In de ochtend van 9 maart dit jaar vertrok Ahmed Adel Saleh al-Ajrami, een 27-jarige Gazaan, van huis in Al Zawaida met het plan zich bij zijn zus Tamer te voegen in de zuidelijke stad Rafah, die als veiliger gold. Sindsdien is hij spoorloos. „Mijn moeder huilt nog elke dag en ik huil met haar mee”, zegt Tamer Adel al-Ajrami aan de telefoon.
Via zijn mobiel viel Ahmed niet meer te traceren; die was hij aan het begin van de oorlog tussen Israël en Hamas al kwijtgeraakt. De familie schakelde een advocaat in om te achterhalen of Ahmed misschien was meegenomen door Israëlische militairen, zoals veel Gazaanse jongemannen overkomt, maar Ahmed bleek niet voor te komen op de lijsten van gevangenen in Israël. Vervolgens gaf de familie hem op als vermist bij het Rode Kruis.
Net als duizenden anderen vragen Ahmeds ouders, zijn vier broers en zuster zich wanhopig af wat er met hun familielid is gebeurd. „Moet ik hem beschouwen als een martelaar wiens lichaam nog niet is gevonden”, vraagt Tamer Adel al-Ajrami. „Is hij in een massagraf beland? Is hij door honden opgevreten? Zit hij toch vast in Israël? Of zát hij gevangen en werd hij doodgemarteld?”
Nu rest de familie alleen de herinnering aan Ahmed, die zanger had willen worden, of profvoetballer. Dat laatste was hem bijna gelukt. Kort voor zijn verdwijning was hij in gesprek met de Egyptische club Al-Ahly, een van de beste van dat land, over een contract.
Humanitaire hulporganisaties schatten dat er in totaal tienduizenden Gazanen worden vermist, van wie ongeveer de helft kinderen. Volgens een rapport van Save the Children in juni waren er toen alleen al zo’n 4.000 kinderen onder het puin verdwenen, terwijl op dat moment nog eens 17.000 kinderen van hun ouders gescheiden waren geraakt.
Ook de lichamen van duizenden volwassenen liggen al maanden onder door Israël tot puin gebombardeerde gebouwen, zonder dat de familie daar zekerheid over heeft. Anderen zijn in massagraven beland zonder dat iemand hen tijdig kon identificeren. Weer een ander deel zit in Israël gevangen zonder dat familieleden zijn ingelicht. En nog weer anderen leven in de Gazastrook zonder te weten hoe ze weer in contact kunnen komen met familieleden elders in het gebied, die noodgedwongen soms al tien keer van verblijfplaats zijn gewisseld.
De belangrijkste hulpinstantie bij vermissingen is het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC). Dit beheert een wisselende lijst met ruim 9.000 Gazaanse vermisten, die nog steeds groeit. Al kort na het begin van de oorlog in oktober zette het ICRC hotlines op, waar familieleden van vermisten zich kunnen melden. Die nummers worden honderden keren per week gebeld. Als het om een nieuwe melding gaat, wordt er een dossier over de vermiste persoon aangelegd. Als een familielid blijkt te zijn overleden of – in het beste geval – herenigd is met zijn of haar familie, wordt dat weer gesloten. Eind juli waren zo 2.560 dossiers weer gesloten.
Maar aan veel Gazanen blijft de onzekerheid vreten of hun dierbare nog in leven is. Dalal Hamdi uit Al-Qarara vertelt hoe haar 67-jarige vader had geweigerd na een eerdere evacuatie de zuidelijke plaats Khan Younis te verlaten, toen het bevel daartoe kwam van het Israëlische leger. Hij beloofde de rest van het gezin later te volgen. „Maar het huis waar hij zat werd omringd door Israëlische tanks”, vertelt ze. „Toen mijn broer na zware gevechten de volgende dag terugging om mijn vader te zoeken, bleek de woning te zijn uitgebrand en was mijn vader vermist. Israëlische militairen schoten op mijn broer, maar hij wist te ontkomen.”
De familie vroeg overal rond, maar werd niets wijzer over het lot van Hamdi senior. „Toen het Israëlische leger zich later uit Khan Younis had teruggetrokken, keerden we terug naar het gebouw, dat inmiddels helemaal in puin was gelegd. We vonden er niets, niemand wist wat er met mijn vader was gebeurd. Iemand zei dat men hem had begraven. Maar toen we hem vroegen te beschrijven wat voor kleren het lichaam had gedragen, bleek het toch een ander te zijn geweest. Mijn broer begon zelfs menselijke resten in massagraven op te graven in de hoop iets te vinden. Maar drie maanden nadat hij is verdwenen hebben we nog altijd geen idee of mijn vader leeft. Ik zie hem vaak in mijn dromen.”
Het ICRC helpt al ruim een eeuw om vermisten bij gewapende conflicten te traceren. „Het is van het grootste belang voor familieleden dat ze een zaak kunnen afsluiten. Dat ze weten wat er is gebeurd”, zegt Sarah Davies, woordvoerster van het ICRC telefonisch vanuit Jeruzalem. „Die langdurige onzekerheid is emotioneel loodzwaar voor hen.”
Dat bevestigt ook een 19-jarige student in Deir al-Balah op de Gazastrook. Hij komt uit Gaza-Stad en verblijft – net als veel andere ontheemde Gazanen – met de rest van zijn familie in een tent. Hij weet niet wat er met een goede vriend is gebeurd. „Het is ongelofelijk moeilijk om het lot van je beste vriend niet te kennen. Hij was als een broer voor me, maar nu is hij plotseling spoorloos verdwenen.”
De jonge man wil niet dat NRC zijn naam noemt.
De hulp die het ICRC in de Gazastrook kan bieden is beperkt. Er wordt nog altijd volop gevochten tussen Israël en Hamas en met name de Israëlische bombardementen hebben voor ongekende verwoestingen gezorgd. „De omstandigheden zijn er op het ogenblik niet naar om actief te zoeken naar vermisten en van deur tot deur en schuilplaats tot schuilplaats te gaan”, zegt Davies. „Mensen trekken ook van de ene plaats naar de andere. Wel checken we lijsten van ziekenhuizen na gevechten. Gewonden kunnen dan in ziekenhuizen belanden, terwijl zij elders als vermist gelden, doordat ze bijvoorbeeld hun telefoon zijn kwijtgeraakt.”
Ook op forensisch gebied staan ICRC-medewerkers voor uitdagingen. Soms zijn vermisten begraven in massagraven, omdat het, bij gebrek aan koeling of ruimte in mortuaria, op dat moment niet anders kon. „Wij doen zelf de identificatie in zulke gevallen niet, maar helpen lokale autoriteiten zoveel mogelijk, onder meer met apparatuur.”
Ali Yasser Al-Hilu, een 33-jarige Palestijn zonder werk, tast in het duister over het lot van zijn zwager en neef Basil, die ruim negen maanden geleden verdween. De laatste keer dat hij gezien werd, was in het Al-Shifa-ziekenhuis in Gaza-Stad. Nadat Israëlische militairen daar waren binnengedrongen, hoorde Ali, werden sommigen meegenomen. Anderen werden ter plaatse doodgeschoten.
„We benaderden het Rode Kruis verschillende keren en we zochten allerlei andere ziekenhuizen af, maar niemand kon ons helpen”, aldus Ali, die vertelt dat zijn zwager makkelijk is te herkennen aan een glazen oog. „De toestand bij ons thuis is nog altijd heel gespannen. Iedereen is bezorgd om hem. We snakken naar informatie. Als hij dood is, willen we dat weten, en als hij bij de Israëliërs zit ook.”
Gazaanse reddingswerkers komen vaak dichter bij vermisten dan wie ook. Zij komen in actie als er mensen onder het puin van net door Israël gebombardeerde gebouwen terecht komen. Een bijna onmogelijke, diep frustrerende taak, omdat ze vaak alleen hun handen en wat eenvoudig gereedschap – hamers, scheppen – hebben om de slachtoffers uit te graven.
De 23-jarige Noah Muhammad Rashad al-Shaghunubi is een reddingswerker. „We hoorden vaak kinderstemmen roepen van onder het puin van gebouwen van vijf of zes etages”, vertelt hij, door emoties overmand bij de herinnering. „Natuurlijk probeerden we ze dan uit te graven. Maar al groeven we nog zo lang, op den duur verflauwden hun stemmen en dan wisten we dat ze dood waren. Dan gingen we op het puin zitten en barstten in huilen uit.”
Met medewerking van Floris van Straaten.
Source: NRC