Na een paar extreem droge zomers was dit voorjaar heel nat en de zomer warm. Wat deed dat met de natuur in Nederland? ‘De eerste eikels vielen in augustus al van de bomen.’
Hoe de natuur verandert door klimaat en weersomstandigheden, ondervond bioloog Arnold van Vliet in zijn eigen achtertuin. Daar werden de onderzoeker en zijn gezinsleden meermaals gestoken door de tijgermug, voor het eerst opgedoken in hun woonplaats Ede. Een direct gevolg van klimaatverandering, weet Van Vliet: de exoot rukt op vanuit Azië en zuidelijk Europa. Behalve flinke jeuk kan hij – in onze contreien tot nu toe meer in theorie dan in praktijk – ziektes bezorgen als knokkelkoorts.
Van Vliet lichtte de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in, die het gebied onderzocht waar hij sindsdien dagelijks tijgermuggen aantrof. Daarmee is Ede de 54ste Nederlandse gemeente waar het insect is gevonden.
Over de auteur
Jean-Pierre Geelen is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Temperatuurstijging en het extreem natte voorjaar zijn enkele redenen waardoor de mug zich zo kan verspreiden. Na vijf jaren van extreem droge zomers is 2024 wat het weer betreft opnieuw een bijzonder jaar. Eerst wat harde cijfers.
Tot en met juni is in Nederland (afhankelijk van de plek) twee tot drie keer zoveel regen gevallen als normaal. Juli was opnieuw een kletsnatte maand: gemiddeld viel er volgens Weeronline 109 millimeter regen, terwijl dat normaal gesproken 79 millimeter is. In Enschede viel 209 millimeter, in het noorden van Limburg, in Drenthe en in Friesland viel meer dan 150 millimeter.
De 232 millimeter neerslag was voor de zomer ‘normaal’, al was hier en daar overlast na extreme buien. Tegelijk steeg de temperatuur: vooral door augustus was deze zomer met een gemiddelde temperatuur van 17,8 graden warmer dan de ‘gebruikelijke’ 17,2 graden. Ook telden de drie zomermaanden meer zonuren: rond de 701, waar 656 zonuren gebruikelijk zijn in die periode. Een hittegolf bleef uit, voor het eerst sinds 2011.
Wat deed dat met de natuur? Het is nog te vroeg om de gevolgen gedetailleerd in kaart te krijgen, maar verzamelde waarnemingen en indrukken zijn er al wel. In het algemeen geldt: er zijn altijd ‘winnaars’ die profiteren van ontwikkelingen en er zijn ‘verliezers’. Waarbij moet worden opgemerkt dat sommige effecten niet alleen het gevolg zijn van het weer van dit jaar, maar ook nog de tol zijn van afgelopen jaren met juist extreme droogten.
Zo gedijden dit voorjaar massaal de klaproos, de zachte en de ijle dravik. Niet alleen dankzij de regenval (waardoor zaden konden ontkiemen), maar ook doordat de droogte van eerdere jaren had geleid tot sterfte van andere planten, wat deze kleurrijke profiteurs dit jaar alle ruimte bood.
Arnold van Vliet, geestelijk vader van onder meer het fenologische waarnemingsnetwerk Natuurkalender.nl, ziet vooral vervroeging van natuurverschijnselen optreden. ‘Nog nooit zo’n vroege lente’, berichtte zijn site op 12 mei al. ‘De bloei en bladontplooiing van planten begonnen gemiddeld een maand eerder dan wat vijftig jaar geleden normaal was’, luidde het nieuws. Nooit eerder begon het voorjaar zo vroeg, en dat kwam door de recordhoge temperaturen. Maar ook dreigde in april massale vorstschade.
Vijftig jaar geleden zouden rond half mei de eerste paardenkastanjes, seringen, wilde lijsterbessen, appels en scherpe boterbloemen in bloei zijn gekomen. De eerste beuken en zomereiken zouden net hun bladeren hebben ontplooid. ‘Dit jaar ligt dat moment al weer een maand achter ons’, schreef Van Vliet in mei.
Nu, enkele maanden later, ziet hij die trend doorzetten. ‘Kersenbomen zijn heel gevoelig voor regenval. Ze hebben al veel blad verloren; het wordt interessant te zien hoe de bladverkleuring gaat verlopen.’ De heide ging, ook als gevolg van warmte, opmerkelijk vroeg in bloei; wie nog van die typische paarse ‘najaarsgloed’ wil genieten, moet opschieten.
Ook de vruchtrijping van diverse bomen en struiken ziet Van Vliet vroeger dan normaal. ‘De eerste eikels vielen in augustus al van de bomen. Lijsterbessen waren extreem vroeg rijp, net als vlierbessen. Ook het fruit zal extreem vroeg rijp zijn, verwacht ik.’
Nog een gevolg van de huidige omstandigheden: de verspreiding van de Alsemambrosia, een zogeheten ‘hooikoortsplant’. ‘Die gedijt bij hoge temperaturen en afnemende daglengte. Precies wat we deze weken meemaken.’
Positieve kanten zijn er meestal ook. Zo hoefde er door het natte weer deze zomer maar weinig gewaarschuwd te worden voor blauwalg, de woekeraar die in zwemwater kan leiden tot huid- en oogirritaties, leverschade, ademhalingsproblemen en zelfs verlammingsverschijnselen. Door de vele regen was er meer doorstroming in wateren, waardoor het alg minder kans kreeg zich te ontwikkelen.
Kikkers, padden en salamanders kregen dit jaar ‘een boost’, zo meldde de kennisorganisatie Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (Ravon) in augustus. Reden: de vele regen. Doordat grotere oppervlakten onder water stonden, hadden larven van deze dieren meer gebied om voedsel in te zoeken, waardoor er meer overleefden. Doordat ook de zomer lang nat bleef, hadden de dieren het ook toen relatief makkelijk. Vooral de rugstreeppad wist te profiteren van het vele water. ‘Die gaan nu nog voor een tweede of derde leg’, liet een woordvoerder van Ravon in augustus weten.
Je hoort het bijna elke veldwaarnemer verzuchten: ze zien nauwelijks meer insecten. Die neergaande trend is al jaren gaande, dit jaar lijkt de neerslag nog drastischer gevolgen te hebben gehad. Vlinders nemen in soorten en aantal af, bij de jaarlijkse tuinvlindertelling van De Vlinderstichting werden niet eerder zo weinig vlinders geteld als dit jaar: gemiddeld vijf per tuin. Het vorige laagterecord stond op acht. De atalanta werd het vaakst gezien, gevolgd door het klein koolwitje en de dagpauwoog. Ook werd het landkaartje juist vaker gezien. Dat vlindertje, relatief nieuw voor Nederland, weet door de temperatuurstijging in één voorjaar en zomer drie generaties groot te brengen, waar dat er vijftig jaar eerder nog hooguit twee waren.
‘Soorten die het door de afgelopen jaren toch al moeilijk hadden, kunnen met een extreem jaar een extra tik krijgen’, zegt Johan van ’t Bosch van het Hommelmeetnet van EIS, Kenniscentrum voor insecten en andere ongewervelden. De getelde aantallen hommels liggen laag dit jaar: ‘Ongeveer de helft van het gemiddelde sinds het begin van onze tellingen, in 2018.’ Tot juni ontwikkelden de hommels zich ‘redelijk normaal’, volgens Van ’t Bosch. De boomhommel en weidehommel deden het zelfs goed, omdat deze typische voorjaarshommels in juni al klaar waren met hun jaarlijkse cyclus. De steenhommel daarentegen, een van de meest algemene soorten in Nederland, komt vooralsnog niet verder dan een kwart of een derde van de gemiddelde aantallen sinds 2018.
Het algemene beeld: vanaf juni doken aantallen omlaag of stabiliseerden ze, in plaats van te stijgen. Ook wespen lijken een slecht jaar te hebben, al wijst Van ’t Bosch erop dat het aantal verzoeken bij de Wespenstichting om verplaatsing van wespennesten niet is gedaald.
Naar een sluitende verklaring blijft het gissen. Van ’t Bosch hangt zijn privétheorie aan dat door de natte meimaand relatief weinig nesten succesvol waren.
Een omgekeerde beweging vertoonden de bijvliegen, een groep zweefvliegen waarvan de larven in het water leven. Daarvan waren er dit voorjaar weinig, maar in de zomer juist meer. De reden: deze ‘aquatische’ soorten profiteerden juist van de regenval. Toch is dat succes nauwelijks reden tot feest: bijna de helft van alle soorten zweefvliegen wordt bedreigd of is al verdwenen, zo bleek uit het Basisrapport voor de Rode Lijst Zweefvliegen, dat de toenmalige minister voor Natuur en Stikstof in mei naar de Tweede Kamer stuurde.
Ook voor de vogels is dit jaar gemengd nieuws. De overvloedige en langdurige regenval in het voorjaar leek nadelig uit te pakken voor ooievaars en uilen, die moeite hadden hun jongen warm en droog te houden.
Onderzoeksorganisatie Sovon heeft de gegevens van 2024 pas volgend jaar op orde, maar indicaties zijn er al wel: door de hoge waterstanden van rivieren zijn veel kolonies van oeverzwaluwen verdronken, zegt een woordvoerder. Doordat ook uiterwaarden onder water kwamen te staan, verloren struikvogels als roodborsttapuit, grasmussen en sprinkhaanzangers veel van hun nestgelegenheid.
Voor weidevogels als de grutto en de kievit leek de regen goed nieuws: anders dan in de droge jaren konden zij nu goed bij de wormen in de aarde. Toch lijkt het beeld somberder, door op elkaar inwerkende factoren.
De website melkvee.nl hield een peiling onder 834 boeren, weide- en akkervogelvrijwilligers en wildbeheerders over de weidevogelstand dit jaar. Zij telden van grutto, tureluur, scholekster, kievit, veldleeuwerik en patrijs wel ‘iets meer’ nesten dan vorig jaar, maar het aantal jongen dat opgroeide, was minder. De oorzaak: door de regen verdronken veel muizen, waardoor predatoren (vooral roofvogels en vossen) zich meer richtten op kuikens van de vogels. Sovon bevestigt die bevinding voor onder meer de torenvalk en de buizerd: die roofvogels leven voor een groot deel van muizen, waarvan er door de regenval dit jaar weinig waren.
En dan de bomen. Alarmerende berichten doken op bij onder meer de NOS: ‘Kale takken en weg mooie kluit: bomen leggen het loodje door vele regen’.
Wortels kregen onder water geen zuurstof meer, waardoor bomen dreigden te verstikken. En sommige oude bomen hadden al zo’n gevoelige tik gekregen van de droge zomers van afgelopen jaren.
Harm Smeenge, landschapsecoloog en historisch ecoloog, werkzaam bij de Bosgroepen, is niet neerslachtig. ‘Dit is geen rampjaar’, zegt hij. Het hangt volgens Smeenge af van de bril waardoor je kijkt: een bosbouwkundige ziet dit jaar met lede ogen eiken en douglassparren sneuvelen. Voor een ecoloog als Smeenge is er weinig aan de hand: ‘Op sommige plekken sterft bos af, vooral de laaggelegen plekken hebben het zwaar met het water. Maar dat gaat om beperkte oppervlaktes en die uitval biedt ook weer ruimte voor nieuwe soorten, waarvan de zaden kunnen ontkiemen. Bovendien: op de van oudsher droge plekken zie je dit jaar juist enig herstel. Op de Noord-Veluwe zien we nu water waar dat jarenlang niet meer te zien was.’
De ecologisch historicus mag graag wijzen op de pragmatische ontstaansgeschiedenis van Nederlands bos, aangeplant in de 18de en 19de eeuw. ‘Dankzij de introductie van landbouwmachines en kunstmest kon elk gebied worden ingericht naar onze behoeften. Elke bodem kon, ongeacht de geschiktheid, worden benut voor elke boomsoort’, aldus Smeenge. Zo verschenen dennenbossen om het hout te kunnen gebruiken voor het stutten van mijnschachten, en eikenbossen voor de leerlooierij, die de eikenschors kon gebruiken.
De industrie verdween, de bossen bleven, met het idee dat die zo moesten blijven. Een onrealistische gedachte nu het klimaat verandert, zegt Smeenge. De nieuwe omstandigheden nopen tot systeemherstel, zegt hij: ‘Grondboor mee, en de bodemlagen laten bepalen welke soorten er kunnen gedijen.’
Op droge gronden zouden sommige soorten juist een gunstig effect kunnen hebben. ‘Zit er 3 meter onder een zandlaag bijvoorbeeld een leemlaag, dan kunnen daar mineralen worden gebonden waar bomen met hun wortels bij kunnen. Lindes en iepen zijn daar bijvoorbeeld heel geschikt voor. Als hun bladeren in de herfst vallen, is dat weer natuurlijke bemesting voor de arme grond.’
Andere soorten als els, es en wilg voelen zich thuis op natte grond; onder natte omstandigheden kunnen zij bijdragen aan herstel van veen en daardoor veel CO2 in de bodem opslaan. Een grotere diversiteit aan bomen, passend bij bodem en water, levert zo meer veerkracht op en een klimaatrobuuster bos.
In zijn verhaal klinkt misschien ook de boodschap voor natuur die toch al zo zwaar te lijden heeft onder stikstof, verstoring, pesticiden en andere drukfactoren: ‘Het klimaat verandert, dus moeten we kijken of we kunnen meewerken met de elementen en meebewegen met het landschap. Dat geeft veel perspectief, want ook al gaat veel verloren: we kunnen ook veel doen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant