Home

Voor een Groot-Jeruzalem moet alles wijken: van Palestijnse families tot werelderfgoed

Het door Unesco beschermde ‘Land van olijven en wijngaarden’ op de Westelijke Jordaanoever is in gevaar. Israël wil een nederzetting bouwen op een eeuwenoud irrigatiesysteem, ten koste van de Palestijnse families die er al generaties wonen.

Met een schoffel verwijdert Mohammed, inwoner van het Palestijnse dorp Battir, de steen die een gat in de zijwand van het irrigatiekanaaltje blokkeert. Daarna veegt hij wat modder, takjes en kiezels bij elkaar, zodat het mengsel een provisorische dam vormt, net voorbij het gat. Door de aftakking stroomt het water uit het kanaal nu linksaf, door het gat, en vloeit vrijelijk over de achtergelegen tuinbouwgrond, waar fruitbomen, groenten en andere gewassen het vocht gulzig opzuigen.

‘Het is onze beurt’, zegt de tanige vijftiger, terwijl hij vergenoegd toekijkt hoe de waterstroompjes zich meanderend een weg banen over het groene terras. Hij verwijst daarmee naar zijn uitgebreide familie, een van de acht clans in Battir die de landbouwgrond rond het dorp bezitten en bewerken. Elke dag mag een andere familie de sluizen naar haar grond openzetten. ‘Eén dag, dat is precies genoeg’, zegt Mohammed. ‘Niet te veel water, niet te weinig.’ In Battir luidt daarom een oud gezegde: ‘Een week telt acht dagen.’

‘Oud’ betekent in dit geval echt heel oud. Het irrigatiesysteem van Battir werd zo’n tweeduizend jaar geleden aangelegd, het stamt uit de Romeinse tijd. Langs de heuvels werden terrassen gecreëerd; gestapelde stenen vormen rechtopstaande wanden. In het terraslandschap werd vervolgens een fijnmazig vertakt labyrint van irrigatiekanalen gevormd. Elk kanaal is zo’n 20 centimeter breed. Het water komt uit zeven bronnen boven in de heuvels; door het hoogteverschil stroomt het naar beneden.

Erfgoed in gevaar

Zo gaat het hier al eeuwen, met collectief beheer van het prachtige landschap door de families van Battir. Het is een uniek systeem, dat tien jaar geleden eindelijk op waarde werd geschat door Unesco. Op aanbeveling van Palestina, dat in 2011 was toegetreden tot de VN-organisatie, werden de terrassen in en rond Battir op de Werelderfgoedlijst geplaatst, onder de naam ‘Land van olijven en wijngaarden – cultureel landschap van Zuid-Jeruzalem, Battir’.

Het erfgoed is echter in gevaar. De Israëlische regering maakte begin augustus bekend in Battir een nieuwe nederzetting te gaan bouwen, midden in het beschermde landschap. Bewoners en activisten, zowel Israëliërs als Palestijnen, zien het met lede ogen aan. De nederzetting, Nahal Heletz genaamd, zal volgens hen ernstige schade toebrengen aan het eeuwenoude irrigatiestelsel en aan de traditionele wijze van beheer door de gemeenschap van Battir. Vermoedelijk betreft het een schending van het Werelderfgoedverdrag van de VN.

Bovendien draagt het plan bij aan de versnippering van Palestijns grondgebied en aan de sluipende uitbreiding van Groot-Jeruzalem tot één aaneengesloten Israëlische metropool, met zo veel mogelijk Joden en zo weinig mogelijk Palestijnen. Met de bouw van Nahal Heletz, zo schrijft de Israëlische organisatie Vrede Nu, ‘wordt beoogd de band tussen Battir en nabijgelegen dorpen met de Palestijnse stad Bethlehem te verbreken en ze tot een enclave binnen Israëlisch grondgebied te maken. Zo wordt oprichting van een Palestijnse staat onmogelijk gemaakt.’

Het plan werd opgesteld door de extreemrechtse minister van Financiën Bezalel Smotrich, die ook het beheer van de Joodse nederzettingen in zijn portefeuille heeft. De bouw van Nahal Heletz en vier andere nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever werd gepresenteerd als vergeldingsmaatregel voor het erkennen van de staat Palestina door negen landen, waaronder Spanje, Ierland en Noorwegen.

Veiligheidsmuur

Het is niet voor het eerst dat Battir gevaar loopt. Al in 2014 zette Unesco het landschap op de lijst van bedreigd werelderfgoed. Dat was omdat Israël de zogeheten Veiligheidsmuur op de Westoever dwars door het gebied wilde laten lopen. Het Israëlische Hooggerechtshof stak daar een stokje voor. Of zoiets opnieuw kan gebeuren is niet duidelijk. Israël heeft zich in 2019 uit Unesco teruggetrokken.

In cultuurhistorische zin staat er veel op het spel. Unesco heeft zijn zorgen uitgesproken. ‘Battir is een belangrijk landschap’, aldus Unesco. ‘Een uitstekend voorbeeld van technologische expertise en traditioneel landgebruik, representatief voor vele eeuwen van cultuur en menselijke interactie met de omgeving’, dankzij een ‘oud egalitair distributiesysteem’. Wat de boeren nog altijd beoefenen is ‘een van de oudste landbouwmethoden die de mensheid kent’.

Maar ook nu al, terwijl de eerste spade van Nahal Heletz nog de grond in moet, hebben de inwoners van Battir last van de oprukkende Israëlische aanwezigheid. Zoals op veel plekken op de Westoever hebben zich ook hier enkele illegale buitenposten gevestigd. Jonge kolonisten zetten op een dag wat caravans neer, bouwen een paar huisjes en schuren, en zoetjesaan richten ze een heus dorp in, de voorbode van wat later vaak een officiële nederzetting wordt.

Het is tegen de wet, maar het wordt oogluikend toegestaan. Sterker, de buitenposten worden aangemoedigd en materieel gesteund door de regering-Netanyahu, zeker nu de extreemrechtse ministers Smotrich en Itamar Ben-Gvir (Nationale Veiligheid) het feitelijk voor het zeggen hebben op de Westoever. Sinds 7 oktober vorig jaar gedragen de jonge kolonisten zich steeds brutaler en agressiever, niet zelden met rugdekking van leger en politie.

Buitenposten

‘Nu de buitenposten er zijn, moeten we het leger toestemming vragen om onze landerijen te betreden’, zegt Mohammed. ‘Naar de olijfboomgaarden moeten we minstens twee keer per jaar, om te oogsten en om te ploegen. Vaak blijft die toestemming uit. Sinds 7 oktober krijgen we steeds te horen dat de veiligheid in het geding is.’

Dit terwijl de inkomens in het 5.500 inwoners tellende Battir toch al fors zijn gedaald. Sinds vorig jaar zijn bijna alle werkvergunningen ingetrokken van Palestijnen die in Israël (veelal het naburige Jeruzalem) werkten. ‘Zo’n vierduizend man zitten thuis’, zegt Nasry Shamy (48), beheerder van het Humanity Café, een sjofele uitspanning onder een houten afdak. ‘Niet meer dan honderd mensen hebben nog werk in Israël.’

Bovendien is door de spanning rond de oorlog in Gaza het toerisme drooggevallen. Niet alleen het terrassenlandschap loont de moeite van een bezoek aan het oude stadje, gelegen pal aan de Israëlische grens. Zo is er een Romeins badhuis waarin het water nog net zo klatert als in het wijnjaar nul. Of het jaarlijkse Auberginefestival, dat deze zomer helaas niet doorging.

Protest

Ook aan de oostelijke rand van het erfgoedgebied, bij het stadje Beit Jala, rukken de kolonisten op. Daarvan getuigt de Palestijnse familie Kisiya. Die bivakkeert uit protest al wekenlang in een tent aan de rand van Beit Jala, met uitzicht op de Israëlische muur, hun boomgaarden in de Makhrurvallei en het door Unesco beschermde landschap, waarvan hun landerijen onderdeel zijn.

Begin augustus, nadat minister Smotrich het plan voor de nieuwe nederzetting had bekendgemaakt, werd hun landgoed door het Israëlische leger afgezet met rood tape, zegt Alice Kisiya (30), die met haar ouders en broer Jad het protestkampje opzette, met steun van Israëlische mensenrechtenactivisten. ‘Daarna mochten we er niet meer op.’

Wie er wél op mochten, waren jonge Joodse kolonisten, die er sindsdien overnachten. ‘Het zijn tieners uit probleemgezinnen, die hierheen worden gestuurd om problemen te maken. Ze ruiken naar wodka’, zegt Alice. Een bewering die niet gecontroleerd kan worden, want de jongens weigeren naar het hek te komen om met de Volkskrant te praten.

Wel naar het hek komt een officier van het leger. Anoniem wil hij wel vertellen hoe het zit. ‘Er is een geschil over de eigendom van het land. De rechter heeft de familie Kisiya in het ongelijk gesteld. De jongens zijn hier om de boel in de gaten te houden, zodat er niets gestolen wordt.’ Bovendien, zegt hij, is het terrein ‘gesloten militair gebied’; niemand mag er komen. Waarom dat niet geldt voor de jongens, wordt niet duidelijk.

Claim

Aan het huidige conflict gingen voor de familie jaren van gedoe vooraf. Sinds het jaar 2000 werd hun huis in de Makhrurvallei tweemaal afgebroken, net als het restaurant van vader Kisiya. Enkele jaren geleden kwam het Joods Nationaal Fonds (JNF) met de claim de ware eigenaar te zijn van het perceel van de familie. Het JNF is de zionistische organisatie die al sinds 1901 – met veel succes – probeert zo veel mogelijk land in het Bijbelse Israël op te kopen of anderszins in handen te krijgen.

Vorig jaar deed de rechter uitspraak in het geschil. ‘Wij kregen gelijk’, zegt Alice. ‘De rechter stelde vast dat onze eigendomspapieren authentiek zijn.’ Een grote kopie van het document staat ostentatief naast de ingang van de tent. Activisten die het rechterlijk bevel inzagen, menen echter dat die interpretatie niet klopt: de authenticiteit zou juist niet zijn bevestigd. Onmin tussen activisten en familie was het gevolg.

Hoe dan ook, een voor Palestijnen negatief besluit van de rechter past in het gangbare beeld. Palestijnen trekken in de juridische arena meestal aan het kortste eind. Dat de Kisiya’s christelijke Palestijnen zijn, net als de meeste inwoners van Beit Jala en het aangrenzende Bethlehem, doet daar niets aan af.

‘Er zijn veel van dergelijke procedures’, zegt Aviv Tatarsky, onderzoeker van de Israëlische ngo Ir Amim. ‘Meestal worden de eigendomsrechten van de Palestijnen niet erkend, omdat de rechters nu eenmaal volgens het Israëlische systeem werken, ze zijn onderdeel van het systeem. En het wordt erger, als gevolg van het politieke klimaat. Bescherming die het Hooggerechtshof vijf jaar geleden misschien nog gaf, wordt vandaag de dag niet meer gegeven.’

De locatie van de beoogde nederzetting is volgens Tatarsky een ‘strategisch gebied’, omdat het naadloos past in het Israëlisch ideaal van een Groot-Jeruzalem. Nahal Heletz verbindt de stad aan de zuidrand met Gush Etzion, een cluster van twintig nederzettingen met voor zionisten grote ideologische waarde. In de oorlog van 1948 leden Israëlische troepen er een smadelijke nederlaag tegen het Jordaanse leger. Na de Zesdaagse Oorlog van 1967 waren kolonisten er als de kippen bij om de grond weer in bezit te nemen. Het heropbouwen van Kfar Etzion (de kern van het cluster) geldt als het begin van de nederzettingenbeweging op de Westoever.

Annexatie

Die beweging heeft sindsdien een hoge vlucht genomen. Zozeer, dat volgens het Internationaal Gerechtshof inmiddels sprake is van feitelijke annexatie. Het gaat om ‘aanzienlijke stukken land die eigenlijk privébezit zijn, maar door Israël tot ‘staatsgrond’ worden bestempeld op grond van een selectieve interpretatie van de wet’, aldus het hof in zijn uitspraak van 19 juli over de politiek van Israël in bezet Palestijns gebied.

Ook in Battir blijven de gevolgen niet beperkt tot louter het terrein van de nederzetting. De hele omgeving wordt geschaad, volgens Tatarsky, al was het maar omdat de bewegingsvrijheid van de Palestijnse buren wordt beperkt. Er komen militaire controleposten en sommige wegen zullen worden gereserveerd voor kolonisten. Het dorp Battir dreigt zo goed als geheel omringd te worden door nederzettingen en de Israëlische grens.

‘En zelfs al is het geen Palestijns privéland, dan nog kun je daar geen nederzetting bouwen’, zegt de onderzoeker. ‘Het is in strijd met het internationaal recht. Het land behoort aan de lokale Palestijnse gemeenschappen. Het ligt vlak bij het dorp, rondom is veel landbouw. De toekomst van Battir staat op het spel. En tóch wordt besloten er iets nieuws te bouwen voor Israëliërs. Het slaat nergens op, tenzij je denkt in termen van apartheid.’

Over de auteur
Rob Vreeken is correspondent in Istanbul voor de Volkskrant. Hij schrijft over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden. Voorheen specialiseerde hij zich op de buitenlandredactie in mensenrechten en het Midden-Oosten.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next