Home

‘Wint een ideaal het van het kind dan wordt het gevaarlijk’

In haar jeugd merkt Paulien Bom hoe haar ouders de verwezenlijking van hun idealen misschien wel belangrijker vinden dan aandacht voor haar.

‘Ouders lopen tegenwoordig vaak achter hun kinderen aan, ze zijn bang hun een strobreed in de weg te leggen en zijn vooral bezig met voorkomen dat er iets misgaat. Dat maakt ouders volgend, niet vormend. Maar te veel vrijheid voor een kind is een vorm van verwaarlozing. Ouders zouden niet zo bang moeten zijn hun stempel te drukken, zolang hun idealen het maar niet van het kind winnen.’

Als schrijver van opvoedingsboeken en voormalig verpleegkundige op een consultatiebureau heeft Paulien Bom een voorliefde voor idealistisch ingestelde ouders: ‘Met rechttoe rechtaan ouders die alleen iets over soorten babyvoeding wilden weten, kon ik nooit zoveel.’ Maar haar voorkeur gaat wel vergezeld van ambivalente gevoelens tegenover opvoeden met idealen: ‘Ik vind het waardevol én belastend’, schrijft ze in haar lezenswaardige boek Bevlogen en belast.

Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Titel en ondertitel (‘Over het wel en wee van opgroeien met idealen’) onderstrepen haar ambivalentie. Blikt de 70-jarige Bom terug op haar eigen jeugd dan maakt dat dezelfde gemengde gevoelens los. In de jaren vijftig en zestig groeit ze op in een antroposofisch gezin, met ouders die de leer van Rudolf Steiner (1861-1925), de Oostenrijkse grondlegger van de antroposofie, hartstochtelijk volgen: ‘Het zat in alles, van de tandpasta tot onze vakantiebestemmingen. Van de afwezigheid van radio en televisie tot de keuze voor de vrije school.’ De vier kinderen, van wie zij de derde is, gaan vrijwel uitsluitend om met ‘gelijkgestemden’, ook de hobby’s timmeren en muziek worden in antroposofisch verband beoefend. Het leidt bij haar tot ‘wij-zij-denken’ en ‘een misplaatst gevoel van superioriteit’.

Ernstig onthand voelt Bom zich wanneer ze door haar studie verpleegkunde ‘in de grote wereld’ belandt: ‘Ik was daar totaal niet op voorbereid.’ Dus zoekt ze veiligheid in de ‘beschermende wereld van de antroposofie’. Op haar 45ste, inmiddels moeder van drie zonen, besluit ze de leerstellingen van Steiner overboord te zetten: ‘Ik kwam erachter dat ik bomvol antwoorden zat, maar nooit de voorafgaande vragen had gesteld.’ Drie jaar later maakt een val op haar hoofd een einde aan haar werk bij het consultatiebureau: ‘Door mijn hersenletsel ging dat niet meer.’ Sindsdien heeft ze vier boeken geschreven en is ze bezig aan een volgende, met als werktitel De Stalenburg (de naam van haar ouderlijk huis). Dat belooft haar meest persoonlijke te worden: ‘Daarin voer ik het gesprek waar ik in werkelijkheid nooit aan toe ben gekomen: dat met mijn ouders over onze jeugd. Mijn hoop is dat het tot nadenken stemt over opvoeden met idealen.’

Welke idealen zijn u bijgebracht?

‘Dat zijn idealen die ik eigenlijk nog altijd onderschrijf, zoals eerbied voor de mens en de natuur die zo veel grootser en wijzer is dan wijzelf. Dat vertaalde zich in aandacht voor duurzaamheid, ver voordat dat in de mode kwam, en in een extreem sobere levensstijl. Ik heb er een gezonde aversie tegen materialisme en hebzucht aan overgehouden. We aten biologisch-dynamisch – niet alleen voor onze eigen gezondheid, maar vooral ook voor een gezonde aarde. Wat het me verder levenslang heeft bijgebracht, is het besef dat je hier op aarde bent om iets zinvols te doen en om je hele leven lang te leren, allebei waarden die ik nog altijd van harte onderschrijf.’

Mooie idealen, waarom heeft uw opvoeding u dan toch belast?

‘Wij zagen onszelf als de voorlopers, de anderen waren nog niet zo ver. Dat leidde tot een sterk denken in ‘wij’ en ‘zij’. We woonden op een soort eiland – een enorm, knotsgek huis in de buurt van Zeist. We hadden katholieke buren. Daar kwamen we nooit over de vloer, maar toen Kennedy in 1963 werd doodgeschoten mochten we daar televisiekijken. Ze waren katholiek, maar ik vond dat een geloof van niks, want ze gingen alleen op zondag naar de kerk. Ik vond ons echt beter, met onze dagelijkse spreuken bij het eten en voor het slapen. Een arrogante gedachte, heel gênant. Met dat soort superioriteitsdenken sluit je het overgrote deel van de mensen uit. Dat vind ik nu erg. Het maakte ook dat ik me lang buitenstaander heb gevoeld. Dat voel ik me af en toe nog weleens.’

Hoe brachten uw ouders hun idealen op u over?

‘Mijn ouders leefden hun idealen vooral voor door snoeihard te werken. Daardoor heb ik me als kind verwaarloosd gevoeld, het lot van veel kinderen van idealistische ouders. Begrijp me goed: ik voelde me ook geliefd, het was niet het soort verwaarlozing waarbij je jeugdzorg inroept, het was subtieler. Mijn ouders waren gericht op iets betekenen voor de aarde en de mensheid, waardoor ik ervoer dat er voortdurend iets hogers en groters was dan ikzelf. Er was een geestelijke wereld, waar zij een bijdrage aan konden leveren door hun taak op aarde goed te vervullen. Daarvoor moesten ze ook hard aan hun eigen ontwikkeling werken. Dus mediteerden ze iedere ochtend en dan mochten we absoluut niet storen. Bij mijn vader moest ik altijd aankloppen om iets van zijn kostbare tijd te krijgen.’

Vond hij zijn eigen ontwikkeling belangrijker dan die van u?

‘(stilte) Ik val stil, omdat het een rake vraag is. Kijk, in de antroposofie is het belangrijk dat je iets doet voor de geestelijke wereld of de mensheid, voor het hogere. Dat zal bij mijn vader zeker een hoofdrol hebben gespeeld. Maar uiteindelijk was hij toch vooral erg op zichzelf gericht – op zijn werk voor een antroposofisch organisatieadviesbureau en voor de antroposofische vereniging. Aan het einde van zijn leven heeft hij in een interview toegegeven dat zijn kinderen tekort zijn gekomen, maar hij voegde er meteen aan toe dat hij niet het type was om daarover schuldgevoelens te cultiveren. Erg doorvoeld was die opmerking volgens mij niet, tegen ons heeft hij in ieder geval nooit zoiets gezegd. Mijn pogingen om het erover te hebben, liepen stuk op zijn neiging mijn vragen antroposofisch te duiden. Bovendien vond hij emmeren over in zijn ogen kleine kwesties uit het verleden maar niks – hij behoorde tot de generatie van de wederopbouwers, toekomstgericht en groot denkend; het alledaagse vond hij al snel gezeur. Mijn moeder besteedde vrijwel al haar energie aan haar werk als docent op de Vrije School. Ook als ze thuis was, was ze er daardoor niet echt. Voor ons als gezin vond ik het een rampzalige constellatie. Ik voelde me als kind vaak niet gezien of gehoord.’

Kwam u in uw puberteit niet in opstand?

‘Ik ben me vooral gaan afzonderen. Eenmaal ben ik de strijd aangegaan, omdat ik vond dat ik te weinig kleren kreeg – voor zoiets materieels had mijn moeder geen enkele aandacht. Maar opstandig ben ik nooit geworden. Het loslaten van de antroposofie is bij mij een zeer geleidelijk proces geweest. Tijdens mijn opleiding verpleegkunde was ik zelf nog het antroposofische denken aan het verspreiden. Dan ging ik mijn medestudenten vertellen dat antibiotica niet goed waren. In die tijd merkte ik ook dat ik totaal niet op de wereld en op een toekomst door mijn ouders was voorbereid. Ik voelde me een antroposofische kneus. Veel dingen durfde ik niet, zoals naar een café gaan of wijn drinken. Voor ontspanning, plezier, zo maar wat lummelen was nauwelijks ruimte, alles wat ik deed, moest gericht zijn op een hoger doel.’

Wat betekende dat voor het opvoeden van uw eigen kinderen?

‘Als moeder was ik geneigd de lat erg hoog voor mezelf te leggen. Anders dan mijn eigen moeder wilde ik er wel voor mijn kinderen zijn. Maar op alles wat ik deed, zat de kramp van het goed willen doen. Dat leidde tot een huwelijkscrisis, toen de kinderen nog jong waren. De therapie die ons daaruit hielp, leerde me meer te kunnen loslaten en genieten. Ik kreeg er plezier in met mijn kinderen mee te groeien. We vormden als gezin geen eiland, zoals ik vroeger had ervaren, maar waren in onze omgeving ingebed – voor vriendjes van de kinderen hielden we open huis. Ik kon toen nog geen streep door de antroposofie zetten, maar de verhouding werd wel aanzienlijk losser. De echte breuk volgde jaren later, op mijn 45ste.’

Waardoor werd die veroorzaakt?

‘Ik voelde dat ik mijn natuurlijke vrolijkheid kwijt was. Dat had met mijn antroposofische erfenis te maken. Wat mijn leven zwaar maakte, was het idee dat ik bij mijn dood veel moest hebben gepresteerd – ik zou een soort spiritueel portfolio moeten kunnen overleggen. Met hulp van een psycholoog ben ik die eis als een verborgen bezetter gaan zien – een externe kracht die niet bij mijzelf paste. Nog belangrijker was dat die psycholoog de eerste van de ‘zij’-wereld was die ik onvoorwaardelijk kon vertrouwen. Van jongs af had ik kameleongedrag tegenover niet-antroposofen ontwikkeld, waarbij ik mijn achtergrond buiten hun zicht hield. Zij was de eerste bij wie ik voelde dat het niet meer nodig was. Een grote verandering in mijn leven, het zette me aan tot het afscheid nemen van de antroposofie. Ik ervoer dat als een ware bevrijding. Daarna heb ik vooral het niet-weten omarmd. Dat zie ik als de motor om nieuwsgierig naar mensen te blijven.’

Op welk ideaal bent u uitgekomen?

‘Ouders helpen met het verwezenlijken van hun idealen – door de kracht ervan aan te geven, maar ook de gevaren. Die dienen zich aan wanneer het ideaal wint van het kind. Dan wordt het kind niet meer gezien en is het gesprek niet meer mogelijk. Nog gevaarlijker vind ik het wanneer kinderen voor het ideaal van de ouders worden ingezet. Er bestaan spotjes waarin kinderen tegen Geert Wilders waarschuwden. Dan wordt er voor mij een grens overschreden.’

Opvoeden kan toch ook zonder idealen?

‘Dat kan wel, maar het is in mijn ogen belangrijk dat kinderen een idee krijgen waar hun inspanningen toe dienen. Dat geeft ze vertrouwen in hun toekomst. Tegenwoordig draait alles voor scholen en ouders om goed gedrag en het verwerven van kennis. Dat vind ik armoedig. Juist bij kinderen die van huis uit geen idealen hebben meegekregen, zou je in moeten gaan op hoe ze in de wereld van betekenis kunnen zijn. Om ze het gevoel te geven dat ze ertoe doen. Die idealen hoeven niet hemelbestormend te zijn – het bijbrengen van levensplezier aan je kinderen kun je ook als ideaal zien. Het kan klein zijn. In ons dorp zie ik mensen die zich ontfermen over hun buren. Zelf vinden ze dat gewoon, maar ik zie ze als echte idealisten.’

Wat staat u in deze levensfase voor ogen?

‘Ik vind het belangrijk me open te blijven stellen voor de generatie van mijn kinderen en die van mijn kleinkinderen, zij houden me bij de les. Met mijn volgende boek wil ik bijdragen aan het gesprek tussen de generaties door ouders te laten nadenken over hun opvoeding. Een Nieuw-Zeelands gezegde luidt: je moet je kind wortels en vleugels meegeven. Wortels om houvast te ervaren, vleugels om de vrijheid te voelen een eigen weg te gaan. Bij het gesprek daarover zijn ouders en kinderen gebaat. Ze hebben elkaar zoveel te bieden.’

Boektip: Medemenselijk opvoeden, Micha de Winter.

‘Een menselijke samenleving ontstaat niet vanzelf, je moet er bewust en actief naar streven. De Winter, hoogleraar pedagogiek en zoon van twee Holocaust-overlevenden, legt uit wat daarvoor nodig is en waarom hij zo diep van het belang is overtuigd. In de epiloog schetst hij indringend welke waarden hem persoonlijk drijven.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next