Dieren, planten en bomen krijgen alle ruimte op een voormalig fabrieksterrein in Nijmegen. Goed voor de biodiversiteit, zeggen de stadsecologen, maar ‘rewilden’ vereist wel een andere houding tegenover de natuur. ‘Laat het allemaal gebeuren.’
Op het Nyma-terrein in Nijmegen wijst Kelvin Klaassen (31) naar een gebouw in verval. ‘Op het dak daar zijn berken gegroeid. Die bomen overleven alles, maar worden niet hoger dan 2 meter doordat het in de zomer te warm is en in de winter te koud.’
Elke eerste woensdag van de maand geven ecologen Klaassen en Jos Rademakers een rondleiding over het voormalige industriegebied aan de rivier de Waal, dat naast zijn nieuwe functie als dynamische ‘urban hub’ met kleine, creatieve bedrijven (een keramist, een brouwerij, een houtdraaier), ook ruimte moet bieden aan de natuur.
Rademakers (61) heeft de taak om die ruimte voor de natuur vorm te geven op het terrein. Dat doet hij door te ‘rewilden’. ‘Het hele idee is de verrassing van de natuur te accepteren en ruimte geven aan wat er gebeurt.’
Over de auteur
Yassin Boutayeb is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Paradoxaal genoeg bestaat het werk van de twee ecologen vooral uit ‘niets doen’. Rewilden vraagt er namelijk om de natuur juist níet te beheren. Het duo is vooral bezig die natuurlijke ontwikkelingen in goede banen te leiden. ‘In de betonnen grond hebben we gaten gemaakt waar planten hun gang kunnen gaan.’
Rademakers en Klaassen willen het gebouw teruggeven aan de natuur en er een ‘ecologische ruïne’ van maken. Dat vereist wel een andere aanpak van de gemeente. ‘Normaal zoekt die naar een exploitant voor leegstaande gebouwen’, zegt Rademakers. ‘Maar stadsontwikkeling en natuurontwikkeling gaan met elkaar samen.’
Rewildingprojecten schieten niet als paddenstoelen uit de grond, maar worden wel steeds populairder. Zo loopt er in Rotterdam een project onder de Brienenoordbrug, waar wilde fruitbomen groeien en veel vogelsoorten voorkomen. En voor Schiphol ligt er een plan om via rewilding de luchthaven ‘toekomstbestendig te maken’.
Kees Vink, bijzonder hoogleraar stadsecologie aan de Erasmus Universiteit, denkt dat rewilden in de toekomst een belangrijke rol krijgt in steden. Dat vereist wel een andere blik op groen, zegt hij. ‘Je ziet bijvoorbeeld dat parken in Rotterdam strak beheerd worden. Als je daarmee stopt, kun je er minder makkelijk doorheen lopen.’
De publieke opinie speelt ook mee. Onbeheerde begroeiing geeft misschien een rommelige, minder schone indruk dan een strak bijgehouden park, maar dat is onterecht. ‘Een onbeheerd stukje grond trekt bijvoorbeeld geen ratten aan, maar parken wel, door al het eten dat we daar achterlaten.’
Vink stelt dat ook bewoners met ‘heel simpele’ maatregelen iets voor de biodiversiteit kunnen betekenen. ‘Leg bijvoorbeeld een vijvertje van anderhalve meter aan, en je hebt binnen twee maanden een heel nieuw ecosysteem in je tuin.’
In Nijmegen stoppen Rademakers en Klaassen om de paar passen om te vertellen wat ze zien. ‘Kijk, dit is een hertshoorn.’ Rademakers wijst naar de grond. ‘Een plantensoort die zoutbestendig is en normaal alleen in de kustgebieden voorkomt.’
De kleine plant, die wat weg heeft van wat in de volksmond onkruid zou heten, is meegekomen met het strooizout dat in de winter wordt gebruikt. ‘Wij hebben tegen de gemeente gezegd: laat het allemaal gebeuren.’
Als ecoloog gaat Rademakers ook regelmatig met de gemeente in gesprek hoe de natuur een grotere rol kan krijgen in de bestemmingsplannen van gebouwen en gebieden. ‘Het vereist een mind shift. Je zegt niet: de mens is slecht en maakt de natuur kapot. Maar wel: we kunnen als mens ook veel opbouwen en genereren.’
Even verderop pakt Klaassen zijn verrekijker en richt die naar het dak van een lokale koffiebrander. ‘Een grasmus! Dat is uniek. Die komen normaal niet voor in steden.’ Klaassen weet meteen dat het een mannetje is. ‘Hij is duidelijk aan het zoeken naar eten of naar een goede plek voor een nestje.’
Samen met Rademakers is Klaassen bezig met het monitoren van nieuwe diersoorten die op het terrein een woonbestemming vinden. Om planten en dieren de ruimte te geven, hoeven er niet altijd ‘ingewikkelde maatregelen’ genomen te worden, zeggen de twee ecologen.
Boomstammen neerleggen, bijvoorbeeld. ‘Dood hout is essentieel voor bijen en voor de bodemontwikkeling.’ De gemeente bleek regelmatig gekapte bomen over te houden, die nu bij het Nyma-terrein worden geleverd.
Rademakers: ‘Je moet de buitenruimte net zo beschouwen als de economische activiteiten van de mensen in de binnenruimte: dynamisch en vrij.’
Dat idee botst af en toe met de lokale ondernemers. De twee voeren soms nog ‘moeilijke gesprekken’ met de bedrijven. Voor de ecologen kan het namelijk niet groen genoeg zijn, maar ze begrijpen ook dat niet iedereen die passie deelt. ‘Het idee is wel dat dit een natuurgebied is, en dat weten de mensen die hier komen huren ook. Eigenlijk willen we terug naar hoe het eruitzag voordat er mensen kwamen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant