ‘Het verleden kan ook propaganda zijn, verzonnen door politici, je kunt er een heel land in opsluiten.’
Georgi Gospodinov (56) is opvallend goedgemutst voor een onheilsprofeet. De Bulgaarse schrijver van de dystopische roman Schuilplaats voor andere tijden (2020) moet vaak lachen; pretoogjes lichten op onder zijn zomerse fedora als hij over zijn werk praat. Het is zijn wat zwarte gevoel voor humor wellicht, dat in een groene binnentuin in hartje Sofia een oude herinnering naar boven haalt.
‘Toen ik 5 jaar was, ging ik naar mijn overgrootmoeder toe met enorme oorpijn. Ik huilde. ‘Ik ga dood, ik ga dood’, zei ik tegen haar. Ze antwoordde: ‘Welnee, je gaat niet dood. Eerst ga ík dood, daarna gaan je opa en oma dood, daarna je ouders. En dan ga jij pas dood.’ Gospodinov lacht. ‘Een typisch Bulgaarse manier van troosten. Een beetje duister, maar ook ironisch. Later besefte ik dat er ook hoop schuilt in wat ze vertelde. Het is een natuurlijke volgorde van sterven, het is pas echt tragisch als die volgorde wordt doorbroken. Eigenlijk vrij optimistisch dus.’
Over de auteur
Arnout le Clercq is correspondent Centraal- en Oost-Europa voor de Volkskrant. Hij woont in Warschau.
Liever redeneert Gospodinov niet rechtstreeks van A naar B. Net als in zijn romans associeert hij vrijelijk, neemt graag een zijpad of dist een oude herinnering op. Zo liefkozend als Gospodinov over zulke kleine verhalen spreekt, zo wantrouwend staat hij tegenover grote verhalen, zoals het nationalisme en zijn populistische slippendragers. Een vroege jeugd onder één ideologie – het communisme – maakte hem levenslang resistent tegen andere -ismen.
Hij is de succesvolste Bulgaarse auteur van dit moment. Met het gelauwerde De wetten van de melancholie (beide boeken zijn naar het Nederlands vertaald door Hellen Kooijman) bereikte hij voor het eerst een groot publiek buiten Bulgarije. Vorig jaar beleefde hij zijn grote internationale doorbraak, toen hij de International Booker Prize won met Schuilplaats voor andere tijden.
In de roman bedenkt de enigmatische psychiater-gerontoloog Gaustine een ‘kliniek voor het verleden’ voor alzheimerpatiënten: een gebouw waar elke verdieping een ander decennium uit de 20ste eeuw verbeeldt, waar de patiënten kunnen terugkeren naar de jaren die nog scherp zijn in hun wegebbende herinneringen.
Op den duur blijken ook gezonde familieleden en vrienden interesse te hebben in deze ‘beschermde tijd’. Ze zijn klaar met het heden, al helemaal met de toekomst en verlangen naar de geborgenheid van hoe het vroeger was. Daarna besluiten gehele Europese landen om terug te keren naar het verleden door middel van een referendum.
In zijn vertelling, die heen en weer slingert tussen verterende nostalgie en bijtende satire, zit Gospodinov onze werkelijkheid op de huid. In de hang naar het verleden valt de retoriek van de recente populistische golf te ontwaren, beloften dat alles weer kan zijn zoals vroeger. Twee jaar na het verschijnen van Gospodinovs roman viel Vladimir Poetin, lijdend aan historische waanbeelden, soeverein buurland Oekraïne binnen. Sinds de publicatie zijn we ‘niet vier jaar, maar vier werelden verder’, zegt Gospodinov, nu toch iets ernstiger.
De realiteit lijkt uw boek te hebben ingehaald.
‘Toen ik mijn boek voltooide, dacht ik een dystopische roman te hebben geschreven. Maar als de werkelijkheid dystopisch wordt, veranderen dystopieën in realistische romans.
‘Ik begon aan de roman in 2016, na de verkiezing van Trump met zijn slogan ‘Make America Great Again’. Het was een stem voor agressie, voor een terugkeer naar het verleden. Het verleden werd gebruikt als wapen. Er hing iets in de lucht. Nostalgie zou heel belangrijk worden. Trump ontketende iets.
‘Nu zie je overal populisten, in Europa en ook daarbuiten. Het zijn handelaren in het verleden; ze recyclen het verleden. Normaal gesproken doe ik tien jaar over een boek, dit schreef ik in twee jaar. Ik moest opschieten, ik was bang dat het een reportage zou worden in plaats van een voorspelling.’
U heeft eerder gezegd dat de invasie van Oekraïne niet enkel een oorlog om grondgebied is, maar een oorlog om het verleden.
‘Rusland komt in de roman niet voor tussen de landen die een ‘referendum voor het verleden’ organiseren, maar als ik erover nadenk, vermoed ik dat Poetin triest genoeg zou willen terugkeren naar de jaren veertig of vijftig. Totalitaire ideologie en imperialistische ambities functioneren alleen in tijden van trauma en crisis. Poetin voelt zich dan sterk.
‘Dat is denk ik een van de redenen van deze oorlog: het is een oorlog tegen het geluk van gewone landen. Het gevaarlijke is niet dat Poetin zelf in de jaren veertig of vijftig zou willen leven. Het gevaar is dat hij zijn eigen land én een ander land daartoe wil dwingen. Je kunt niet in je eentje terugkeren naar het verleden, je moet anderen meetrekken.’
Uw roman gaat over de aantrekkingskracht van het verleden, die populisten uitbuiten. Waar schuilt die aantrekkingskracht precies in?
‘Het is de belofte van geluk. Je land wordt niet enkel weer ‘great’, je wordt weer gelukkig. De mensen in mijn roman die stemmen om terug te keren naar de jaren zestig, herinneren zich hoe gelukkig ze toen waren. Maar het is een truc. Persoonlijke tijd is onomkeerbaar, je kunt niet opnieuw 25 zijn.
‘Politieke tijd is wél omkeerbaar. Kijk naar Hongarije: dat was een communistisch land, werd een democratie en verandert nu weer in een autocratie. Populisten proberen het idee te verkopen dat mensen voor hun eigen geluk terug kunnen naar hoe het was, maar eigenlijk verkopen ze een terugkeer naar een politiek verleden.
‘Daarom spreek ik in de roman van het ‘discrete monster van het verleden’. Natuurlijk denken mensen graag aan vroeger. Dat doe ik zelf ook, als schrijver misschien meer dan gemiddeld. Maar het verleden kan ook propaganda zijn, verzonnen door politici, je kunt er een heel land in opsluiten.
‘In Bulgarije leefden we in een totalitair systeem. Ons werd de toekomst beloofd, de schitterende toekomst van het communisme. Ik was 21 toen het communisme viel. Voor mij is het niet heel moeilijk om te doorzien dat populisten dezelfde strategie hanteren. Ze beloven ons een schitterend verleden.’
Tegelijkertijd schrijft u liefdevol over nostalgie, over de muziek, sigaretten en herinneringen van vroeger. Wanneer wordt mijmeren over vroeger minder onschuldig?
‘Dit is een dunne scheidslijn. We zijn gemaakt van het verleden, we zitten vol verleden. Natuurlijk moeten we terugkeren naar het verleden, ermee lachen en huilen. Daarom probeerde ik in deze roman ook de duistere kant van het verleden te laten zien, het gebruik ervan als wapen. Juist omdat ik er zo van houd, vind ik dat je moet voorkomen dat het propaganda wordt.’
De ziekte van Alzheimer speelt een sleutelrol in de roman. Waarom koos u ervoor om die als uitgangspunt te nemen?
‘Ten eerste vanwege de ziekte zelf. Alzheimer is een van de snelst groeiende ziekten ter wereld, een nieuwe pandemie als het ware. Lang geleden las ik een artikel over therapie voor alzheimerpatiënten met muziek van vroeger. Mijn gedachten gingen naar een kliniek met verschillende tijdsperioden per verdieping, therapie die al bestaat, die zou je ook kunnen uitbouwen tot een wijk of een hele stad. Daar willen mensen vast wonen, dacht ik.
‘Daarna kwam al snel een ander idee. Ik moest denken aan de Franse historicus Ernest Renan (1823-1892), die schreef dat een natiestaat niet alleen een plek is waar mensen hebben afgesproken wat ze zich samen herinneren, maar ook wat ze samen vergeten. Ik ben geïntrigeerd door het idee van een samenleving die ervoor kiest te vergeten, een soort collectieve alzheimer.
‘Herinneren als sociaal proces is belangrijk. In Bulgarije hebben we een zwijgcultuur, we praten niet over het verleden. Dat is denk ik een van de fouten van de jaren negentig geweest. Na de val van het communisme accepteerden we te makkelijk dat de geschiedenis maar één kant op beweegt. Er was weinig aandacht voor het verleden, we moesten vooruit.
‘Maar het verleden is als een vampier. Het verschuilt zich achter de deur, of onder het tapijt, zoals we in Bulgarije zeggen. Het voedt zich met onze vergetelheid, onze stilte. Als we minder verhalen vertellen over het verleden, over hoe het echt was, ontstaat er een gat. In dit niemandsland is ruimte voor politici die een soort ersatzverleden opdienen.’
De jury van de International Booker Prize noemde Gospodinovs boek ‘een grote roman over Europa, een continent met behoefte aan een toekomst, waar het verleden opnieuw wordt uitgevonden en nostalgie vergif is’. We leven niet alleen in een tijd waarin het verleden opnieuw wordt uitgevonden, maar ook in een tijd die toekomstperspectief ontbeert.
‘Dat is ook een symptoom van alzheimer’, zegt Gospodinov. ‘Dat je geen plannen meer kunt maken voor de toekomst.’ Het weemoedige gevoel van een toekomst die door je vingers glipt, loopt als een rode draad door zijn werk, zoals in zijn eerdere roman De wetten van de melancholie.
De schrijver haalt vaak speels een artikel van The Economist uit 2010 aan, dat Bulgarije tot de ‘droevigste plek ter wereld’ bestempelde. Gospodinov probeert het Bulgaarse woord tuga uit te leggen, een weemoed van gemiste kansen. ‘Het is een gevoel dat de wereld onbereikbaar voor je is. Dat je ergens anders wilt zijn, maar dat er nooit iets gebeurt. Het is een nostalgie naar iets wat had kunnen zijn.’
Dit gevoel blijft niet beperkt tot Bulgarije, maar verspreidt zich over de wereld, schreef u tien jaar geleden al.
‘De wetten van de melancholie kwam uit rond de economische crisis van 2008. Later wijdde ik er een essay aan, Onzichtbare crises. Ik besefte dat het niet alleen een financiële crisis was. Daarop volgde een existentiële crisis, een tekort aan betekenis. Het idee dat de toekomst afgesloten, onbereikbaar is. Dat zit ook in dit boek. Dit gevoel is alleen maar sterker geworden.’
We zijn bang voor de toekomst, schrijft u. Tegelijkertijd koestert u een diep wantrouwen tegen ‘grote verhalen’ als antwoord daarop, tegen ideologie. U pleit voor kleine, persoonlijke verhalen. Waarom zijn die zo belangrijk?
‘Ik groeide op onder het communisme, daarvan herinner ik me de nadruk op het monumentale. We moesten de grootste monumenten hebben, over de grootse geschiedenis van de Communistische Partij. Ook voor het populisme en nationalisme is het monumentale belangrijk. Om een voorbeeld te geven: vorig jaar hesen wij, de Bulgaren, ‘de grootste vlag van de Balkan’ op een berg.
‘Maar je kunt de wereld niet verklaren aan de hand van grote verhalen. Of dat nu ideologie is, of prestigieuze wetenschappelijke domeinen als politiek of economie. Ook dat zijn ‘grote verhalen’ die pogen de wereld uit te leggen. Maar we zijn niet gemaakt van politiek of economie. Hoe analyseer je hopeloosheid? Hoe bereken je melancholie? Hoe meet je het gevoel dat de toekomst niet meer bestaat?
‘Ik hoop dat we vroeg of laat leren hoe belangrijk het persoonlijke is, dat we leren van literatuur, van verhalen en herinneringen. Literatuur kan op die manier een tegengif zijn. Het is namelijk niet makkelijk om persoonlijke verhalen te manipuleren, maar vrij eenvoudig om collectieve verhalen te manipuleren.’
Wanneer de verteller in Schuilplaats voor andere tijden terugkeert naar Bulgarije om te zien hoe het referendum daar uitpakt, belandt hij tussen strijdende facties: de ene wil terugkeren naar het communisme, de andere naar de tijd van de ‘Bulgaarse Nationale Wederopleving’ in de 19de eeuw, waarin het Bulgaarse nationalisme zijn wortels heeft. In een groteske scène hijsen drones de grootste Bulgaarse vlag ooit de lucht in, maar een aanwezige schiet een drone neer met een antiek geweer. De vlag stort op de menigte, de mensen happen naar adem – ze stikken in hun eigen nationalisme.
Ons gesprek is wat ernstig, je zou bijna vergeten dat u serieuze zaken vaak met een flinke dosis humor aanvliegt.
Gospodinov lacht. ‘Je kunt niet overleven in Bulgarije zonder humor. Maar het is niet humor slechts omwille van de humor. Je kunt ernstige dingen op verschillende manieren vertellen. Je kunt grappig zijn en ironie gebruiken, maar nog steeds iets heel serieus zeggen.
‘Wat ik leuk vind aan Bulgarije, is dat er een gevoel voor zelfspot zit in onze manier van verhalen vertellen. Wanneer je dat kwijtraakt, persoonlijk of maatschappelijk, dan komt het nationalisme tevoorschijn.
‘Wat is het gevaarlijkst voor nationalisme? Daar moest ik aan denken toen ik die passage met de vlag schreef. Ironie! Zelfspot! Je kunt laten zien: kijk, wat je nu doet met die vlag is een beetje kitscherig en een beetje dom. Ik houd van mijn land, als jij er ook van houdt, doe dan niet van die kitscherige dingen.’
Hoe kunnen verhalen hierbij helpen? Bieden ze ook hoop, zoals het verhaal over uw overgrootmoeder?
‘Ik probeer altijd hoop te bieden, ik ben geen schrijver zoals Dostojevski, die je elke pagina een dreun verkoopt. Er moet troost in zitten. Boeken staan aan de andere kant van kitsch, aan de andere kant van snelheid en makkelijke grote verhalen.
‘We moeten terug naar de vertraging die boeken ons bieden. Propaganda werkt met snelheid. Boeken zeggen: het leven zit ingewikkelder in elkaar. Denk een beetje na, laten we elkaar verhalen vertellen. Daarom houd ik zo van Sjeherazade.’
Sjeherazade is de verteller van Duizend-en-één-nacht. De vorst Sjahriaar betrapt zijn echtgenote op overspel en vermoordt haar. De waanzinnig geworden man neemt voor elke nacht een nieuwe bruid, die hij voor de ochtend vermoordt. Als Sjeherazade bij hem komt, vertelt ze hem een verhaal, elke keer zo spannend dat hij haar laat leven om de volgende nacht verder te vertellen.
‘Sjahriaar, de vrouwendoder, luistert naar haar verhalen en ontdekt dat de wereld groter is dan de ontrouw van zijn echtgenote, dan zijn verdriet, dat hij niet als enige ongelukkig is. Ideologie werkt met ontevredenheid: het idee dat je een slachtoffer bent, dat iedereen een vijand is. Er is denk ik een onzichtbare strijd tussen literatuur en empathie enerzijds en propaganda anderzijds.’
Hoe ziet u eigenlijk de toekomst voor zich?
‘Ik vrees dat het een luxe is geworden om te praten over de toekomst in termen van jaren. Ik vroeg mijn dochter laatst waar ze over vijf jaar denkt te zijn. Dat vond ze een vreemde vraag. Wie weet hoe de wereld er dan uitziet? Het perspectief is verdwenen en dat is gevaarlijk.
‘De toekomst voor je zien, vooruitgaan in plaats van teruggaan, is hard werken. Toch is het nodig. Eigenlijk zouden we, net als Sjeherazade, de toekomst elke dag opnieuw voor ons moeten winnen. Door een verhaal te vertellen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant