Donorvaders zijn lang niet allemaal ijdele types die zoveel mogelijk kinderen willen verwekken, zegt spermadonor (en voormalig dominee) Michiel Aten. Met zijn werkgroep Priamos probeert hij het beeld van een groep ‘merkwaardige mannen’ bij te stellen.
Michiel Aten hield het donorvaderschap lang voor zich. Niet omdat hij zich schaamde, maar gewoon, om iets ‘voor zichzelf’ te hebben. Pas toen hij vorig jaar de werkgroep voor donorvaders Priamos oprichtte – vernoemd naar de laatste Trojaanse koning met 62 kinderen – begon hij het langzaam aan vrienden en familie te vertellen.
‘Ik wilde niet dat mijn moeder in de krant zou lezen dat ik wel negentien of twintig nakomelingen heb’, vertelt de gepensioneerde dominee terwijl hij een dienblad met een thermoskan koffie, melk en een koektrommel naar de tafel brengt. Hij woont op Texel, in een landelijk huis met lage plafonds en uitzicht op uitgestrekte weilanden en de kerktorens van Den Hoorn.
Met dit gesprek besluit Aten (63) bewust om zijn donorvaderschap wel aan de grote klok te hangen. Hij maakt zich namelijk zorgen over de beeldvorming van spermadonors. ‘We zijn niet allemaal merkwaardige mannen.’
Toch haalden afgelopen jaren vooral de ‘merkwaardige mannen’ het nieuws: artsen die vrouwen met eigen sperma insemineerden, vruchtbaarheidsklinieken met een chaotische administratie en ‘massadonoren’ die er alles aan doen om zo veel mogelijk kinderen te verwekken. Onlangs kregen deze misstanden opnieuw aandacht door de populaire Netflixdocumentaire The Man with 1000 Kids. In de film komen ouders aan het woord die met de Nederlandse spermadonor Jonathan Meijer een kind kregen. Vorige maandag kondigde Meijer in de talkshow van Eva Jinek aan dat hij Netflix wil aanklagen voor de beweringen in de documentaire.
De grote aandacht voor die uitwassen geeft een vertekend beeld, vindt Aten. De meeste donoren zijn doodnormale mensen, ziet hij als voorzitter van de werkgroep Priamos. En hij net zo: hij heeft jarenlang als verpleegkundige in het ziekenhuis gewerkt en is een gepensioneerd dominee. Hij heeft geen eigen kinderen, maar is samen met zijn partner Hans wel ‘bonusopa’ van drie jongens van vrienden. ‘We zijn gisteren nog langs geweest om te helpen met het in elkaar zetten van hun nieuwe bureaus.’
Wat was het moment waarop u dacht: ik ga sperma doneren?
‘Toen ik halverwege de 30 was, zag ik een advertentie in de Volkskrant. Zo’n kleine, op de pagina met oproepen. ‘Vaders voor vaders’ stond er in dikke letters. Het Diaconessenhuis in Voorburg was op zoek naar donoren. Ik had zelf goede vrienden, een heterostel dat heel graag kinderen wilde. Na tien ivf-pogingen moesten ze stoppen. Ik zag van dichtbij hoe moeilijk het voor ze was dat het niet lukte. Toen besefte ik: ik heb iets wat andere mensen nodig hebben. Ik kan dit soort stellen helpen.’
Heeft u niet getwijfeld?
‘Nee, ik stond er helemaal achter. En wat hielp: de laboratoriumuitslagen waren heel positief. Er gaat veel zaad verloren omdat het moet worden ingevroren. Maar bij mij kwam alles er levend uit. Dus ze waren ontzettend blij met me.
‘Ook speelde mee dat ik toen in een ziekenhuis werkte op een oncologische afdeling. Ik maakte veel dood, ziekte en narigheid mee, maar op de gynaecologie-afdeling hingen prikborden vol geboortekaartjes. Dat vond ik verfrissend, dat dit er ook was in het ziekenhuis. Door het doneren kwam alles meer in balans.’
De combinatie dominee en zaaddonor klinkt bijzonder. Kon dit in uw optiek samengaan?
‘Ja hoor. Ik heb altijd gedacht: als je iets hebt wat een ander nodig heeft, moet je dat geven. Eigenlijk net als de heilige Martinus van Tours. Hij sneed zijn mantel doormidden en gaf de helft aan een bedelaar zonder kleding.’
Toch moet het een gek besef zijn dat er misschien wel twintig kinderen met uw genen rondlopen in Nederland.
‘Zeker. De eerste keer, dat was vijf jaar nadat ik voor het eerst gedoneerd had, vertelde een medewerker van het ziekenhuis dat er vier kinderen van mij waren geboren en er nog een paar onderweg waren. Toen veranderde er iets in mij. Wat dat precies was, kan ik ook niet omschrijven. Ineens keek ik anders naar de wereld. Het was niet meer een wereld waarin ik leefde en die ik achter me liet. Het was een wereld waarin mijn nakomelingen ook moesten kunnen leven.
‘Als ik me erger aan een gillend kind, denk ik soms: tja, het kan er ook een van mij zijn. Die gedachte heb ik wel vaker als ik een kind zie lopen op straat.’
Zijn er donorkinderen met wie u contact heeft?
‘Ik heb met twee donorkinderen contact. Met de eerste is het heel gek gelopen. Zij – laten we haar Sonja noemen – wist dat ze een reageerbuisbaby was, maar niet dat ze een donorkind was. Ze begon vragen te stellen waarom ze niet op haar vader leek. Toen ze een DNA-test deed via MyHeritage, werden haar vermoedens bevestigd.
‘Ik maakte later ook een profiel aan op MyHeritage om vindbaar te zijn voor zoekende donorkinderen. Toen zag ik ineens dat ik een hoge match had met iemand die ik niet kende. Uit enthousiasme heb ik haar een mail gestuurd. Ik dacht: zij is naar mij op zoek, zij wil contact. Achteraf was dat heel dom, vaak zitten mensen daar helemaal niet op te wachten. Maar Sonja vond het goed.’
Hoe bevalt het contact met uw donorkinderen?
‘Het is gezellig. We appen af en toe wat fotootjes en soms spreken we af. Het is leuk om te merken dat we echt op elkaar lijken. Ze hebben allebei wat met dieren, muziek en zwemmen. De een houdt net als ik ook niet van sporten, omdat ze het niet fijn vindt om haar eigen zweet te ruiken. Dat heb ik precies zo! En we hebben allemaal hetzelfde kinnetje.
‘Tegelijkertijd is dat ook het gevaar. Als ze allemaal dezelfde interesses hebben, bestaat de kans dat ze elkaar ergens tegenkomen. En door de hoeveelheid raakvlakken worden ze mogelijk verliefd op elkaar. Maar een gezinnetje beginnen gaat natuurlijk niet. Met een massadonor die wel honderden kinderen heeft verwekt, is dit risico nog groter.’
Waren die risico’s de aanleiding voor het oprichten van een werkgroep voor donorvaders?
‘De directe aanleiding was mijn match met Sonja op de DNA-databank van MyHeritage. Toen begon ik rond te bellen: help, ik heb een e-mail gestuurd, maar is dat eigenlijk wel zo handig? Het bleek moeilijk om informatie te krijgen. Ik wilde weten hoe andere donoren dit toen. Toen heb ik donoren bij elkaar gezocht om ervaringen uit te wisselen.
‘We hebben in juni onze eerste landelijke ontmoetingsdag gehad. Het ging bijvoorbeeld over welke rol jij als voorbeeld neemt voor het contact met jouw donorkind. Daar is geen etiquetteboekje voor. En het grappige was: iedereen dacht daar anders over. Sommigen zeggen: je bent gewoon een vader. Anderen zeggen: je bent een verre vriend of een vage bekende.’
Welke rol is uw voorbeeld?
‘Ik zie mezelf als een oom, die een tijdje in het buitenland heeft gezeten. Ver weg, Nieuw-Zeeland of zo. En als het nodig is, vliegt hij terug naar Nederland.’
In Nederland geldt een maximum van 25 kinderen per zaaddonor, verdeeld over maximaal twaalf gezinnen. Dit om inteelt te voorkomen en te voorkomen dat donorkinderen psychosociale schade oplopen omdat zij zich moeten verhouden tot talloze halfbroers en -zussen. Maar via internationale spermabanken als Cryos en European Sperm Bank (ESB) kan deze norm worden overschreden. Door in elk land het maximum aan te tikken, kunnen er tientallen of zelfs honderden kinderen worden verwekt met één donor. Daarop is verder geen toezicht.
Ook in Nederland neemt het gebruik van commerciële buitenlandse spermabanken toe. Dat komt door een tekort aan Nederlandse zaaddonoren. Driekwart van de Nederlandse donorkinderen is verwekt met buitenlands sperma, bleek in januari uit cijfers van de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting.
Jullie nemen met Priamos ook een meer activistische houding aan en spreken je online uit tegen internationale spermabanken als ESB.
‘Ik vind het raar dat zij zo mogen opereren. Er wordt goed geld mee verdiend: een donor krijgt rond de 40 euro per donatie en een ouder betaalt voor één rietje al rond de 500 euro. Die banken doen het echt niet uit altruïsme, maar de donoren wel. En daar wordt gebruik van gemaakt.’
Op welke manier hebben jullie daar als donoren last van?
‘Voor donoren wordt het ontzettend onoverzichtelijk en overweldigend als je ineens veel meer donorkinderen hebt dan je vooraf had gewild. Ik geef het je te doen als er straks een Franstalig kind tegenover je staat, dat dolgraag wil kennismaken met zijn biologische vader. De kans is groot dat een kind meer wil weten van die man en misschien wel een band wil opbouwen. Daar hebben ze ook recht op. Maar hoe kun je dan praten over intieme zaken zoals jouw familieverleden?
‘In mijn geval hebben ze zich gelukkig aan de afspraken gehouden. Maar als dat niet zo was, zou ik me verschrikkelijk bedonderd voelen. Het ligt toch best gevoelig. Je denkt misschien: ach, het is maar een beetje vloeistof wat je achterlaat. Maar het is meer dan dat. Er komt een nieuw mensenleven uit voort.’
Denkt u niet dat veel andere donoren het wel zien als ‘maar een beetje vloeistof achterlaten’?
‘Ik denk dat veel mannen die bij ESB doneren geen idee hebben van waar hun sperma terechtkomt. Er is natuurlijk een klein deel dat zich juist heel bewust is van de gevolgen, zoals Jonathan uit de Netflix-serie, die er expres mee sjoemelt.’
Hoe beïnvloeden zij het beeld van ‘de donorvader’?
‘Er zijn ontzettend veel misstanden, maar het gros van de donoren bestaat uit normale mannen. Het zijn lang niet allemaal ijdele massadonoren, hoewel sommigen dat wel denken. Toen Sonja mijn eerste mail ter kennismaking aan haar moeder liet lezen, barstte haar moeder in huilen uit. Zo blij was ze dat ze niet met een massadonor te maken hadden.’
U benadrukt dat u graag mensen wilt helpen, ook tijdens uw werk als dominee. Hoe is het voor u om met het grootste deel van uw donorkinderen geen contact te hebben?
‘Gek, want het liefst zou ik ze allemaal willen spreken. Ik heb de ontmoeting met mijn donorkinderen namelijk echt als een verrijking ervaren. Ze zijn goed terechtgekomen en zijn bezig hun toekomst op een betekenisvolle manier vorm te geven.
‘Toen ik in de auto onderweg was naar de eerste ontmoeting met een donorkind, maakte een vrachtwagen naast mij een rare manoeuvre waardoor ik nog net kon uitwijken naar de vluchtstrook. Ik besefte: het zou zonde zijn als ik doodga, vlak voordat ik haar ontmoet – daar moet ik wat aan doen!
‘Dus ik heb een lange brief geschreven. Wie ik ben, waarom ik donor ben geworden en dat ik hoop dat ze net zo van het leven geniet als ik dat heb gedaan. Die brief ligt op een goede plek bewaard. Als me dan toch iets overkomt, weten ze in elk geval een stukje van hun afkomst.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant