Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Het was onmogelijk om geen medelijden te krijgen met Wibi Soerjadi (54) vorige week. De pianist was te gast bij Radio Pedis, een programma van Omroep Zwart dat een stem geeft aan Nederlanders met een Indische achtergrond, en kreeg er vragen over discriminatie. Tegen het slot van het geknipte fragment dat rondging op de socials, leek Soerjadi te vechten tegen de tranen. De aanleiding: hij heeft ondanks herhaaldelijk aankloppen bij het management nog nooit mogen soleren bij het Concertgebouworkest.
‘Ik kom er niet in’, zei Soerjadi. ‘Het kan niet mijn spel zijn, daar heb ik me al in bewezen, dat kan niet.’ Waar het dan wel aan lag? ‘Als je voor zo’n lange tijdspanne – dertig, veertig jaar – niet wordt uitgenodigd... Dan praat je over uitsluiting.’ Dat Soerjadi niet wordt geboekt, is volgens hem extra erg omdat het orkest wordt gesubsidieerd. ‘Iedereen betaalt daar belasting voor.’
Dat de afwijzing van Soerjadi bij velen verbazing wekte, is begrijpelijk. Er is een grote discrepantie tussen klassieke musici die bekend zijn bij het grote publiek en musici die als grote sterren worden gezien binnen de bubbel van ingewijde liefhebbers.
Die eerste groep kent zangeressen als Francis van Broekhuizen en Tania Kross van tv, maar Eva-Maria Westbroek, die jarenlang zong in de Metropolitan Opera in New York en het dus vanuit ‘klassiek perspectief’ gemaakt heeft, zal nauwelijks op straat worden herkend. André Rieu – ondernemer, entertainer, violist – heeft met zijn succesvolle concertformat het beeld van klassieke muziek voor velen voorgoed veranderd. Janine Jansen daarentegen, Nederlands grootste violist tot op heden, zie je niet in talkshows. Geen tijd voor, en haar kunst in woord verkopen is veel minder aan haar besteed.
Dat Soerjadi wel bij het grote publiek bekend is geworden, is – vrees ik – maar ten dele te danken aan de kwaliteit van zijn spel. Hij piekte vroeg, werd in 1989 derde bij het Liszt Concours. Televisiemakers zagen in hem een excentrieke dandy die op een landgoed ging wonen en zich laafde aan Disney. Het leverde hem een heel eigen fanschare op: mensen die speciaal voor Soerjadi kwamen, die misschien anders nooit Chopin hadden opgezet.
Het lijkt me aannemelijk dat zijn Disney-imago hem meer in de weg heeft gezeten dan zijn afkomst. Voor de goede orde: het Concertgebouworkest speelt met tal van Aziatische solisten (Lang Lang, Yuja Wang) en heeft zelf volop Aziatische musici. Het orkest profileert zich internationaal en solisten uit Nederland moeten dus concurreren met musici uit heel de wereld. En er zijn heel veel pianisten heel erg goed.
Dan het subsidieverwijt: als een organisatie financieel wordt ondersteund door de overheid, betekent dat niet dat elke belastingbetaler iets over het beleid te zeggen heeft. Het Concertgebouworkest moet zijn eigen artistieke koers varen. 18 miljoen mensen die allemaal even mogen soleren: enig concept.
De meeste mensen stellen gedurende hun loopbaan hun doelen bij, en in de winner-takes-all-markt van de klassieke muziek is dat wel zo verstandig. Wie ouder wordt, koestert wat hij wél heeft bereikt, of leert dat het allemaal niet zo uitmaakt. Het neemt niet weg dat ik het Soerjadi zeer zou gunnen als zijn droom ooit werkelijkheid mag worden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns