Ghayath Almadhoun woont in Duitsland, waar de steun voor Israël van oudsher groot is. Sinds de aanval van Hamas op 7 oktober merkt hij dat hij geen podium meer krijgt. ‘Maar ik vlucht niet meer. Ik wil me ervoor inzetten dat Europa multicultureel blijft.’
De dichter Ghayath Almadhoun schrijft spookachtige teksten. De titel van zijn derde poëziebundel luidt dan ook: Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen. Je kunt het werk van de in Syrië geboren Palestijn met een Zweeds paspoort daarom best poëzie voor de wereld van nu noemen.
De 45-jarige Almadhoun schrijft prozagedichten. Het is een vorm die je bij eerste lezing op het verkeerde been kan zetten. Soms lezen ze als een anekdote, soms als een verslag of een betoog. Maar gaandeweg blijkt dat de stapeling van beelden en gedachten niet per se een verhalende logica vormt, maar vooral een gevoel overbrengen.
Over de auteur
Alex Burghoorn is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek en subsidiebeleid. Tussen 2005 en 2010 was hij correspondent in Israël en Palestina.
Zijn werk nodigt daarbij uit om hardop voor te lezen. De zinnen, oorspronkelijk geschreven in het Arabisch, ruisen en ronken ook in de Nederlandse vertaling. Wie ze hardop uitspreekt, voelt de woorden in het lichaam doorklinken, en daarmee de liefde, de pijn en de woede die erin schuilen.
‘Als ik schrijf, sluit ik me niet af van de werkelijkheid’, zegt hij op een donderdagmiddag. ‘Ik hou niet van activisme, maar in kunst moet wel de politiek van het bestaan doorklinken: klasse, gender, bezetting, kolonialisme. Ons leven. Of je nu Roma bent, of feminist, of Jood, of vrijdenker of Palestijn, je moet je verbinden met wat er om je heen gebeurt. Alleen dan kun je komen bij gevoelens van schuld, schaamte en verantwoordelijkheid. Alleen dan kun je de wonden aanraken die wij mensen hebben.’
Zestien jaar geleden kreeg Almadhoun politiek asiel in Zweden, maar hij woont al vijf jaar in de Duitse hoofdstad Berlijn. ‘Ik hou van het kosmopolitische, daarvan is in Stockholm te weinig.’ Maar tijdens het videogesprek is hij in Spanje, waar hij een week bij vrienden verblijft. ‘Even uitblazen’ van de lange maanden van debat, protest en politie-ingrijpen in Duitsland, na de aanval van de Hamas-strijders op 7 oktober vorig jaar (bijna 1.200 doden en 251 gegijzelden) en het Israëlische legeroffensief in Gaza (41 duizend doden). Zijn hoofd tolt ervan, maar hij is blij erover te kunnen vertellen.
Net als in Nederland is er in Duitsland strijd over de vraag of steun voor Palestina en kritiek op Israël uitingen van antisemitisme zijn. Al meteen stond het debat op scherp in Duitsland, dat Israël al decennia vierkant steunt vanwege de historische schuld aan de Holocaust. Op de Frankfurter Buchmesse ging een week na het door Hamas aangerichte bloedbad van 7 oktober de uitreiking van een literatuurprijs aan de Palestijnse schrijver Adania Shibli niet door, omdat de organisatie dat ongepast vond op een moment dat Israël alle steun verdiende.
In februari ontaardde de prijsuitreiking op het filmfestival van Berlijn in een dagenlang politiek debat, omdat een van de makers van de Israëlisch-Palestijnse documentaire No Other Land in zijn dankwoord opmerkte hoe pijnlijk het was om gelauwerd te worden ‘terwijl tienduizenden van mijn mensen in Gaza worden afgeslacht door Israël’. Omdat geen van beiden iets zei over de gewelddaden van Hamas, kregen ze van de Berlijnse burgemeester het verwijt aan ‘ondraaglijke relativering’ te doen.
‘Als je nu in Duitsland zegt dat je Palestijn bent, beschuldigen ze je al van antisemitisme’, zegt Almadhoun. ‘Als je wordt gevraagd waar je vandaan komt, en je wilt niet worden gecanceld, moet je zeggen: ik ben stateloos.’
Voor het literatuurinstituut Haus der Poesie stelde Almadhoun een bloemlezing samen, in Duitse vertaling, van poëzie van Arabisch-Europese dichters. Op 5 oktober ontving hij per mail de plannen voor de presentatie ervan. Zeven dagen later, kort na de moordpartijen in de Israëlische kibboetsen, kreeg hij een zakelijke mail dat de presentatie was afgezegd wegens tekorten op de najaarsbegroting van de uitgeverij.
Voor Almadhoun was het duidelijk: het instituut wilde een Palestijn geen podium meer geven. In de aanloop naar de publicatie had de organisatie namelijk ook gevraagd of de in de bundel opgenomen Palestijnse dichters een verklaring konden tekenen. Ze zouden zo afstand nemen van de BDS-beweging, die al bijna twintig jaar oproept om met ‘boycots, desinvesteringen en sancties’ Israël onder druk te zetten om de bezetting van de Palestijnse gebieden te beëindigen. Almadhoun wist het tegen te houden, maar het liet volgens hem zien hoezeer het instituut ervoor beducht was Israël voor het hoofd te stoten. (Toen hij de publiciteit zocht met de afzegging van de boekpresentatie, bleef de uitgeverij erbij dat alleen financiële redenen een rol speelden.)
‘Ik heb er even aan gedacht te vertrekken uit Duitsland toen ze ons de mond begonnen te snoeren. Maar ik vlucht niet meer. Als kind had ik van die romantische gedachten dat ik zou hebben teruggevochten tegen de nazi’s als ik Joods was geweest in de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen Quentin Tarantino fantaseerde daarover in zijn film Inglourious Basterds. Nu wil ik me ervoor inzetten dat Europa multicultureel blijft. Niet tolerant, maar echt multicultureel. In tolerantie schuilt racisme, een idee van hiërarchie. Het kan niet zo zijn dat jij mij tolereert. We zijn hier allebei en we zijn gelijk.’
Aan het eind van het in het Engels gevoerde gesprek zegt Ghayath Almadhoun: ‘Ik wil je iets vragen. Kun je me alsjeblieft in de vertaling niet dom laten klinken? Wees zorgvuldig, want het Nederlands is belangrijk voor me.’
Zijn gedichten vielen meteen bij zijn debuut, tien jaar geleden, op in Nederland. Van zijn eerste bundel Weg van Damascus (2014) zijn al vier drukken verschenen. Ook zijn tweede, Ik hier jij daar (2017), een duo-bundel met toenmalig Dichter des Vaderlands Anne Vegter, is herdrukt. Ook Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen, die in de lente verscheen, beleefde in de zomer een tweede druk.
Almadhoun woonde en werkte in 2019 vijf maanden in Amsterdam, op uitnodiging van het NIAS, de ‘intellectuele vrijhaven’ van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). ‘Ik had een fiets en schold op toeristen die niet uitkijken bij het oversteken’, zegt hij grinnikend. Gedichten van Almadhoun zijn in 35 talen vertaald, tot Chinees, Oekraïens en Hebreeuws aan toe.
‘Ik heb het geluk dat er 500 miljoen mensen Arabisch spreken: mensen kunnen mij van een dorp in Libië tot in de bergen van Jemen lezen. Daar downloaden ze mijn bundels illegaal of sturen ze rond als pdf-bestanden. Ik verdien er geen geld mee, maar heb wel miljoenen lezers. Zonder overdrijven! Het voelt alsof ik een leger aan lezers heb.
‘Toch heb ik met Nederland een bijzondere band. Lezers begrijpen me hier, beter dan bijvoorbeeld in Zweden. Zelfs mijn kritische gedichten over Europa kunnen jullie aan (zie inzet). Misschien is het omdat de liberale geest van het islamitische Andalusië in de 17de eeuw naar Nederland kwam – denk aan de Joodse voorouders van de filosoof Spinoza, die naar het noorden vluchtten omdat ze weigerden zich tot het christendom te bekeren toen de moslims uit Spanje en Portugal waren verdreven. Of anders staan jullie misschien meer open voor andere stemmen, omdat jullie de wereld van de Cariben tot aan Nieuw-Zeeland hebben bevaren. Al wil ik daarmee niets positiefs over het kolonialisme zeggen.’
Zijn eerste gedichten schreef Ghayath Almadhoun in het Syrië van dictator Bashar al Assad. Maar het was zijn politieke engagement dat hem in problemen bracht: hij was actief in kringen die nadachten over hoe ze de dictatuur konden beëindigen. Nadat zeven van zijn vrienden waren opgepakt, aarzelde hij niet langer: hij sloeg in 2008 op de vlucht. Al duurde het even voor hij een manier had gevonden waarop dat kon.
‘Ik kreeg een uitnodiging van een Zweeds literatuurfestival, en kon daarvoor een visum krijgen. Alleen had ik geen paspoort, omdat mijn in Palestina geboren vader pas na 1967 in Syrië aankwam. Ik heb toen eerst een Palestijns paspoort naar Damascus laten smokkelen vanuit Ramallah op de Palestijnse Westoever. Maar Syrië erkent dat paspoort niet, dus kon ik er niet mee weg.
‘Het is me daarna gelukt iemand op het vliegveld om te kopen, die zei: ‘Als het je lukt om op 2 september tussen 12 uur ’s nachts en 3 uur ’s ochtends een vlucht te boeken, dan is daar iemand die je doorlaat.’ Ik vond op dat tijdstip een vlucht naar Hongarije. In Boedapest wilden ze eerst niet geloven dat ik Syrië zonder stempel in mijn paspoort had weten te verlaten, en ze wilden me niet doorlaten. Maar de Zweden bevestigden dat ik welkom was.’
Vanuit Stockholm zag Almadhoun daarna hoe de Arabische Lente in zijn geboorteland in 2012 uitliep op een gruwelijke burgeroorlog. Vele honderdduizenden Syriërs maakten de oversteek naar Europa. Over zijn schuldgevoel schreef hij tien jaar geleden het gedicht ‘Ik kan niet aanwezig zijn’, dat zo begint:
‘In het Noorden, vlak bij Gods omheining, genietend van de vooruitgang, de beschaving, de magie van de technologie en de nieuwste civilisatiemethoden die door de mens zijn ontwikkeld, onder de verdovende invloed van veiligheid, ziektekostenverzekeringen, sociale voorzieningen en vrijheid van meningsuiting, strek ik me uit onder de zomerzon, alsof ik een witte man ben.’
De vader van Ghayath Almadhoun is in 1947 geboren in Majdal Asqalan, in het Britse mandaatgebied Palestina. De plaats was een centrum van de Palestijnse textielindustrie, beroemd om stoffen voor traditionele bruidsjurken. Het was vlak voordat Israël in 1948 de onafhankelijkheid uitriep en 700 duizend Palestijnen op de vlucht sloegen voor het leger van de Joodse staat. De familie Almadhoun ging naar het zuiden, dieper de Gazastrook in, en mocht, net als alle andere vluchtelingen, van Israël nooit meer naar huis terugkeren.
Maar met zijn Zweedse paspoort kon Almadhoun vorig jaar doen wat zijn vader niet mag: hij zag de paar gebouwtjes die er van Majdal over zijn, midden in Ashkelon, de kuststad die Israël eroverheen bouwde. De Israëlische oudheidkundige dienst heeft er blauwe bordjes opgehangen, als om te wijzen op de resten van een verdwenen beschaving. Hij las daarop zijn eigen achternaam: de Almadhouns waren tachtig jaar geleden al een van de grootste families van Gaza.
‘Ik was al vijf keer naar Palestina gereisd – naar de Westelijke Jordaanoever en Jeruzalem – maar uit schuldgevoel tegenover mijn vader, die ik al zestien jaar niet meer heb gezien, lukte het me eerder niet Ashkelon te bezoeken. Toen ik een Europees paspoort kreeg, heb ik meteen een ticket geboekt. Ik voelde me gelukkig: ik kon Palestina met eigen ogen zien! Het voelde alsof ik mijn recht op terugkeer uitoefende, ook al waren het Israëli’s die me binnen lieten.
‘Van de vijftien miljoen Palestijnen in de wereld kunnen er maar zo weinig daarheen. Hoe kan ik mijn vader ooit weer in de ogen kijken? Ik heb hem de foto’s gestuurd van wat er over is van de huizen en het bordje met onze familienaam in het Hebreeuws. Maar erover praten is heel moeilijk.’
Het was in september, een jaar geleden nu, en Almadhoun reed de hele weg af die langs de grens van Gaza naar het zuiden loopt, langs de Israëlische kibboetsen die daar vlakbij liggen. ‘Ik wilde de hoge flats zien van Gaza-Stad en ben 10 meter van het hek gaan kijken. Godzijdank gebeurde 7 oktober niet twee weken eerder. Ik was weer in Berlijn toen het begon.’
Hij is de tel kwijtgeraakt van het aantal familieleden dat is gedood bij de Israëlische bombardementen op Gaza in de afgelopen elf maanden. ‘Ik heb de namen van 122 van hen gedeeld op sociale media. Het aantal is al veel hoger, misschien wel drie- of vierhonderd. Eerst schreven de dokters de namen nog op, en toen de journalisten. Maar van die laatsten zijn er ook al meer dan honderd vermoord.’ Hij is even stil. ‘Vijftien Palestijnse schrijvers zijn ook dood. Welke schrijvers in het Westen hoor je daarover?’
De laatste jaren duikt er steeds een verloren, verslonden en verdwenen hand op in zijn gedichten. Vandaar dat Almadhoun zijn bundel zo’n spookachtige titel gaf: Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen. Maar van wie die hand precies is? ‘Ik weet het niet. Volgens een vriend staat de hand symbool voor Syrië. Of Palestina. Dat kan. Maar volgens een andere vriend, een Syrische psychotherapeut, is het de hand van mijn broer Ghassan. Hij kwam om bij een bombardement in Syrië, op 2 april 2016. Ik had hem toen al acht jaar niet meer kunnen zien. Zijn lichaam is nooit gevonden.’
Fragmenten uit ‘Ode aan het verdriet’
vertaald door Djûke Poppinga en verschenen in Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen (2024)
‘We houden van je, Europa, o oud continent, ik weet niet waarom ze je oud noemen, want je bent jong vergeleken met Egypte en het land van Eufraat en Tigris.
‘We houden van je, Europa. We betalen je belastingen, net als de witte mannen, en we vedragen je wisselvallige humeur dat lijkt op je klimaat, en het ernstige gebrek aan vitamine D, als gevolg van je donkere winters. (...)
‘We houden van je Europa, en we ontkennen niet dat we naar je toe zijn gekomen vanuit de ‘derde wereld’, zoals jullie dat zeggen. Ik ben om precies te zijn gekomen vanuit Damascus en heb de vele clichés, stereotypen en vooroordelen van je schrijvers en dichters moeten slikken. Ik verveelde me, werd moe en walgde van de voortdurende, oppervlakkige vragen over de positie van de vrouw in het Midden-Oosten, terwijl ik feminist ben. Kijk, ik ben bereid te erkennen en bekennen dat de vrouw in Syrië pas in 1949 kiesrecht kreeg. In Zwitserland daarentegen, de hoofdstad van jouw geld en van het geld van onze dictators en hun geheime bankrekeningen, gebeurde dat pas in 1971. En niet in elk Zwitsers kanton. In het kanton Appenzell Innerrhoden kreeg de vrouw pas in 1991 stemrecht. Mijn god!
‘We houden van je Europa, en we houden van de vrijheid die je ons hebt gebracht toen we als vluchtelingen naar je toe kwamen en het racisme negeerden dat jij onder het tapijt probeert te schuiven als je de woonkamer aanveegt. (...)
‘Jij met je inquisities. Jij, die vrouwen verbrandde omdat het heksen zouden zijn. Jij, meester van de slavenhandel, die de zwarten naar de Nieuwe Wereld heeft gebracht. Jij, die de apartheid in Zuid-Afrika hebt ingesteld. Jij, die het fascisme en nazisme hebt gevestigd. Jij, die de vernietiging van de Joden hebt bedacht, de Endlösung die ertoe heeft geleid dat ik als vluchteling ben geboren in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen in Damascus, omdat je in al je schaamteloosheid met Palestina, mijn land, compensatie hebt betaald, als de oplossing voor de Holocaust die jouw witte inwoners, die geloofden in het zuivere arische ras, hebben uitgevoerd.
‘We houden van je, Europa, we dragen je paspoorten die deuren voor ons openen met hetzelfde gemak waarmee jouw kogels het vlees hebben opengereten van een miljoen Algerijnen die wilden genieten van de vrijheid, gepredikt door jouw Franse Revolutie.
‘We houden van je, Europa. We houden van je kunst en we haten je koloniale geschiedenis, we houden van je theater en we haten je concentratiekampen, we houden van je muziek en we haten het geluid van je bommen (...), we houden van je vrijheid van meningsuiting en we haten je islamofobie, we houden van je culturele ontwikkeling, je secularisme, je rechtvaardige wetten en de mensenrechten op jouw grondgebied, maar we haten je racisme, je dubbele maatstaven, je superieure blik en je bloedige geschiedenis.
‘Hou je nazisme bij je en geef ons Immanuel Kant
‘Hou je Zwarthemden bij je en geef ons Italiaanse wijn (...)
‘Hou Adolf Hitler bij je en geef ons Hannah Arendt
‘Hou Franco bij je en geef ons Cervantes
‘Hou je eigen dingen bij je en laat onze dingen aan ons.’
Ghayath Almadhoun: Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen. Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga. Uitgeverij Jurgen Maas; 46 pagina’s; € 19,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant