Vijfentwintig jaar geleden voelde 90 procent van de EU-burgers zich nog eurofiel. De girale euro was net ingevoerd en landen stonden in de rij om lid te worden. Met New Labour, paars en Die Neue Mitte regeerde een nieuwe sociaal-democratische stroming die de scherpe randjes van het neo-liberalisme zou afhalen.
Het Rijnlands model zou triomferen. Immigratie leek nog niet echt een probleem, want de populistische partijen waren nog splinters. Het ideaal van een federale staat leek zelfs haalbaar: een Verenigde Staten van Europa. Niet alleen een monetaire, maar ook een politieke unie. Tijdens een top in Lissabon spraken de leiders af dat ze zo veel geld in het Europese project zouden steken, dat de EU binnen tien jaar de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld zou zijn, met een arbeidsparticipatie van 70 procent en een jaarlijkse groei van 3 procent.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Binnen vijf jaar lagen alle ambities aan gruzelementen. Nederland kreeg Fortuyn. De Polen stroomden de westerse economieën binnen nadat de landen van Oost-Europa zich bij de EU hadden aangesloten. Mensen keerden zich in referenda tegen het plan voor een Europese grondwet. Enkele jaren later zorgde een eurocrisis voor een confrontatie tussen Zuid- en Noord-Europa. Het was Mario Draghi die, als president van de Europese Centrale Bank, met zijn toverformule ‘Whatever it takes’ (‘koste wat kost’) de eenheidsmunt redde.
Op weg naar de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie, is de EU in een doolhof beland. Een federale staat is verder weg dan ooit. De populisten zijn mainstream geworden en regeren mee. De publieke steun voor het Europese project neemt elk jaar af. Groot-Brittannië is al vertrokken. En eurosceptici steken de eurofielen naar de kroon.
Maandag presenteerde de man van de toverformules een plan om Europa van de ondergang te redden. Er is volgens Draghi sprake van een existentiële strijd. Als Europa economisch wil voorbestaan, moet de achterstand in innovatie, concurrentiekracht en productiviteit op de VS en China worden ingelopen. Opnieuw klinkt ‘whatever it takes’. Draghi wil jaarlijks 800 miljard euro – meer dan twee keer de totale begroting van Nederland – steken in het reanimeren van de industrie. Of zoveel geld de oplossing is, valt te betwijfelen. Juist op de dag dat Draghi zijn plan lanceerde, werd bekend dat de Zweedse accufabrikant Northvolt, waarin 15 miljard euro belastinggeld is geïnvesteerd, in financieel zwaar weer verkeert.
Het verschil is dat Draghi dit keer niet de bankbiljettenpers aan kan zetten, maar geld moet hebben van beleggers en belastingbetalers. Hij mag de vinger op de zere plek leggen. Voor de rest is hij de adviseur die zo hoog mogelijk inzet, alles in de hoop dat daar ook maar een minimum van gerealiseerd wordt.
Het beleid wordt bepaald door de Europese Commissie. Maar de knoop zal worden doorgehakt door de regeringsleiders van de individuele landen. Zij kijken met angst en beven naar het electoraat, dat niet meer, maar minder Europa wenst.
De tijdgeest is in die kwart eeuw na de top in Lissabon zo veranderd, dat inmiddels weer slagbomen aan de grenzen worden neergelaten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns