Praten lucht niet altijd op. Het overmatig bespreken van zorgen kan psychische problemen ook vergroten. In Rotterdam loopt het eerste grootschalige Nederlandse onderzoek naar ‘co-rumineren’ onder meiden – vooral zij doen dat relatief veel.
Als de stress haar te veel wordt, lucht Josien (14) haar hart bij Laura (14). De twee vriendinnen uit Bleiswijk zitten in dezelfde 3 vwo-klas. Ze fietsen samen naar school. 8 kilometer om het leven door te nemen. Ze bespreken wat ze gedaan hebben in het weekend, hoe de korfbalwedstrijd ging – ook dat doen ze samen – maar dus ook: die stress.
Josien wil hoge cijfers halen. Minimaal een 8 of een 9 en voor sommige vakken altijd een 10. Ze heeft ‘best wel faalangst’, zegt ze. Dat leidt tot stress, soms ‘best wel heel veel stress’.
De twee vriendinnen doen mee aan een onderzoek naar tienervriendschappen door de Hogeschool Rotterdam. Specifieker: naar de manier waarop beste vriendinnen (tussen de 13 en 15 jaar) met elkaar praten. Over leuke dingen, maar vooral ook over moeilijke en verdrietige onderwerpen.
Over de auteur
Kaya Bouma is wetenschapsredacteur voor de Volkskrant. Ze schrijft over de geestelijke gezondheidszorg, psyche, brein en gedrag.
Het is het eerste grootschalige onderzoek in Nederland naar wat wetenschappers ‘co-rumineren’ noemen: het excessief bespreken van zorgen, problemen en negatieve emoties zoals angst, woede of somberheid binnen een vriendschap. Kort door de bocht: samen piekeren. Vooral meiden en vrouwen doen dat relatief veel.
En hoewel onderzoek aantoont dat co-rumineren (letterlijk: samen herkauwen) positieve effecten heeft – het leidt bijvoorbeeld tot meer emotionele verbondenheid – wordt steeds duidelijker dat er ook risico’s aan kleven. Co-rumineren kan bijdragen aan een verminderde mentale gezondheid omdat problemen en zorgen centraal komen te staan.
Praten lucht op, beloven goedbedoelde overheidscampagnes jongeren – maar in de praktijk lijkt dat niet altijd op te gaan. Je kunt elkaar óók de put in praten.
‘Co-rumineren kan een voedingsbodem leggen voor depressieve symptomen, angstklachten en andere psychische stoornissen’, zegt Patricia Vuijk. ‘En hoe jonger iemand dat soort klachten ontwikkelt, hoe groter de kans dat ze er later in haar leven weer last van krijgt.’
Vuijk is lector meisjes en mentaal welbevinden aan de Hogeschool Rotterdam, ze leidt het onderzoek naar co-rumineren. Het onderwerp is extra relevant nu steeds duidelijker wordt dat de mentale gezondheid van meiden de afgelopen jaren is verslechterd.
Meisjes piekeren vaker, zijn sneller angstig en voelen zich vaker ongelukkig dan zo’n vijf jaar geleden. Daar blijft het niet bij: op de spoedeisende hulp komen steeds vaker tienermeisjes en jonge vrouwen (tot 30 jaar) die zichzelf ernstig hebben verwond of een poging tot suïcide deden. Het aantal meiden en jonge vrouwen dat vanwege ‘zelf toegebracht letsel’ werd opgenomen op de eerste hulp, steeg in tien jaar tijd met bijna 50 procent.
Hoe dat komt, is niet zeker. Onderzoekers wijzen op de prestatiemaatschappij – (vooral) meisjes ervaren steeds meer druk van schoolwerk, maar ook op de nadelige effecten van sociale media. Grote maatschappelijke kwesties zoals de krappe woningmarkt en zorgen over het klimaat spelen mogelijk ook een rol.
Het feit dat meiden meer dan jongens geneigd zijn te co-rumineren, zou weleens een zelfversterkend effect kunnen hebben, zegt Gonneke Stevens, hoogleraar jongerenwelzijn aan de Universiteit Utrecht. Meisjes die meer stress ervaren of zich somber voelen, praten daar vermoedelijk vaker over met vriendinnen, met als gevolg dat er nog meer nadruk komt op negatieve emoties.
‘Je kunt je er veel bij voorstellen, maar hoe het precies zit, weten we nog niet’, zegt Stevens, die projectleider is van een grootschalig onderzoek naar het welzijn van jongeren dat wereldwijd elke vier jaar wordt gedaan (HBSC). Co-rumineren staat op haar wensenlijstje om in de volgende onderzoeksronde, in 2025, mee te nemen.
Niet alleen tienermeisjes co-rumineren, ook jongens (en mannen) doen het, maar gemiddeld genomen zijn meiden (en vrouwen, tot op hoge leeftijd) er meer toe geneigd.
Vuijk: ‘Zowel meisjes als jongens zoeken verbondenheid in vriendschappen. Maar jongens doen dat over het algemeen eerder door samen dingen te doen, meisjes zijn meer geneigd tot samen piekeren en zelfonthulling.’
Draait een vriendschap van kinderen in de basisschoolleeftijd nog om samen spelen, zodra meisjes naar de middelbare school gaan voelen ze ‘de intense behoefte elkaar beter te leren kennen’, zegt de onderzoeker. ‘Ze zijn heel nieuwsgierig naar allerlei aspecten van elkaars leven.’
Als die gesprekken goed verlopen, beginnen meiden met zelfonthulling. ‘Ze gaan over intieme zaken praten, delen dingen exclusief met elkaar.’ In het begin ervaren vriendinnen dat vaak alleen als positief, zegt Vuijk. ‘Meisjes leven zich in elkaar in. Ze stemmen zich op elkaar af.’
Dat is zelfs terug te zien in hun uiterlijk, ziet ze in de praktijk. ‘Vriendinnen die mee doen aan ons onderzoek lijken soms tweelingen, ze dragen dezelfde kleren, doen hun haar hetzelfde.’
Het wordt problematisch als de focus in een vriendschap te veel komt te liggen op ‘intense thematieken en onplezierige emoties’, zegt Vuijk. Vrolijke of opbouwende gespreksonderwerpen worden daardoor verdrongen, net als samen iets leuks ondernemen.
Het kan er ook toe leiden dat een vriendschap wordt verbroken. ‘Bijvoorbeeld als een van de twee vriendinnen heel onzeker is en bij alles bevestiging of advies nodig heeft van haar vriendin.’
Niet alle vriendinnen co-rumineren er op los: de één is er van nature meer toe geneigd dan de ander, zegt Vuijk. ‘We horen van scholen dat meiden die behoefte om te co-rumineren in elkaar lijken te herkennen, ze zoeken elkaar op.’
Dat praten niet altijd helpt, heeft Josien al ondervonden. Eerder deelde ze haar schoolstress weleens met andere leeftijdsgenoten. ‘Maar dan merkte ik dat zij daarna ook steeds hogere cijfers wilden halen.’
Haar stress sloeg soms over, merkte ze. Op school begonnen ze elkaar op te jutten. Laura, die het zag gebeuren: ‘Als we woordjes moesten leren was het van: o, weet jij al zeventig woordjes, ik weet er pas veertig.’ Josien: ‘Ik denk we elkaar soms negatief versterkten.’
En dus bespreekt ze haar zorgen nu alleen nog met Laura, die zich minder druk maakt om school. ‘Een 7 is eigenlijk ook een heel mooi cijfer.’ Bovendien heeft Laura van nature meer overzicht, zeggen de twee vriendinnen. ‘Dan zeg ik tegen Josien: je moet gewoon dit en dat leren vanmiddag en daarna iets leuks gaan doen.’
Belangrijke nuance: vriendschappen zijn op zichzelf goed voor de mentale gezondheid, juist ook bij tieners. ‘Sociale relaties zijn een basisbehoefte’, zegt Lisa Schreuders, die als universitair docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Leiden onderzoek doet naar jongerenvriendschappen. ‘Mensen die minder goede vriendschappen hebben of een beperkt sociaal netwerk, hebben een verhoogd risico op psychische problemen.’
Co-rumineren heeft ook positieve kanten, blijkt uit onderzoek. ‘Het leidt er bijvoorbeeld toe dat jongeren elkaar meer vertrouwen’, zegt hoogleraar Stevens.
Nog een kanttekening: co-rumineren is nog relatief onontgonnen onderzoeksterrein. Het fenomeen wordt pas sinds begin deze eeuw onderzocht. Er zijn dan ook nog veel openliggende vragen. Zo is bijvoorbeeld nog niet zeker waar precies het kantelpunt ligt: wanneer is het effect van co-rumineren positief en wanneer zijn de gevolgen negatief?
Het is een van de vragen waar lector Vuijk een antwoord op hoopt te vinden. Ze wil 160 vriendinnenkoppels zoals Laura en Josien uit heel het land onderzoeken. Met vragenlijsten, maar ook door ze problemen met elkaar te laten bespreken voor een webcam. Die beelden zal een onderzoeker vervolgens analyseren.
Vuijk: ‘We weten al uit eerder onderzoek dat co-rumineren uit verschillende componenten bestaat. Het herkauwen van onplezierige thematieken bijvoorbeeld: meiden kunnen eindeloos praten over iets vervelends dat op school is gebeurd, de leraar deed dit en toen deed hij dat.’
Nog zo’n component: speculeren over onplezierige thema’s. ‘Dat is als meiden bijvoorbeeld samen proberen te begrijpen waarom iets vervelends gebeurt. Waarom wil die ene vriendin niet meer meefietsen naar school?’
Zulke gesprekken kunnen zinvol zijn, zegt Vuijk. ‘Het versterkt de vriendschap, meisjes voelen zich meer verbonden, ze ervaren meer intimiteit.’ Het problematische aspect van co-rumineren is, vermoedelijk, ‘de fixatie op onplezierige emoties’, zegt Vuijk. Als gesprekken meer en meer gaan over nare gevoelens.
Vooral meiden en vrouwen hebben de neiging om over negatieve gevoelens te praten in de hoop dat die gevoelens daarmee verdwijnen, aldus Vuijk. Maar in de praktijk werkt dat vaak averechts.
‘Na zo’n gesprek is het vervelende gevoel meestal niet weg. Meiden reageren ook fysiologisch op co-rumineren. Dat weten we uit onderzoek waarbij onder andere bloeddruk en hartslag van vriendenkoppels werd gemeten tijdens het voeren van moeilijke gesprekken. Het maakt ze onrustig.’
Als gesprekken binnen een vriendschap meer en meer draaien om nare gevoelens, kan dat ertoe leiden dat het zenuwstelsel minder goed functioneert en het lichaam minder goed tot rust komt, zegt Vuijk. ‘Waardoor we meer stress gaan ervaren, in plaats van minder.’
Dat meiden desondanks blijven co-rumineren, is vermoedelijk omdat ze dit soort negatieve aspecten minder onthouden, zegt hoogleraar Stevens. ‘Meiden denken achteraf vooral: we hebben elkaar gesteund, dat is belangrijk.’
Daar komt bij, zegt Vuijk, dat jongeren voortdurend worden aangemoedigd met elkaar in gesprek te gaan. Ze waarschuwt al langer voor de risico’s van overheidscampagnes die jongeren aansporen om over hun mentale klachten te praten. Voor meiden kan dat negatief uitpakken, zegt ze.
Vuijk: ‘Ik ben niet per se tegen dit soort campagnes, sommige jongens en mannen zouden best wat vaker over hun problemen mogen praten, maar denk goed na over de manier waarop.’
Het ministerie van VWS heeft zijn meest recente ‘Hey, het is oké’-campagne aangepast naar aanleiding van die kritiek, laat een woordvoerder weten. Die is nu ‘positief ingestoken’: ‘Met ervaringsverhalen geven we voorbeelden van personen die op eigen kracht meer weerbaar zijn geworden door middel van concrete gesprekstips.’
Het zou helpen als er meer bekendheid komt over de nadelen van co-rumineren, zegt hoogleraar Stevens. Wetenschappelijk doortimmerde oplossingen bestaan nog niet.
Vuijk onderzoekt of een training gebaseerd op onder andere mindfulness kan helpen. Voor Laura en Josien is het nog niet zover. De twee vriendinnen zijn pas net begonnen aan het onderzoek.
Zelf ontwikkelden ze al wel hun eigen methode om de stress te temmen: korfbal. Laura: ‘Dan gaan we uit school eerst even samen schieten.’ Helemaal onbekommerd is ook dat niet. ‘Als ik sport, vind ik het niet erg dat ik niet aan m’n huiswerk zit’, zegt Josien. ‘Want dan weet ik dat ik toch productief bezig ben.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant