In Gaza hebben duizenden kinderen hun ouders verloren. Na een bombardement worden ze soms bloedend naar het ziekenhuis gebracht, waar ze geopereerd (en niet zelden geamputeerd) moeten worden, terwijl er niemand is die hun hand vasthoudt.
Hij hoopte nog dat zijn moeder het niet zou merken, maar Israa Al-Qahwaji zag haar zoontje (11) toch huilen. ‘Hij zat op zijn telefoon, en stuurde berichten naar zijn dode neefje – zijn beste vriend, die is omgekomen bij een bombardement’, vertelt Qahwaji via een haperende verbinding vanuit Gaza. ‘Hij wilde zo graag weer met hem praten. Zijn vriendje zelf vertellen hoeveel hij hem mist.’
Al-Qahwaji werkt voor Save the Children in Gaza en wilde eigenlijk iets zeggen over de duizenden kinderen die hun ouders zijn kwijtgeraakt. En toen moest ze aan haar eigen zoon denken. Aan hoe ze hem vasthoudt als hij huilt om de doden. En hoe al die andere kinderen geen moeder meer hebben die hen kan troosten.
Over de auteur
Sacha Kester is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over België, Israël en de Palestijnse gebieden, en het Midden-Oosten.
De oorlog in Gaza dendert al bijna een jaar voort en in die periode zijn bijna 41 duizend mensen om het leven gekomen. Ook deze week bleek weer dat het nergens veilig is, toen een tentenkamp werd gebombardeerd en zeker 19 mensen om het leven kwamen.
Als er zoveel slachtoffers vallen, is het onvermijdelijk dat kinderen hun ouders verliezen. Niemand weet precies hoeveel het er zijn, maar de VN schatten dat ongeveer 19 duizend kinderen moeten zien te overleven zonder hun ouders.
‘Het echte cijfer is vermoedelijk veel hoger’, zegt Jonathan Crickx van Unicef over de telefoon vanuit Jeruzalem. ‘De cijfers zijn gebaseerd op statistieken van vroegere conflicten, maar daar waren de omstandigheden anders: er werd niet zoveel gebombardeerd in dichtbevolkt gebied, gezinnen moesten niet zo vaak evacueren, en er woonden niet zoveel kinderen (ongeveer de helft van de inwoners van Gaza is jonger dan 20 jaar).
Crickx is dit voorjaar zelf in Gaza geweest en reist er binnenkort weer naartoe. Omdat Israël internationale journalisten niet in het gebied toelaat, en ook hulpverleners slechts mondjesmaat in Gaza kunnen werken, is Crickx een van de weinige buitenstaanders die met eigen ogen ziet wat zich in het gebied afspeelt.
De ellende is onvoorstelbaar, vertelt hij. Gezinnen leven in overvolle appartementen, in klaslokalen of in gammele tentjes. Overal zijn stekende insecten of kakkerlakken. Mensen stinken: ze lopen al maanden in dezelfde kleren, het is warm en er is geen stromend water – ook niet in de douches of toiletten. Meisjes worden ongesteld, maar hebben geen maandverband, geen schoon ondergoed en ze kunnen zichzelf niet wassen. Voedsel is schaars en het beschikbare water is smerig en soms zelfs gevaarlijk om te drinken.
En dan is er natuurlijk het geweld, dat lichamen, gezinnen, en levens uiteen rukt. Kinderen die na een bombardement worden opgegraven uit het puin, worden soms bloedend naar ziekenhuizen gebracht. Er is dan niemand die weet wie hun ouders zijn, en of ze nog leven. De kinderen worden geopereerd (en dan gaat het niet zelden om amputaties) zonder dat iemand hen na afloop kan troosten.
‘Er struinen talloze kinderen door de gangen van ziekenhuizen die voor zichzelf moeten zien te zorgen’, vertelt Crickx. ‘Ze hebben hun eigen afkorting gekregen: WCNSF – gewond kind, geen overlevende directe familie.’
Hulpverleners nemen deze kinderen zoveel mogelijk onder hun hoede en proberen om ouders (mochten ze toch nog leven) of andere familieleden op te sporen, maar de uitdaging is groot. Overheidssystemen werken niet meer, netwerken voor telefoon en internet zijn onbetrouwbaar en door de evacuaties zijn families alle kanten op gevlucht. Sommige kinderen zijn zo getraumatiseerd dat ze niet meer kunnen praten en daardoor hun naam niet meer kunnen vertellen, wat het nog lastiger maakt om hun ouders op te sporen.
Soms lukt het wel. Jonathan Crickx vertelt over Razan, een meisje van 10 jaar, dat door haar oom wordt opgevangen. ‘Ze was haar vader, haar moeder, haar broer, haar twee zusjes en haar linkerbeen kwijtgeraakt’, aldus Crickx. ‘Ze is zo ongelofelijk eenzaam en nog zo jong. En het is nog niet voorbij – ik heb geen idee waar ze nu is, en of ze nog leeft.’
Al-Qahwaji heeft eenzelfde soort verhaal – een jongetje van 11 dat iedereen is kwijtgeraakt. ‘Hij praat niet meer’, zegt ze verdrietig, ‘maar soms gilt hij. Lang en hard. En daarna is hij weer dagenlang stil.’
Andersom zijn er ook ouders die hun kinderen zijn kwijtgeraakt. Soms hebben zij de kleine, geknakte lichaampjes moeten begraven, soms hebben ze hoop dat ze alleen maar tijdelijk verloren zijn geraakt in de chaos van de bombardementen en de evacuaties, en dat iemand hen mee heeft genomen en goed voor hen zorgt.
De kans is klein, want er wordt geschat dat naast die 41 duizend bevestigde doden nog zeker tienduizend lichamen onder het puin zijn verdwenen. Tienduizend mensen die vroeger dromen hadden, en lievelingsgerechten, en vrienden met wie kon worden gelachen, liggen nu waarschijnlijk onder een stuk cement weg te rotten. En volgens Save the Children gaat het in de helft van de gevallen om kinderen, van wie de familie dus niet zeker weet of ze dood zijn.
Zowel Crickx als Al-Qahwaji benadrukken: of het nu gaat om het vinden van familieleden, het bergen van de lichamen of het herstel van de trauma’s: eerst moet het vechten stoppen. ‘Op dit moment proberen we alleen maar te overleven’, vertelt Al-Qahwaji. ‘De dag zit vol met praktische vragen: waar zijn we veilig, hoe komen we aan water, wie gaat er op zoek naar eten? Mensen hebben geen tijd, geen ruimte voor hun emoties – want dan storten ze in, en dat kunnen ze zich niet veroorloven. Ook de kinderen niet.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant