Home

Regisseur Fatima Jebli Ouazzani werd alom bejubeld, maar haar speelfilm kon ze niet maken

Rond de eeuwwisseling won Fatima Jebli Ouazzani een Gouden Kalf en meerdere internationale filmprijzen voor haar documentaire In het huis van mijn vader. Ze zou, met een prijswinnend scenario, haar eerste speelfilm maken, maar dat is nooit gelukt. Wat is er gebeurd?

Weergaloos en belangrijk, oordeelde de jury van het Nederlands Film Festival over haar debuut. Scherp, ontroerend, onthullend, beeldschoon – buitelden de recensenten over elkaar heen. Houd haar in de gaten, schreef het Amerikaanse filmblad Variety: ‘Ze brengt een nieuw wereldlijk perspectief dat zo vaak ontbreekt in Hollywood.’

Ook gastdocent en regisseur Gillies MacKinnon (bekend van onder meer Small Faces en Hideous Kinky) wist wel wie van zijn studenten aan het postacademische Maurits Binger Instituut voor filmmakers er ging komen. ‘Ze weet wat ze wil en is iemand om in de gaten te houden’, zei hij tegen Het Parool.

We spreken 1999 en de bewierookte regisseur en scenarioschrijver is Fatima Jebli Ouazzani. Ze had zojuist furore gemaakt met haar documentaire In het huis van mijn vader, een instantklassieker, die ook ruim 25 jaar na uitkomst rijmt met de tijdgeest.

Over de auteur
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cultuur, literatuur en de Surinaamse en Caribische koloniale geschiedenis.

In 1999 is Jebli Ouazzani een vrouw van 39 die nogal een reis heeft afgelegd: geboren in de Marokkaanse stad Meknes en vanaf haar tienerjaren gevormd door de Heerlense Zusters van het Heilige Hart, vlak voor haar gymnasiumexamen – net 18 jaar – is ze vaders wetten (en een patriarchale Marokkaanse traditie) ontvlucht naar Rotterdam. Even studeert ze psychologie, gaat werken als journalist, bij de radio, doet regie, schrijft mee aan scenario’s en durft dan een droomkeuze te maken: naar de filmacademie. En dat zijn nog maar de grove lijnen.

In het huis van mijn vader is een hoogstpersoonlijke vertelling waarin Jebli Ouazzani haar ingrijpende levenskeuze om zich niet net als haar oma en moeder te laten uithuwelijken, onderzoekt. Ze voert in de film openhartige gesprekken met haar oma en opa en spiegelt haar eigen leven aan dat van een in Nederland geboren moderne jonge Marokkaanse vrouw die wel kiest voor een traditioneel ‘sprookjeshuwelijk’. Op de valreep herstelt ze zelfs het contact met haar vader, die kort daarop overlijdt.

De film ontving op documentairefestival Idfa, waar hij in première ging, meteen de juryprijs. Niet alleen was het onderwerp baanbrekend – een Marokkaanse filmmaker die haar emanciperende complexe levenskeuzen voor het oog van de kijker ontvouwt – de film was ook nog eens oogstrelend mooi, ondanks de zwaarte van het thema wonderlijk lichtvoetig en ongelofelijk dapper, zo oordeelden filmjury’s van internationale festivals (in Marokko, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten) waarop hij werd vertoond. In Nederland draaide hij in de bioscoop.

Zou het nu, zo’n 25 jaar later, makkelijker zijn geweest om de film te maken, denkt u?

‘Indertijd was het lastig om vrouwen voor de camera te krijgen omdat ze bang waren voor eventuele negatieve reacties vanuit de eigen gemeenschap. Inmiddels is de positie van de Marokkaanse moslimgemeenschap in Nederland zo slecht, we worden zo negatief bejegend en uitgesloten. De mensen krijgen al meer dan 25 jaar bagger over zich heen – ze zijn in defensie geraakt. Ik denk dat veel vrouwen zouden denken: onze cultuur ligt al onder vuur, daar wil ik niet aan bijdragen.

‘Waarom denk je dat jonge meiden die hier zijn geboren met een traditionele hoofddoek lopen? Meer dan in mijn tijd. Dat komt deels voort uit verzet. Ik zie het als een tegenreactie: onze cultuur wordt beschimpt, dan ga ik die extra omarmen en uitdragen.’

Is er op het terrein van emancipatie veel veranderd sinds u de film hebt gemaakt?

‘Qua emancipatie is er het een en ander verbeterd in Marokko. Mijn oma en moeder werden op hun 14de uitgehuwelijkt, dat is inmiddels bij wet verboden. Vrouwen hebben officieel het recht een echtscheiding aan te vragen. Of dat veel gebeurt, weet ik niet. Er is verbetering, maar de emancipatie is er nog lang niet.

‘Het maken van de film was ontzettend belangrijk voor me. Ik heb me bevrijd van een traditie en het heeft me veel gekost. Ik maakte de film voor andere vrouwen uit mijn cultuur. Ter emancipatie. Mijn film is in het Westen bejubeld en hoe eervol ook, ik vond en vind het belangrijker dat een Arabisch publiek hem kon zien, dat hij in Marokko in de bioscoop zou draaien. Dat is me niet gelukt.’

Waarom is dat niet gelukt?

‘Omdat de producent daar niet aan meewerkt. Er waren in 1999 twee distributeurs die de film wilden uitbrengen, eentje kwam zelfs naar Nederland, maar de producent gaf niet thuis. Hij was afwezig tijdens het draaien, ik heb met zijn assistent gewerkt. Na de opnamen zag ik hem pas weer. Juist voor die bioscooprelease in Marokko had ik hem nodig. Andere zaken, zoals de omroep, deskundigen, financiering, een bruid, mijn familie die bereid was mee te doen, waren al geregeld voor ik bij hem kwam.

‘Ik krijg het gevoel dat de betekenis die de film kan hebben voor de emancipatie van meisjes en vrouwen hem niet werkelijk interesseert. Hij heeft alle rechten van de film. Ik krijg de film niet mee of ik moet schriftelijk verklaren dat ik de film niet zal stelen. Dat is voor mij een groot verdriet. Ik zou het contract graag aanvechten, maar dat kan ik niet betalen.

‘In 26 jaar is mijn film drie keer in Marokko vertoond: op het festival van Casablanca (1998), in Tetouan (2002) en Agadir (2018). Ik vrees dat hij nooit in een Marokkaanse bioscoop zal draaien, terwijl dat juist mijn doel was.’

Jebli Ouazzani is geboren als oudste in een gezin met drie kinderen. Haar moeder was pas 15 jaar toen ze haar kreeg. Het verhaal van haar veel te jonge uitgehuwelijkte moeder heeft het leven van Jebli Ouazzani getekend. ‘Ze was mijn moeder, maar we scheelden maar 15 jaar. Ze was een puber toen ze mij kreeg en behandelde me al heel jong als volwassene, in die zin is ze meer mijn oudere zus geweest.’

Haar vader kwam, zoals veel mannen in de jaren zestig van de vorige eeuw, als gastarbeider in Nederland werken. Hij belandde in de Limburgse mijnen en verdween jarenlang grotendeels uit haar leven, op sporadische bezoeken na. Tot hij het gezin in 1971 naar Heerlen haalt.

Hoe waren die eerste jaren in Heerlen?

‘We moesten zo snel mogelijk Nederlands leren, dus ging mijn vader alle basisscholen in de buurt af. Ze wilden ons nergens hebben. Omdat we geen Nederlands spraken. Ja, hallo, dat wilden we juist leren! Uiteindelijk zijn we bij de nonnen beland. Die konden Frans, wat wij spraken. Zo hebben wij Nederlands geleerd, via het Frans.

‘Mijn moeder zei: pas op, ze gaan je vast proberen te bekeren. En ze had gelijk. Ik kreeg bidprentjes mee. Met een Jezus erop, omringd door bruine, Afrikaanse kindjes. Zuster Jozefa zei me: als je verdriet hebt, bid dan tot Jezus Christus. Ik zat in het kerkkoor, ging naar de mis. Ik mocht alleen geen hostie, omdat ik geen communie had gedaan. Dat zat me dwars.’

Lacht. ‘Ik noem mijn pad in de filmerij weleens ‘bijna de hostie’. Ik was erg nieuwsgierig naar die hostie. Mijn vriendinnetjes hadden na het halen van de hostie altijd zo’n vrome, dromerige blik in de ogen. Wat is dat voor magisch koekje, dacht ik. Maar de zusters hielden me scherp in de gaten. Een keer lukte het bijna, tot ik de hand van zuster Huberta op mijn schouder voelde. Dat geldt ook een beetje voor mijn filmcarrière – ik was er bijna.’

In 2001 (ná In het huis van mijn vader) studeerde Jebli Ouazzani cum laude af aan het Amsterdamse Maurits Binger Instituut, een postacademische filmopleiding, op haar eerste scenario voor een speelfilm: Halima’s paradijs. Het scenario werd in 2001 bekroond door de jury van het Amerikaanse Sundance Film Festival, het belangrijkste internationale podium voor onafhankelijke cinema. Aan de prijs was een geldbedrag van 150 duizend dollar verbonden, een deal met de Japanse tv en een Aziatische presale voor bioscopen.

De speelfilm is nooit gemaakt. Waarom niet?

‘Heb je even?’

In eerste instantie kreeg Jebli Ouazzani een toezegging tot financiering voor de verfilming van Halima’s paradijs van het Filmfonds (destijds Nederlands fonds voor de Film geheten), de belangrijkste Nederlandse geldschieter voor speelfilms. Maar het project liep vertraging op, toen haar producent ernstig overspannen bleek. ‘Ik kreeg te horen dat ik bij een andere producent moest tekenen. Als ik niet tekende, ging de film niet door. Ik voelde me klemgezet. Bij In het huis van mijn vader moest ik al een wurgcontract tekenen, dat ik nu nooit meer zou tekenen. Dat wilde ik niet nog eens meemaken.’

Waar gaat Halima’s Paradijs eigenlijk over?

‘Het is een verhaal over een in Nederland geboren Marokkaanse vrouw die haar autonomie vindt. Eigenlijk is het een herschrijving van mijn moeders leven.’

Toen u twee jaar later met een nieuwe, andere producent bij het Filmfonds terugkeerde, wezen ze uw financieringsaanvraag af.

‘Ik kreeg te horen: we hebben net 9/11 gehad, dus het publiek wil liever een Marokkaans verhaal dat in conflict is met de Nederlandse samenleving. Dat was mijn film niet.

‘Het Marokkaanse verhaal is al verteld, zeiden ze. We hebben Shouf Shouf Habibi al, en Dunya en Desi. Ze zaten niet op nóg een Marokkaanse film te wachten. Of zoals ze het noemden: een ‘allochtonendrama’. Ze gebruikten de naam van mijn film niet eens. Ik lach nu wel, maar ik vind het triest en pijnlijk.’

‘Ze hadden nog meer bezwaren, vonden mijn salaris te hoog, wilden niet dat ik de final cut zou hebben, begonnen over de acteurs die ik had gevonden. Dat waren amateurs. Natuurlijk was dat zo, Kemna Casting had maar twee of drie Marokkaanse acteurs. Ze noemden me een debuterend regisseur. Mijn nieuwe producent (Matthijs van Heijningen, destijds een prominente producent, red.) sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Ze heeft nota bene een Gouden Kalf gewonnen’, riep hij. Hij riep naar een van de commissieleden: ‘Waar is jouw Kalf?’

In de brief bij de financieringsaanvraag aan het Filmfonds schreef Jebli Ouazzani: ‘In mijn vorige film heb ik een kritische kijk op mijn Marokkaanse geschiedenis.’ Voor Halima’s paradijs wilde ze iets anders. ‘Ik wilde laten zien dat er ook mooie dingen uit Marokko komen.’

U noemde Martin Scorcese als inspiratie.

‘Zijn hoofdpersonen waren mensen met universele dilemma’s in een Italiaans milieu in de VS. Dat wilde ik tonen: Marokkanen in Nederland, mensen die hier leven en die worstelen en hun weg zoeken, zoals alle mensen doen.’

Wat bent u toen gaan doen?

Korte stilte. ‘Er was nota bene een delegatie van Sundance en hun Japanse partner naar Amsterdam gekomen. Toen ik een film zelfs met zulke steun niet voor elkaar kreeg, wist ik het ook niet meer.

‘Ik ben les gaan geven aan filmstudenten. Dat doe ik nog steeds in Rabat en Tetouan. Ik heb het ook in Zimbabwe en Syrië gedaan. Ik heb veel jonge mensen begeleid bij filmprojecten, dat is fantastisch om te doen.’

Ze maakte nog enkele documentaires voor de publieke omroep. In 2000 Het was weer zondig, in 2006 Als herinnering een moedervlek, over het leven van een Nederlands pubermeisje afgezet tegen dat van een Marokkaanse, en in 2012 Hier woon ik, daar leef ik over de levenskeuzen en worstelingen van vier Turks-Nederlandse vrouwen van uiteenlopende generaties, over emancipatie, je thuis voelen en acceptatie. Maar haar grote liefde blijft fictie. ‘Ik ben een verhalenverteller. Als kind was ik al verslaafd aan de verhalenvertellers op het plein in Meknes. Dat waren voornamelijk verhalen uit het Oude Testament, ontdekte ik later.

In Heerlen?

‘Meneer pastoor vertelde het verhaal van Jacob, Jozef en zijn broers eens. Hoe loopt dit verhaal af, vroeg hij. Ik wist hoe het verder ging en stak enthousiast mijn vinger op. Hij kwam naast me staan, legde zijn hand op mijn schouder – ik ruik de geur van zijn muffe habijt nog – en zei: Mai, mai, Fatima, wat heb jij een grote verbeelding. Je hebt het van de kapelaan of de zuster, want in Marokko kennen ze deze verhalen niet. In Nederland vinden we meisjes die liegen erg lelijk. Ik was zo uit het veld geslagen.’

Dan, na een korte stilte. ‘Weet je, de reactie van deze pastoor, vol aannames en vooroordelen, staat voor iets groters. Voor reacties die ik in Nederland heb gekregen op de Marokkaanse cultuur. Alsof er niets moois uit Marokko kan komen. In Nederland kan ik leven zoals ik wil, hier kon ik vluchten voor een gedwongen huwelijk.

‘Maar de ontwikkelingen van de afgelopen decennia doen me pijn. Toen ik jonger was, konden minderheden op bescherming rekenen. Dat is losgelaten en vervangen door uitspraken als: de multiculturele samenleving is mislukt. Al járen kijken Nederlanders de andere kant op als Marokkanen worden gekleineerd. De PVV kon zijn gang gaan. Er is geen strategie bedacht om hen te bestrijden. Het zou wel doodbloeden. Dat deed het niet.’

Ineens: ‘Op dit moment ben ik trouwens in gesprek met Mdeux, een Marokkaanse tv-zender, voor regiewerk.’ Ogen die oplichten, glimlach. ‘En ik richt me op proza. Ik ben nog lang niet uitverteld.’

Nawoord

Producent Joost Verheij, van In het huis van mijn vader, herkent zich niet in het geschetste beeld. Hij laat weten dat hij juist ‘op alle mogelijke manieren’ heeft geprobeerd de film in Marokko gedistribueerd te krijgen. Dat hij het niet belangrijk zou vinden, noemt hij ‘pertinent onjuist’. De niet gelukte bioscooprelease in Marokko komt volgens hem voort uit ‘haken en ogen’ die er waren, met name op het terrein van ondertiteling en nasynchronisatie. Mocht er een optie zijn om die film alsnog in Marokko uit te brengen, dan is hij ‘de eerste’ die zich daar ‘weer hard voor zou maken’. Het contract was destijds volgens Verheij een ‘standaardcontract, met auteursrechten voor de regisseur en de overige rechten bij de producent om de film te kunnen distribueren’. Over het stelen zegt de producent: ‘Volstrekte onzin.’

De Volkskrant heeft het (openbare) dossier van de nooit gemaakte speelfilm Halima’s Paradijs (te vinden bij Filminstituut Eye in Amsterdam) ingezien. Met dank aan filmjournalist Harry Hosman, die samen met Ryclef Rienstra een boek schrijft over de rol van de overheid in de filmindustrie.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next