Hvaldimir, de ‘spionagewalvis’ die sinds 2019 langs de Noorse kust zwom, werd eerder deze maand dood gevonden. Het gebruik van spionerende zeezoogdieren gaat terug tot de Eerste Wereldoorlog.
In het water bij het Noorse eilandje Ingøya zwom in het voorjaar van 2019 een onverwachte bezoeker. Een spierwitte beloega benaderde binnen een paar dagen een aantal vissersboten. Dat was opvallend. Ingøya ligt ter hoogte van de Noordkaap, maar beloega’s (Delphinapterus leucas), een arctische dolfijnensoort die tot 5 meter lang wordt en van nature vrij nieuwsgierig is, leven normaal gesproken veel verder naar het noorden.
Nog gekker: het dier droeg om zijn romp een tuigje van nylon bandmateriaal, mogelijk bedoeld om een camera aan vast te maken. Op een gesp van het tuigje stond een Russisch opschrift.
In deze serie duikt de Volkskrant in de archieven op zoek naar verhalen met een parallel met het heden.
Het dier was waarschijnlijk ontsnapt uit een marine-installatie bij Moermansk. Of mogelijk was het uitgezet in Noorse wateren om te spioneren – het tuigje leek geschikt voor het monteren van een action cam. De beloega leek bovendien handig met camera’s. In de zomer van 2019 jatte hij de GoPro van een Noorse kajakker, om die na een paar minuten weer netjes terug te bezorgen. Noorse media doopten het dier Hvaldimir, een samentrekking van het Noorse woord voor walvis (‘hval’) en Vladimir (Poetin). Dat leidde met name in het Verenigd Koninkrijk tot melige krantenkoppen. The Times kwam met ‘The spy who came in from the cold’. Een paar dagen later schreef The Guardian ‘License to krill’.
Toch is het bestaan van militaire programma’s met zeezoogdieren niet echt nieuws. De Amerikaanse marine heeft sinds 1959 het Marine Mammal Program, dat werkt met tuimelaars (Tursiops truncatus, een dolfijnensoort) en Californische zeeleeuwen (Zalophus californianus). De dieren zouden volgens het Amerikaanse ministerie van Defensie binnen 72 uur overal ter wereld inzetbaar zijn, voor het bewaken van schepen, het terugvinden van objecten op de zeebodem en het opsporen van mijnen.
Over de auteur
Ernst Arbouw schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Aan de andere kant van het IJzeren Gordijn had de Sovjet-Unie gedurende de Koude Oorlog een eenheid met getrainde dolfijnen op de Krim. Na de onafhankelijkheid nam Oekraïne het programma over; bij de bezetting van de Krim in 2014 kreeg de Russische marine de dieren in handen. Een ontsnapte beloega stak in 1992 vanaf de Krim de Zwarte Zee over naar de Turkse badplaats Gerze, waar lokale vissers het dier geregeld bijvoederden. Inwoners doopten hem ‘Aydin’ en toen de Oekraïense marine het beestje na een paar maanden kwam ophalen, leidde dat in Gerze tot protest op straat. De liefde bleek wederzijds. Toen Aydin in 1992 voor de tweede keer ontsnapte, zwom hij opnieuw naar Gerze.
De eerste experimenten met zeezoogdieren in militaire dienst stammen uit de Eerste Wereldoorlog. Duitsland voerde tussen 1914 en 1918 een vrij succesvolle onderzeebootoorlog tegen het Verenigd Koninkrijk en de Britten hadden op hun beurt nauwelijks middelen om de U-boten te detecteren. Sonar bestond nog niet en onderwatermicrofoons waren nog betrekkelijk primitief. Ondertussen torpedeerden de Duitsers week na week Britse koopvaardijschepen. In de loop van 1916 begonnen de verliezen op te lopen. In juli torpedeerden de Duitsers bij elkaar 110.757 ton aan geallieerde en neutrale koopvaardijschepen; in oktober was dat meer dan verdrievoudigd tot 352.902 ton; in februari 1918 ging in totaal 500.573 ton verloren.
Na een aantal vruchteloze experimenten met onderzeebootdetectie benaderde de Board of Investigations and Research van de Royal Navy in 1916 Joseph Woodward, een telg uit een circusfamilie die met een zeeleeuwen-act langs theaters trok. Zouden zijn dieren misschien de U-boten van de Kaiser kunnen tegenhouden?
Zo begonnen de eerste proeven. In een zwembad in Westminster, niet ver van de gebouwen van de Admiraliteit, oefenden zeeleeuwen Millicent, Billikin, Queenie en Dorande op het herkennen van onderwatergeluid. Daarna verhuisden de dieren met Woodward (die zichzelf ‘Captain Woodward’ was gaan noemen) naar een meer in Noord-Wales en vervolgens naar de Solent, de zeestraat tussen Portsmouth en Isle of Wight, waar ze experimenteerden met een echte onderzeeër. Het idee was dat de zeeleeuwen het geluid van een passerende U-boot onder water zouden volgen. De dieren werden voorzien van een lange kabel, en door die te volgen, konden marineschepen eenvoudig het gevaar lokaliseren.
Woodwards zeeleeuwen bleken bijzonder goed te reageren op het geluid van onderzeeërs, maar zakten toch voor de test. De dieren zwommen niet snel genoeg, waardoor de testonderzeeër keer op keer kon ontkomen. Belangrijker was dat de vier zeeleeuwenvrouwtjes vooral geïnteresseerd bleken in vis. Ze deserteerden zodra een school kabeljauw voorbijkwam.
In de loop van 1917 staakte de Royal Navy de proeven. Vanaf het moment dat de Verenigde Staten betrokken raakten bij de oorlog, kregen de geallieerden een groter overwicht op zee. Door koopvaardijschepen in konvooien te laten varen, waren ze bovendien makkelijker te beschermen tegen onderzeeërs. Captain Woodward en zijn relatief snel afgeleide zeeleeuwen leken niet meer nodig om zeelieden te beschermen. Woodward keerde terug naar het theater, waar hij zijn act aankondigde als ‘the actual Admiralty U-boat hunting sea-lions’. Op de affiches stond hij afgebeeld in marine-uniform.
Rusland heeft altijd ontkend dat Hvaldimir een spionagewalvis was, en het lijkt onwaarschijnlijk dat zijn ware verhaal ooit boven water komt. Eén bijzonder detail: Noorse onderzoekers constateerden een paar jaar geleden dat Hvaldimir nauwelijks nog tanden had. Dat zou zijn omdat mensen hem stokken en planken gaven om zich mee te vermaken. Opvallend is het wel. De Russisch-Oekraïense beloega Aydin had óók bijna geen tanden meer. Destijds schreven onderzoekers dat zijn gebit mogelijk was bijgevijld om onderwaterexplosieven te kunnen vervoeren.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant