Brita de Jong-Albers Meijer is 100 jaar. Hoe kijkt deze vitale dame, die nog auto rijdt en tot een paar jaar geleden de Zwitserse Alpen beklom, terug op de eeuw die achter haar ligt?
‘Ik ben mevrouw De Jong’, zegt de modieus geklede vrouw die net haar flat verlaat als de interviewer komt aanlopen. Met haar ene hand leunt ze op een stok, met de andere houdt ze de riem van haar Maltezer leeuwtje vast. Het hondje moet hoognodig worden uitgelaten, vertelt ze, het heeft veel te lang binnen gezeten omdat zijn 100-jarige baasje de hele ochtend in beslag werd genomen door haar auto. Toen ze erin wilde wegrijden om boodschappen te doen, ging het alarm af. Een monteur van de Wegenwacht kwam na uren wachten opdagen, maar vond geen mankement. Op sneakers wandelt mevrouw De Jong met volle aandacht voor elke stap die ze zet langs het appartementencomplex waar ze woont. Terug in haar woning maakt ze een diepe buiging om haar piepkleine hondje uit het tuigje te wurmen; een souplesse die zeldzaam is bij haar leeftijdgenoten.
U maakt een zeer vitale indruk: wandelen, autorijden...
‘... boodschappen doen, koken. Voor mij is dat normaal. Ik heb geen enkele kwaal. Vlak voor corona ging mijn hondje dood. Ik wilde geen nieuwe, maar mijn kinderen zeiden: ‘Doe maar wel, anders kom je er niet meer uit.’ Voor Chéraly moet ik elke ochtend om 8 uur opstaan om haar uit te laten. Over twee jaar verloopt mijn rijbewijs, dan stop ik met autorijden. Ik lees veel: boeken, twee kranten en Elsevier. Voor de Nederlandse Huisvrouwen Vereniging en de Nederlandse Vrouwenraad hield ik het nieuws altijd goed bij – en dat ben ik blijven doen. Ik was ver in de tachtig toen ik met dat vrijwilligerswerk stopte.
‘Op mijn 93ste speelde ik mijn laatste partijtje tennis. Mijn krachten werden minder, maar soms kon ik nog een lekker harde bal slaan. Bij het afscheid zei ik: ‘En nu zal ik jullie vertellen hoe oud ik ben: 93.’ Daar konden ze wel om lachen. Ik had nooit mijn leeftijd gezegd, anders hadden ze gedacht: ach, dat oude mens!
‘Ik ga twee keer per week naar de bridgeclub. Met bridgen ben ik op mijn 70ste begonnen, na het overlijden van mijn man. Je hebt mensen die denken niets meer te kunnen als hun partner is overleden. Ik ging door, ook met de vakanties naar Zwitserland, waar we de laatste jaren vaak samen naartoe gingen om in de bergen te wandelen. Dat ben ik blijven doen, met de wandelclub waar ik lid van was. Voortaan reed ik alleen met de caravan naar de camping. Zodra het afkoppelen van de caravan niet meer ging, verkocht ik de sleephut en schafte een camper aan. De mensen zeiden: ‘Zo’n klein mens in zo’n groot ding!’ Ik was ergens in de 90 toen ik afscheid nam van de wandelclub. Het stijgen in de bergen ging nog wel, maar bij de afdalingen gaven mijn knieën het op. Ik zou nog best op vakantie willen, een zeereis naar Zuid-Amerika lijkt mij wel wat.’
Zijn uw ouders ook zo vitaal oud geworden?
‘Ze zijn verongelukt toen ze begin 70 waren. Mijn oudste zus is ook 100 jaar geworden. Van mijn vier zussen leven alleen de jongste van 89 en ik nog.’
In welke omstandigheden bent u opgegroeid?
‘Ik ben geboren in Dordrecht. Mijn vader werkte als ingenieur bij een chemische fabriek. We woonden achteraf, in een huis met een grote tuin, met uitzicht op een dijk. Aan het eind van de dag stond ik als kind vaak voor het raam te kijken of mijn vader al thuis kwam, dan zag ik hem over de dijk fietsen. Mijn moeder had veel hulp in de huishouding: een wasvrouw en een dienstmeisje, uit boerengezinnen.
‘Op 10 mei 1940 was ik van het ene op het andere moment kind af, 15 jaar was ik. Om 4 uur in de nacht werden we wakker van het lawaai van laag overvliegende vliegtuigen die in westelijke richting vlogen. ‘Nu is het oorlog’, zei mijn vader. Met zijn allen maakten we diezelfde nacht de bovenste verdieping van ons huis leeg, mochten er brandbommen op ons huis vallen, en we beplakten de ramen. We sliepen die eerste nachten in de kelder. Alle wijnflessen begroef mijn vader in de tuin.
‘Op 14 mei hoorden we de bommen op Rotterdam vallen. Toen Nederland zich de volgende dag overgaf, droeg iedereen een witte zakdoek, om de Duitsers duidelijk te maken dat we niks kwaads in de zin hadden. Ik had een vreemd, onzeker gevoel. Zodra het rustiger werd op straat konden we weer naar school. Daar bleek dat mijn klasgenoot Dikkie het eerste slachtoffer in Dordrecht was. Dat maakte indruk op de hele stad. Er werd een dienst voor hem gehouden.
‘Ik wilde wat doen, maar voor de ondergrondse was ik te jong. Koerierswerk mocht wel, ik bracht Het Nieuws rond, een illegaal krantje, in een envelop van de gemeente om te verdoezelen wat erin zat.
‘Mijn vader had gezorgd voor een grote voorraad aardappelen in de kelder. Bij een inval van de Crisis Controledienst werd die in beslag genomen. Daarna zagen we onze dienstmeid niet meer terug; ze had verkering met een Duitse soldaat en moet ons verraden hebben.
‘Na mijn examen hbs-b wilde ik een opleiding voor apothekersassistent volgen, maar dat was onmogelijk. Doordat de spoorbrug was opgeblazen, reden er geen treinen naar Rotterdam. Ik stapte de apotheek in Dordrecht binnen en vroeg de eigenaresse of zij mij kon opleiden. Dat kon. Ik kreeg een heel dik boek en leerde oogdruppels en hoestdrank maken. Pillen draaien vond ik moeilijk; ze werden in het begin vierkant en veel te hard.
‘Na de oorlog heb ik nog een opleiding voor chemisch analist gedaan in Leiden, daarna wilde ik eigenlijk naar de TU in Delft, mijn hoofd was er goed genoeg voor, maar intussen was ik verloofd met Gerrit en kwam er niks meer van. Ik ging als analist werken in een ziekenhuis in Rotterdam, totdat ik in 1948 trouwde. Bij mijn vertrek kreeg ik een maandsalaris mee, daarvan kocht ik een winterjas.
‘We gingen inwonen bij een alleenstaande vrouw. Op de trap had ze op maat geknipte stukjes karton met punaises vastgeprikt, om die te beschermen tegen slijtage. De weinige meubels die we hadden, hadden we gekregen. Een keer hadden we een paar vrienden uitgenodigd. Eén kwam daarna nooit meer, omdat hij op een kussen op de grond had moeten zitten – dat vond hij armoedig.
‘Mijn man verdiende als beginnend ingenieur bijna niks, ik was altijd op zoek naar het goedkoopste eten, op de markt, en hield een kasboek bij waarin ik elke uitgave tot op de cent nauwkeurig noteerde. Als mijn schoonmoeder langskwam met taartjes, dacht ik: had een pakje boter meegenomen!’
Had u als ontwikkelde vrouw moeite met het huisvrouwenbestaan?
‘Zo aan huis gekluisterd was ik niet. Zodra de kinderen naar school gingen, werd ik actief in de ene na de andere commissie van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (NVVH), die de ontwikkeling en emancipatie van huisvrouwen stimuleerde. Eerst lokaal, in Goor, waar we toen woonden, en later bij de provincie. Na een paar jaar werd ik gevraagd voor het landelijk bestuur en de Nederlandse Vrouwenraad, dus was ik vaak en route, voor vergaderingen en bijeenkomsten in Den Haag en andere steden. Ik volgde cursussen over actuele politieke en maatschappelijke thema’s. Die kennis gaf ik op plaatselijke bijeenkomsten weer door aan onze leden. Alleen op zaterdag was ik vrij, zondags ordende ik mijn papieren en bereidde bijeenkomsten voor. Het was als een fulltimebaan, maar onbetaald. Ik had elke dag een hulp in de huishouding; als ik op reis was, vroeg ik haar te blijven totdat de kinderen uit school kwamen. In de ochtend had ik het avondeten al voorbereid, eenmaal thuis hoefde ik alleen het gas aan te steken. Op een gegeven moment ging mijn man koken als ik laat thuiskwam.’
Hadden de bijeenkomsten van de NVVH een emanciperend effect op u en huisvrouwen die ze bezochten?
‘Ik was al geëmancipeerd, ik deed niet alles wat mijn man zei en ging mijn eigen gang. Gerrit accepteerde dat ik zo druk bezet was. Veel huisvrouwen in de jaren zestig en zeventig hadden de behoefte zich te ontwikkelen. Ze hadden niet kunnen doorleren, wisten weinig en zaten thuis maar wat te sudderen – ze moesten uit het slop worden gehaald. Op de bijeenkomsten van de Huisvrouwenvereniging leerden ze van alles over maatschappelijke kwesties en politiek. Wie wilde kon een politieke scholingscursus volgen. Sommigen werden actief in de gemeenteraad, maar ondervonden daar veel weerstand van mannen, ze moesten zich echt invechten.
‘Het was opvallend hoe openhartig vrouwen in onze werkgroepen spraken over hun relatie en seksualiteit. Ze vertelden dat ze moeite hadden met de houding van de man, die alles bepaalde. Vrouwen wilden vrijer worden, durven zeggen wat ze vonden en wat ze wilden.’
Hoe ervaart u de ouderdom?
‘Het leven is saaier geworden. Je hebt geen inbreng meer. Als je 100 jaar bent, tel je niet meer mee: wat moeten ze met zo’n oud mens? Ze denken dat je niets meer meemaakt, dus niks te vertellen hebt. Niemand is in je geïnteresseerd.’
Toch zit hier iemand tegenover u al vier uur lang geïnteresseerd naar u te luisteren en de Volkskrant-lezers lezen de levensverhalen van 100-jarigen graag.
‘Oja? In mijn omgeving merk ik niets van die belangstelling. Maar misschien praat ik nu wel als het zeurderige oude mens dat ik niet ben, haha.’
geboren: 19 juli 1924 in Dordrecht
woont: zelfstandig, in Deventer
beroep: chemisch analist
familie: nog een zus (89), twee kinderen, een kleinkind, drie achterkleinkinderen
weduwe sinds 1994
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant