Het regende, dus konden we eindelijk – eindelijk – naar het museum waarvan ik bij de receptie van de camping een folder had meegenomen. Het was het Museo del Calamar Gigante, dat zich matig laat vertalen naar het ‘Museum van de Gigantische Inktvis’ (het is in feite het ‘Museum van de Gigantische Pijlstaartinktvis’). Maar laten we wel wezen, Museo del Calamar Gigante klinkt oneindig veel beter.
De folder beloofde dat dit museum ‘de belangrijkste collectie’ gigantische calamares ter wereld had. Zo’n zin werpt vragen op. Zoals: zijn er dan veel meer museos del calamares gigantes? En, wat maakt deze collectie gigantische calamares dan belangrijker of urgenter dan al die andere collecties gigantische calamares? Vragen waarop ik eigenlijk het antwoord helemaal niet wil.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Van buitenaf leek het museum op een bankgebouw, overheidsinstelling, of in ieder geval iets waarvan de gebruiker hoopt dat geen aandacht wekt: een gevel opgetrokken uit antraciet stalen platen met een abstracte tekening van een pijlstaartinktvis (niet per se gigantisch) en de naam van het museum. De toegang was 3 euro per volwassene; kinderen mochten gratis naar binnen.
We kwamen terecht in een ruimte met gedimd licht waar de kleur blauw overheerste en informatieborden ons lekker maakten over het mythische wezen ‘Kraken’, een gigantische inktvis die diep in zee zou leven en zich sporadisch laat zien.
Welnu, die Kraken was er niet in dit museum. Wel een heleboel pijlstaartinktvissen op sterk water. En net zoals de meeste andere dingen die op sterk water worden gezet, knappen pijlstaartinktvissen daar niet bepaald van op. Sommige hadden de lengte en omvang van mijn onderarm, sommige van mijn hele arm. Er waren wel een paar zeer omvangrijke calamares, waarvan er zeker één angstaanjagend groot was – ongeveer mijn lengte. Maar gigantisch? Niet echt.
Het was wel een leerzaam bezoek. Zo leerde ik de verschillen tussen calamar, sepia en pulpo – die ik helaas nu even niet meer kan reproduceren. Ook leerde ik dat ze van kleur kunnen veranderen en hun ene oog groter is dan de ander – dat heeft weer iets met de combinatie van jagen en licht te maken.
Maar wat toch het meest bleef beklijven is dat als je te veel pijlstaartinktvissen op sterk water bij elkaar ziet – al dat zachte, bleke, grijze vlees in vloeistof achter glas – het uiteindelijk best lastig wordt om jezelf niet af te vragen hoe een museum met penissen op sterk water eruit zou zien (of ben ik de enige die zich dat afvraagt?).
Waarschijnlijk net zo als dit museum, alleen dan net iets minder blauw uitgelicht. Dat nam allemaal niet weg dat ik – alleen al voor het verhaal – dit bezoek aan het Museo del Calamar Gigante graag had willen afsluiten met een gigantische portie gefrituurde calamares. Maar het werd, zoals dat gaat in het leven, gewoon pizza. Niet eens heel gigantisch.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns