Na het succes met covid ontwikkelt de medische wereld ook mRNA-vaccins tegen allerlei andere infectieziekten. Een dwarse Deense onderzoeksgroep waarschuwt: wie hiermee is gevaccineerd tegen de ene ziekte, is mogelijk juist vatbaarder voor andere. Hun bevinding ontlokt veel kritiek.
Dáár, het staat er echt. Op pagina twintig van het onderzoek, een beetje verstopt in een tabel, op een plek waar maar weinig mensen nog kijken. Een getal dat zo vreemd is dat het menig wenkbrauw zal doen fronsen. Want als klopt wat hier staat, zou dat de toekomst van de vaccinatieprogramma’s kunnen veranderen.
De laatste jaren lijkt die toekomst steeds meer te worden geschreven in ‘mRNA’, kort voor ‘messenger-RNA’. Het boodschappermolecuul dat het hart vormt van de coronavaccins van Pfizer en Moderna, en afgelopen jaren zijn grote doorbraak beleefde. Liefst 14 miljard keer werd er al mee geprikt.
Over de auteur
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, met als specialismen microleven, klimaat, archeologie en gentech.
En dat lijkt nog maar het begin. Zó tevreden is de medische wereld over de nieuwe generatie vaccins, dat men werkt aan mRNA-vaccins tegen talloze andere ziekten. Van tuberculose tot hepatitis B, van malaria tot hiv en van buikgriep tot influenza. Liefst zeventig patiëntenonderzoeken met mRNA-vaccins staan op het punt van beginnen, volgens registratiewebsite ClinicalTrials. Een ‘vaccinrevolutie’ tekent zich af, aldus wetenschapsblad Nature afgelopen zomer.
Begrijpelijk. De mRNA-vaccins werken precies, zijn betaalbaar en geven het immuunsysteem weliswaar een stevige por, met koorts en een pijnlijke arm als gevolg, maar hebben slechts heel zelden echt ernstige bijwerkingen, blijkt uit alle officiële, grote onderzoeken. Eigenlijk zit er op alle mooie rapportcijfers maar één smetje. Het getal in de tabel, afgelopen winter op internet gezet door een dwarse onderzoeksgroep van de Universiteit van Zuid-Denemarken.
De tabel laat zien wat er gebeurde met bij elkaar ruim zeventienduizend baby’s, kinderen en tieners die in de beginfase van de pandemie werden ingeënt met de mRNA-vaccins tegen corona. Op het eerste gezicht zijn de resultaten klinkend. In vergelijking met kinderen die een nepvaccin kregen – een placebo – leidden de mRNA-vaccins tot meer dan een halvering van het risico op corona.
Maar er was nog iets anders. Binnen een maand na vaccinatie liepen van de achtduizend kinderen die een placeboprik hadden gekregen er vijf het RS-luchtwegvirus op. Bij de 17,5 duizend wel gevaccineerde kinderen waren dat er 39, zo staat in de tabel te lezen. Omgerekend kwam een RS-besmetting bij ingeënte kinderen ongeveer drie keer vaker voor dan bij kinderen die de prik niet hadden gehad.
En dat niet alleen. Ook andere longontstekingen kwamen bij de ingeënte kinderen vaker voor dan bij de placebogeprikte kinderen. Alsof het vaccin weliswaar beschermt tegen corona, maar tegelijk sommige, totaal andere luchtwegvirussen juist uitnodigt.
En dat is dan ook ongeveer wat er gebeurt, vertelt de leider van het onderzoek, hoogleraar gezondheidswetenschap Christine Stabell Benn, via een beeldverbinding vanuit haar werkkamer in Denemarken. ‘Nee, ik weet dit niet honderd procent zeker. Maar ik ben wel zodanig overtuigd dat ik vind dat we dit moeten onderzoeken. Omdat we misschien kinderen onnodig schade toebrengen met sommige vaccins.’
‘Het systeem waarmee we vaccins controleren op veiligheid, is prima in staat om ongewone gebeurtenissen op te pikken’, zegt Stabell Benn, een energieke, zorgvuldig formulerende wetenschapper die veel jonger oogt dan haar 56 levensjaren doen vermoeden. ‘Maar zoiets als longontsteking door streptokokken zou onopgemerkt blijven. Omdat simpelweg niet is bedacht dat dit een gevolg van vaccinatie zou kunnen zijn.’
Haar kijk op de zaak is omstreden. Achteraf terugkijken op eerder gedane onderzoeken, zoals ze vaak doet, is geen goede manier om de veiligheid van vaccins te bestuderen, zeggen critici. Neem het RS-onderzoek. Tientallen mogelijke verbanden rekenden de Denen door; dan vind je altijd wel iets. ‘Dit is wat wij noemen een fishing expedition’, zegt kinderarts en epidemioloog Patricia Bruijning (UMC Utrecht), na lezing van Stabell Benns kindervaccinonderzoek.
Bovendien blijken de effecten die Stabell Benn meent te zien in vervolgonderzoeken vaak ineens ongrijpbaar. ‘Het kan best dat er iets aan de hand is. Maar er kan ook sprake zijn van een of andere vertekening’, zegt epidemioloog Mirjam Knol van het RIVM, die het dossier goed kent. Ze wijst op streng uitgevoerde, ‘gerandomiseerde’ onderzoeken van andere vaccins, waarbij proefpersonen ofwel het vaccin ofwel een nepprik krijgen. ‘Die studies laten dit soort effecten eigenlijk helemaal niet zien. Daardoor heb ik toch wel grote twijfels.’
‘Niet iedereen in het veld is overtuigd’, erkent ook hoogleraar experimentele geneeskunde Mihai Netea (Radboud UMC), een van Stabell Benns vaste samenwerkingspartners. ‘Ja, mRNA-vaccins hebben nadelige effecten, maar we kennen ze en ze zijn gelukkig zeldzaam. Maar als je me vervolgens vraagt of het mRNA-vaccin je vatbaarder maakt voor heel andere infecties, is mijn antwoord: we hebben absoluut nog niet genoeg data om dat te kunnen zeggen.’
Dan te bedenken hoe Stabell Benn hier is aangeland: via onderzoek naar onverwachte vóórdelen van vaccins. Het was begin jaren negentig, en met haar huidige echtgenoot Peter Aaby werkte ze in Guinee-Bissau, bij een programma genaamd het Bandim Health Project. Een langlopend onderzoeksproject, bedoeld om inzicht te krijgen in hoe voeding, vitamines en vaccins de hoge kindersterfte in het straatarme Afrikaanse land beïnvloeden. Ze ontdekte er onder meer dat het mazelenvaccin beter aanslaat als men het toedient samen met extra vitamine A. ‘Mijn allereerste onderzoek haalde meteen The Lancet.’
Kort na aanvang van het project, in 1978, had oprichter Peter Aaby iets vreemds ontdekt. Kinderen die men inentte met het toenmalige mazelenvaccin, leken wel érg goed beschermd. De experts hadden gehoopt op hoogstens 15 procent minder sterfte, door voorkomen mazelendoden. In werkelijkheid ging de sterfte bij de geprikte kinderen met meer dan de helft omlaag.
Dat is nog eens een bijwerking. Waarschijnlijk, zo is de gedachte, zetten sommige vaccins ook de zogeheten ‘aangeboren afweer’ op scherp. Dat is de voorhoede van het immuunsysteem, die een ruwe eerste verdediging vormt tegen eventuele indringers. Begin vorige eeuw was Franse artsen ook al zoiets opgevallen, bij het BCG-vaccin tegen tuberculose. Het vaccin, gemaakt van verzwakt koeien-tbc, verminderde de kindersterfte met 75 procent, ook al veel meer dan verwacht.
Maar ronduit vreemd werd het toen het Bandim-veldstation het DTP-vaccin begon te bestuderen, tegen difterie, tetanus en kinkhoest (‘pertussis’). In de gezondheidsstatistieken van de kinderen zagen Aaby en Stabell Benn een raar patroon. Hoewel het vaccin kinderen beschermt tegen de drie ziekten, lag hun sterfte hoger dan die van kinderen die het vaccin niet hadden gehad. Kennelijk was de sterfte aan allerlei andere infecties onder de ingeënte kinderen hoger.
In een heranalyse van het oude systeem van gele kaartjes dat het team voor de komst van de computer gebruikte om de gezondheidsdata van 702 ingeënte baby’s en peuters te volgen, vonden Aaby en Stabell Benn het patroon opnieuw. Van de 42 kinderen die tijdens de onderzoeksperiode overleden, zaten er omgerekend twee keer zoveel in de ingeënte groep. Bij meisjes was het effect bovendien sterker dan bij jongens. Al was het allemaal maar nét ‘statistisch significant’, wetenschapstaal voor: geen toeval meer.
In een ander Afrikaans DTP-deelonderzoek noteerden de Denen zelfs een vijf keer hoger overlijdensrisico, met de kanttekening dat de analyse leunde op maar achttien sterfgevallen. ‘Die resultaten bevestigen de uitkomsten van meer dan tien andere onderzoeken’, benadrukt Stabell Benn.
Mogelijk, denkt Stabell Benn, komt dat doordat het DTP-vaccin, anders dan het mazelen- of het BCG-vaccin, het immuunsysteem prikkelt met levenloze eiwitten, gecombineerd met een ‘adjuvans’, een stof die het immuunsysteem een extra schop geeft. Dat zou een verkeerde schrikreactie van de aangeboren afweer kunnen geven: pfff, dat was heftig, voortaan komen we voor een normale infectie niet meer zo hard in actie. ‘Deze vaccins lijken de aangeboren afweer wat luier te maken’, zegt Stabell Benn.
Nader onderzoek is nodig, oordeelde uiteindelijk ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Er kwam een commissie van hooggeleerde epidemiologen, die al het beschikbare bewijs bij elkaar optelde. In 2016 stond de uitkomst in The Lancet. De conclusie: ook de WHO kon er niet omheen dat het DTP-vaccin ‘mogelijk is geassocieerd met hogere sterfte’. Maar significant was het verband niet, en het bewijs, veelal afkomstig uit het straatarme, ondervoede en door infectieziekten geplaagde Afrika, kan vertekening bevatten, aldus de epidemiologen. ‘Het bewijs ondersteunt geen verandering aan de bestaande vaccinatieaanbevelingen’, was dan ook het zuinige eindoordeel van de WHO.
Van vervolgonderzoek is het nog steeds niet gekomen. ‘Terwijl we hier een veiligheidssignaal hebben waarvan ik geen enkele reden zie om er niet op te reageren’, zegt Stabell Benn. ‘We hebben het hier over vaccins die aan kinderen worden gegeven. Miljoenen, zo niet honderden miljoenen kinderen per jaar! Ik vind het verschrikkelijk dat er niets mee is gedaan.’
De groep ziet ook aanwijzingen dat andere niet-levende vaccins, zoals de H1N1-griepprik, het hepatitis B-vaccin, het geïnactiveerde poliovaccin en het pentavalente vaccin, het luiheidsnadeel hebben, al leunt dat vooral op arme landen vol infectieziekten. Pósitieve neveneffecten zitten bij de ‘levende’ vaccins tegen mazelen, tuberculose, pokken en het orale poliovaccin, aldus de groep in een overzichtsstuk in The Lancet Infectious Diseases.
Ze is feller geworden, erkent Stabell Benn. Vastberadener het onderwerp op de kaart te zetten. ‘Als ik ergens presentaties geef, toon ik altijd eerst een foto van mijn twee kinderen, een jongen en een meisje, en zeg ik dat ze alle prikken in het Deense vaccinatieprogramma hebben ontvangen’, vertelt ze. ‘Ik ben absoluut niet tegen vaccins. Maar het gevaarlijkste wat je kunt doen, is kritisch debat hierover tegenhouden. Zo speel je de bal toe aan de antivaxers.’
Bij de mRNA-vaccins is het mogelijk het ‘huidje’ om het mRNA heen, dat het immuunsysteem ontregelt en ‘lui’ maakt, menen aanhangers van de theorie. Maar ook hier hebben de aanwijzingen dat er echt iets mis is, veel haken en ogen.
Neem de heranalyse van de patiëntenproeven naar de coronavaccins, die Stabell Benn, Aaby en Netea vorig jaar publiceerden. Opvallend waren de cijfers van de coronavaccins van Janssen en AstraZeneca, gebaseerd op ‘levende’ deeltjes verkoudheidsvirus. De vaccins leken voor zo’n 90 procent te beschermen tegen coronasterfte en daarbovenop ook nog eens voor 60 procent tegen andere doodsoorzaken.
De mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna daarentegen leken weliswaar minder overlijdens te geven aan corona, maar juist iets méér aan andere doodsoorzaken. Wel waren de resultaten, het wordt eentonig, verre van statistisch significant. Er zaten telkens hooguit enkele sterfgevallen verschil tussen de wel en niet ingeënte groepen.
En dan zijn er nog de mRNA-kindproeven. Behalve meer RS- en luchtweginfecties wijzen de Denen erop dat het vaccin bij wat oudere kinderen meer ernstige bijwerkingen gaf. Dat klinkt erger dan het is: in het vaccinjargon is een ‘ernstige’ bijwerking ook een middagje met koorts op de bank zitten. ‘Serieuze’ bijwerkingen – ziekenhuisopnames of sterfgevallen – waren er gelukkig niet.
Een keurige, degelijke onderzoeksgroep: dat is de Deense groep absoluut, benadrukken alle immunologen en epidemiologen die de Volkskrant sprak. Alleen wil dat niet zeggen dat Stabell Benns gedachte van het luie immuunsysteem dus ook klopt.
‘Het is opvallend dat deze groep steeds veel sterkere effecten vindt dan andere onderzoekers’, zegt RIVM-hoofdepidemioloog Susan van den Hof. Dat kan duiden op ‘bias’, het in de wetenschap bekende fenomeen dat onderzoekers die ergens heel ijverig naar zoeken, het ook nét wat vaker vinden, door onbedoelde, subtiele keuzen in de technische details van hun onderzoeksaanpak.
‘Er is veel kritiek op hun bevindingen. Ze zijn zeker niet gek, maar wel erg overtuigd van hun eigen interpretatie’, vindt ook Marc Veldhoen, hoogleraar immunologie in Lissabon. Met het onderzoek naar de wonderlijke extra werking van vaccins is het als met het onderzoek naar koffie of chocola, vindt hij: ‘Het ene onderzoek zegt dat het goed voor je is, het andere weer niet.’
Bovendien zijn er ook andere verklaringen denkbaar dan een lui immuunsysteem. Zo wijst Bruijning op het fenomeen van ‘virale interferentie’: ben je eenmaal geïnfecteerd met virus A, dan komt virus B wellicht moeilijker binnen. ‘Het kan best dat je na een covidinfectie tijdelijk ook wat meer immuun bent voor andere virussen’, zegt Bruijning. Dat zou de extra RS-besmettingen kunnen verklaren: wie is gevaccineerd, krijgt minder corona, en dus krijgt RS meer kansen.
Ook voor het extra effect van Aaby’s verzwakt levende mazelenvaccin is intussen misschien een verklaring, zegt immunoloog Veldhoen. Mazelen bezorgt immuuncellen genaamd B-cellen een soort geheugenverlies, is ontdekt. Dat maakt niet-ingeënte kinderen die mazelen krijgen bevattelijker voor andere infectieziekten. Met als gevolg: wel ingeënte groepen lijken extra beschermd.
Intussen gaat het onderzoek voort. In Nijmegen ging Netea’s groep ertoe over om 75 vrouwelijke vrijwilligers een inenting te geven met ofwel ‘levend’ BCG-, ofwel ‘levenloos’ DTP- en poliovaccin. Eens zien wat er gebeurt met de immuuncellen in hun bloed.
Best veel, zagen de onderzoekers. Zo maakte de DTP-groep minder infectie-signaalstoffen aan en reageerden hun afweercellen minder scherp op totaal andere ziektekiemen, waaronder de griep. Het vaccin ‘induceert immuuntolerantie tegen andere antigenen’, aldus de onderzoekers plechtig, in vakblad Clinical Infectious Diseases. Makkelijk te verstaan als: zie je nou wel, het DTP-vaccin maakt het aangeboren immuunsysteem minder waakzaam.
Maar dat zou te kort door de bocht zijn, zegt Netea desgevraagd. ‘We moeten oppassen om te snel te zeggen: lui is slecht. Het kan juist ook goed zijn.’ Zo is het bij ziekte vaak de heftige immuunreactie waarvan we ons hondsberoerd voelen. Helemaal niet erg als dat wat minder hard gaat. Netea: ‘We hebben het hier over gezonde proefpersonen. Wat er zou gebeuren als iemand ziek wordt, weet je daarmee niet.’
Ook in de echte wereld blijft het fenomeen ongrijpbaar. Netea wijst op een studie waarbij hij zijdelings betrokken was, naar groeiachterstanden bij haast een half miljoen Afrikaanse kinderen. ‘Daar zagen we een voordelig effect van het BCG-vaccin, maar ook van het DTP-vaccin’, zegt hij. Niet zozeer of het vaccin levend of dood is, maar vooral de leeftijd waarop de vaccins werden toegediend, bleek uit te maken.
Voor de meeste experts is de kous daarmee wel af. ‘Als er al iets is, lijkt het effect echt heel klein’, zegt Bruijning. ‘Op dit moment zeg ik: ik zie geen reden om zorgen te hebben over de veiligheid van het DTP-vaccin, en nog minder van het mRNA-vaccin.’
Daar komt bij dat de grote onderzoeken geruststellend zijn. Vorige week nog bevestigde analyse van een miljoen Nederlandse patiëntendossiers, door onderzoeksinstituut Nivel, dat mensen die werden ingeënt tegen corona mínder vaak doodgingen en niet opeens massaal aan een heel andere infectie overleden. In Kopenhagen speurde een onderzoeksgroep naar de vermeende negatieve effecten van het DTP-vaccin in de gegevens van 1,1 miljoen jonge kinderen. Ze vonden het niet: de sterfte was alleen wat hoger in de groep die mínder DTP-prikken had gehad dan het aanbevolen aantal.
Stabell Benn is de tegenwerpingen wel gewend. Let op, waarschuwt ze: het gaat om de grote lijn, de pijl van het bewijs. En die wijst steeds weer dezelfde kant op. ‘We hebben inmiddels zoveel onderzoeksresultaten die niet verklaarbaar zouden zijn als vaccins géén non-specifieke effecten hadden.’
Nu de wereld op het punt staat massaal mRNA-vaccins te omarmen, zul je op zijn minst de mogelijkheid serieus moeten nemen dat er iets gaande is, bepleit ze. ‘Er zijn indicatoren dat er misschien iets gebeurt’, zegt ook Netea. ‘Dit zijn sterk inflammatoire vaccins, ik had twee dagen een beetje koorts toen ik ermee was ingeënt. En of die ontstekingsreactie goed of slecht is, weten we niet.’
Liefst zou Netea ‘een heel simpele studie’ opzetten: prik bij de boosterronde ouderen met twee soorten covidvaccins, een mRNA en een niet. ‘En kijk na een paar jaar naar zaken als de totale mortaliteit en ziekten die men heeft gekregen. Dan weet je hoe het zit. En kun je goede beslissingen nemen.’
Misschien zijn er simpele oplossingen, zegt Stabell Benn. Zo wijst ze op studies waarbij het BCG-vaccin het nadelige effect van DTP-vaccins weer lijkt uit te wissen. ‘Ik denk dat er slimme vaccinatieprogramma’s denkbaar zijn waarbij we de voordelen van de specifieke ziektebescherming optimaal benutten, terwijl we voorkomen dat we ons immuunsysteem tijdelijk in een slechtere positie brengen om andere ziekteverwekkers te bestrijden. Er is ruimte voor verbetering.’
Daar staat het dan, het getal van 39 RS-patiëntjes in Stabell Benns tabel: een rood vlaggetje in een zee van overwegend nuancerende resultaten. ‘Op dit moment hebben we niet genoeg reden om ronduit te zeggen: deze vaccins hebben negatieve effecten’, constateert Netea. ‘Maar nu iedereen met deze techniek zijn vaccins gaat bouwen, zou ik zeggen: laten we het de komende twee, drie jaar in elk geval nog eens rustig onderzoeken.’
‘We staan nog aan het begin’, zegt Stabell Benn. ‘We moeten een nieuwe taal leren begrijpen, de taal van deze non-specifieke vaccineffecten. Dat is een heel kwetsbare fase.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant