Curlingouders, sneeuwploegouders, helikopterouders: ouders zouden tegenwoordig overbeschermend zijn. Klopt dat beeld? En wat doet dat met de ontwikkeling van kinderen? ‘De psychologische zijwieltjes moeten er op een gegeven moment af.’
Kan een jongen van 15 jaar met een vriend door Europa interrailen of is dat onverantwoord? In het Verenigd Koninkrijk leidde die vraag onlangs tot een hevige meningenstrijd. Die ontstond nadat de Britse tv-presentator Kirstie Allsopp trots op X had verkondigd dat haar zoon deze zomer zo’n reis had gemaakt. Vervolgens kreeg ze bericht dat maatschappelijk werk zou onderzoeken welke maatregelen ze had genomen om de veiligheid van haar kind te garanderen. ‘Ik heb geen enkele wet overtreden en je kind alleen door Europa laten reizen heeft niets met nalatigheid te maken’, reageerde ze in The Mail on Sunday.
De discussie over hoeveel vrijheid ouders hun kind moeten geven, is niet nieuw. In 2008 werd de Amerikaanse columnist Lenore Skenazy uitgeroepen tot ‘slechtste moeder ter wereld’ omdat ze haar 9-jarige zoon in zijn eentje met de New Yorkse metro liet gaan. De conducteur belde de politie. In reactie hierop begon ze de Free Range Parenting Movement om kinderen meer onafhankelijkheid te geven.
Dat kamp vindt juist dat ouders zich te veel bemoeien met hun kroost. Ze houden alles in de gaten (helikopterouders) of poetsen alle problemen weg (curlingouders). Beschermen ouders hun kinderen inderdaad meer dan vroeger? En wanneer wordt dat problematisch?
‘De manier van opvoeden is door de jaren heen veranderd’, zegt ontwikkelingspsycholoog Stijn Van Petegem van de Brusselse universiteit ULB. ‘Ouders spenderen meer tijd met hun kind, straffen minder en tonen meer warmte en betrokkenheid vergeleken met vijftig jaar geleden. Ze weten beter wat hun kind uitspookt.’ Waarmee hij maar wil zeggen: een term als ‘curlingouder’ benadrukt de negatieve kant van ouderlijke betrokkenheid, maar er zijn ook veel goede kanten.
Bij overbescherming past de bemoeienis van ouders niet bij het ontwikkelingsniveau van het kind. Denk bijvoorbeeld aan een 16-jarige die nog niet alleen naar school mag fietsen. Uit onderzoek blijkt niet dat ouders zich daar massaal schuldig aan maken. ‘We onderzoeken dit nu door de verschillende generaties ouders te vergelijken en verwachten komend jaar de resultaten’, zegt Van Petegem. ‘Het is in elk geval niet zo dat een meerderheid een overbeschermende opvoedstijl toepast.’
Over de auteur
Anna van den Breemer schrijft voor de Volkskrant over grote en kleine levensvragen. In haar opvoedrubriek behandelt ze elke week kwesties waar ouders tegenaan lopen.
Toch komt het beeld van bemoeizuchtige ouders en het in de vrijheid beknotte kind ergens vandaan. Dit kan niet los worden gezien van de maatschappelijke druk die er heerst om een goede ouder te zijn. Uit een groot Amerikaans onderzoek blijkt dat ouders in 2014 vaker twijfelden of ze het wel goed deden, vergeleken met ouders in de late jaren negentig. In de studie gaven ouders aan in hoeverre ze meenden invloed te hebben op het gedrag van hun kind, zoals bij problemen op school of het omgaan met verkeerde vrienden. Het vertrouwen in hun eigen kunnen was beduidend lager dan vijftien jaar eerder.
De onderzoekers vonden het in eerste instantie vreemd dat ouders minder zeker van hun zaak waren geworden. Ze waren immers betrokkener en er was meer kennis over ouderschap beschikbaar. Om de onzekerheid toch te verklaren, wijzen ze voorzichtig naar veranderingen in de maatschappij, zoals de enorme hoeveelheid aan informatie over opvoeden en het vergelijken met andere ouders op sociale media.
‘Er is een verschuiving geweest in wat we als samenleving verwachten van ouders. Uit recente studies blijkt dat ouders het gevoel hebben dat ze het perfect moeten doen. Dat geeft stress’, zegt Van Petegem. ‘Ouders die veel maatschappelijke druk ervaren, zijn vaker op een negatieve manier betrokken, door controlerend of overbeschermend te zijn.’
Het dominante maatschappelijke beeld van jongeren en waartoe zij zelfstandig in staat zijn, lijkt veranderd. In een Nederlands onderzoek uit 1997 werd aan jongeren gevraagd wanneer zij vonden dat ze alleen op vakantie konden. Het antwoord was 15 jaar. Ouders zeiden dat ze dit met 16 jaar oké vonden. Zou je dit onderzoek anno 2024 opnieuw uitvoeren, dan is die leeftijd waarschijnlijk opgeschoven. ‘We zijn adolescenten steeds meer gaan beschouwen als kinderen in plaats van als bijna-volwassenen die nog wat ondersteuning nodig hebben’, zegt Loes Keijsers, hoogleraar pedagogiek aan de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences in Rotterdam.
Je ziet dat bijvoorbeeld terug in de definitie van jongeren die wetenschappers hanteren. ‘Eerst golden mensen tot 21 jaar als jongeren, nu is dat opgerekt tot 25 of 26 jaar. Laatst zag ik in de krant staan: ‘Jongeren onder de 35 jaar’. Nog even en ik word zelf nog als jongere aangemerkt!’
De beschermende houding jegens jongeren zie je ook in officiële regelgeving terug: zo is de leeftijdsgrens voor alcohol in 2014 van 16 naar 18 gegaan en werd in 2023 de helmplicht voor scooters ingevoerd. ‘Dit hangt samen met een bredere tendens van een risicomijdende samenleving, maar je ziet er ook in terug dat we vinden dat jongeren hier niet zelf over kunnen beslissen op die leeftijd. We moeten ze tegen zichzelf in bescherming nemen.’
Of neem onlineleerlingvolgsystemen, zoals Magister, waarmee ouders de schoolprestaties van hun kinderen kunnen monitoren. ‘Vroeger kreeg je één keer per jaar tijdens de rapportbespreking te horen hoe het ging, nu elke dag’, zegt Keijsers. ‘Het is het gevolg van technologische ontwikkelingen, maar daaronder ligt een mensbeeld dat kinderen dit kennelijk nodig hebben.’
Wat vinden jongeren van dit groeiende aantal regels? ‘Bij risicovolle zaken, zoals drinken, drugsgebruik of verkeersgedrag, zeggen kinderen dat ze heel goed begrijpen dat ouders streng zijn’, vertelt Keijsers. De onenigheid in gezinnen ontstaat bij onderwerpen waar het minder makkelijk is om te bepalen of het om risicovol gedrag gaat of om het persoonlijke domein. Zoals bij het dragen van een kort rokje of alleen op stap gaan. ‘Daarvan zeggen jongeren: dat is mijn persoonlijke keuze, terwijl ouders vinden dat het gevaarlijk is.’
Wie de wereld als een gevaarlijke plek beschouwt, voedt zijn kind controlerender en beschermender op, blijkt uit onderzoek. ‘Ouders worden de hele dag blootgesteld aan informatie, waardoor de indruk kan ontstaan dat er van alles misloopt. Aanslagen, migratie, klimaat, pedofilie. Dan is het een begrijpelijke reactie dat je reageert door je kind te beschermen’, aldus Van Petegem. Ook al is er geen bewijs dat de wereld daadwerkelijk zoveel gevaarlijker is. Opvallend is dat het vaak gaat om maatregelen die de veiligheid in de openbare ruimte zouden moeten garanderen, terwijl er minder toezicht is op wat jongeren online allemaal uitspoken.
‘We weten dat angst van ouders makkelijk overdraagbaar is op kinderen’, zegt Keijsers. ‘Dus hoewel de intenties van ouders goed zijn, doet de dreiging van gevaar iets met het zelfvertrouwen van kinderen.’
Wat voor invloed heeft een overbeschermende ouder op de ontwikkeling van een kind? Kinderen die vaak worden geholpen door hun ouders rapporteren minder zelfvertrouwen. Dat zie je bijvoorbeeld bij experimenteel onderzoek waarbij ouder en kind samen een puzzel maken. Wanneer de ouder het meeste werk doet, zeggen kinderen zich minder fijn te voelen over de opdracht.
Voor de puber in kwestie voelt het op de korte termijn ‘chill’ dat mama de titelpagina van het profielwerkstuk maakt. Keijsers: ‘Maar de onderlaag die een ouder meegeeft is: jij kan dit niet zelf, zonder mij ben je niets.’
Bij opvoeden is het lastig om universele claims te doen over wat goed werkt. Het ene kind heeft structuur nodig, terwijl het bij het andere juist beter werkt om de teugels te laten vieren. ‘Maar uit een belangrijke Nederlandse studie onder 159 Nederlandse gezinnen blijkt dat er één ding is dat overal – in alle opvoedsituaties en bij alle gezinnen – bijdraagt aan het welbevinden van kinderen: het ondersteunen van autonomie’, zegt Keijsers. Dit werd gemeten door middel van dagboeken, waarin kinderen reageren op stellingen als ‘mijn moeder/vader laat mij mijn plannen maken’ en ‘mijn moeder/vader houdt rekening met mijn standpunt’.
Dat is de hedendaagse paradox: ouders vinden de wereld een harde plek en om hun kind naar de volgende toets of levensfase te loodsen, verlenen ze alle steun. Maar om volwassen te worden is het broodnodig dat jongeren zelfstandig aanrommelen en fouten maken.
Volgens de theorie van ‘stress inoculation’(stressinenting) helpen kleine beetjes stress juist om later grotere uitdagingen het hoofd te bieden. ‘Denk aan een tiener die al een keer in de verkeerde trein is gestapt waardoor ze in Maastricht in plaats van Groningen eindigde’, zegt Keijsers. ‘Daarvoor moeten jongeren ervaringen opdoen en niet op de bank blijven zitten. Bij jongere kinderen weten ouders intuïtief: mijn kind leert niet fietsen door de zijwieltjes erop te laten. Hetzelfde geldt voor adolescenten: de psychologische zijwieltjes moeten eraf.’ En vaak is het de eigen stress die ouders moeten leren tolereren.
Moeten overbeschermende ouders hun kind meer aan hun lot overlaten? ‘Nee’, zegt Keijsers. Helemaal geen bemoeienis is het andere uiterste. ‘Een autonomie bevorderende opvoeding houdt in dat je je kind helpt zélf een oplossing te zoeken. Dat doe je bijvoorbeeld door aan het begin van de week te vragen: hoe ziet je week eruit, zie je ergens tegenop? Waarbij heb je mijn hulp nodig en waarbij niet? Je laat de regie bij het kind.’
Tot slot: ouders kijken ook naar wat andere ouders doen. En ze worden beïnvloed door maatschappelijke opvattingen over wat gangbaar is. Als niemand zijn kind op 12-jarige leeftijd alleen thuis laat, dan zullen ouders dat bij hun eigen kind niet snel geneigd zijn te doen. Hetzelfde geldt voor de beslissing om kindlief alleen naar school te laten lopen. Keijsers: ‘Terwijl dit allemaal kleine stapjes zijn naar zelfstandigheid die ertoe bijdragen dat een 15-jarige later alleen kan interrailen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant