Home

‘Ik vind het belangrijk duidelijk te maken dat er in dit verhaal ook duidelijk aanwijsbare daders zijn’

In De jacht op Meral Ö., de eerste speelfilm over het toeslagenschandaal, wilden makers Stijn Bouma en Roelof Jan Minneboo het publiek ‘laten zien hoe het voelt om tegen een muur aan te lopen, omdat het op geen enkele manier lukt je onschuld te bewijzen’.

Steeds als de bel gaat en achter het matglas in de voordeur van de alleenstaande moeder Meral een silhouet opduikt, slaat óók bij de kijker de schrik om het hart. Is het weer de sociale dienst? Iemand van jeugdzorg? Gewoon een vriendin? De schaduw voor de deur kan van iedereen zijn. Elke druk op de bel veroorzaakt stress.

In De jacht op Meral Ö., de eerste speelfilm over het toeslagenschandaal, plaatsen de scènes bij de voordeur van de Turks-Nederlandse vrouw het publiek op krachtige wijze in de schoenen van een gedupeerde. Meral Özturk, een personage dat door de makers werd samengesteld uit de ervaringen en gegevens van meerdere slachtoffers, wordt onterecht van fraude beschuldigd, dankzij een algoritme waarin een buitenlandse achternaam hebben of het zijn van een alleenstaande moeder voldoende is om als potentiële verdachte te worden aangemerkt. Tot ver achter haar voordeur verbrokkelt voor Meral elk gevoel van huiselijke veiligheid.

Over de auteur
Berend Jan Bockting schrijft voor de Volkskrant over film.

‘De film brengt dit schandaal terug tot de menselijke maat’, zegt regisseur Stijn Bouma. ‘Ik wilde geen pure reconstructie maken, geen tot leven gebrachte Wikipediapagina, maar iets onontkoombaars. Je zit erin en komt er niet uit. Het blijft maar voortduren. De stress van de gedupeerden wordt een filmische ervaring.’

Kafkaësk

Het toeslagenschandaal laat Bouma (33) nu al vier jaar niet los. Sinds hij in het najaar van 2020 toenmalig CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt tijdens een lezing hoorde vertellen over mensen die gedwongen hun woning moesten verkopen, over uit huis geplaatste kinderen, echtscheidingen en de ‘kafkaëske’ bureaucratische rompslomp waar van toeslagenfraude beschuldigde gedupeerden in verdronken, ging hij op onderzoek uit.

Dat leverde eerst de veelbesproken documentaire Alleen tegen de staat (2021) op. Vijf gedupeerde moeders – Derya, Nazmiye, Janet, Badriah en Naoual, hun voornamen staan prominent op de poster – delen hierin hun verhaal. Zonder opsmuk of tussenkomst van de maker: het zijn vijf ongefilterde, ijzingwekkende monologen over onmacht, schaamte en frustratie. Er volgde op initiatief van de SP een vertoning in de Tweede Kamer. Koning Willem-Alexander sprak anderhalf uur met de vijf slachtoffers op paleis Noordeinde. Maar een fatsoenlijk herstelproces kwam niet op gang.

Bouma regisseerde ondertussen nog een documentaire, Sheila versus de staat (2023), waarin hij de 44-jarige Sheila met haar 7-jarige dochter Farah volgt tijdens de nasleep van de affaire. Terwijl de brieven van schuldeisers blijven komen, toont de documentaire hoezeer de beloofde compensatie van gedupeerden nog veel te veel in mooie woorden blijft steken.

Bouma toog medio jaren tien, na driemaal te zijn afgewezen aan de Nederlandse Filmacademie, naar de filmschool in Sarajevo van de gerenommeerde Hongaarse filmmaker Béla Tarr (onder meer bekend van het zeven uur durende zwart-witdrama Sátántangó).

Machtige staat

Hij bekwaamde zich in het maken van korte films, waarvan Lejla (2017) het tot de studentenfilmcompetitie van het filmfestival van Cannes schopte. En hij ontwikkelde zijn fascinatie voor Oost-Europese verhalen, van de boeken van Franz Kafka tot de cinema van zijn leermeester Tarr zelf. Enkele jaren later zag Bouma in de toeslagenaffaire een vergelijkbaar verhaal over individuen die tegenover een machtig staatsapparaat komen te staan.

Er bleef ook na zijn twee documentaires nog voldoende onverteld, zegt Bouma aan tafel met scenarist Roelof Jan Minneboo (59), in diens appartement op de achtste verdieping aan de rand van Almere. Onder meer voor het perspectief van de sociale recherche, die niet mag praten over haar werk, was in zijn documentaires geen plaats.

‘Ik vind het belangrijk duidelijk te maken dat er in dit verhaal ook duidelijk aanwijsbare daders zijn’, zegt Bouma. ‘In een speelfilm is het mogelijk een sociale rechercheur op te voeren. In een documentaire krijg je ze niet voor de camera. Ze mogen niet praten.’ Minneboo ontwaarde in het materiaal van Bouma al gauw het verhaal over een jager en een prooi. ‘Ik wilde de verhaalstructuur laten functioneren als een trechter, waarin één vrouw steeds verder klem komt te zitten.’

Er is voor Bouma nog een belangrijke reden om ook een speelfilm over de toeslagenaffaire te maken. ‘Met documentaires ben je eigenlijk altijd te laat, zei een oud-filmdocent van mij. Je filmt de dingen die zijn gebeurd. Wij wilden de kijker meenemen in het oog van de storm. Laten zien hoe het voelt om tegen een muur aan te lopen, omdat het op geen enkele manier lukt je onschuld te bewijzen.’

Jager en prooi

Minneboo: ‘Fictie is onder meer betekenisvol omdat kijkers fictie vaak als echter ervaren dan een documentaire. Omdat een documentaire meestal de eigen constructie laat zien: je hoort de interviewer, je ziet iemand in de camera kijken. In fictie poetst de maker die constructie weg. Het is een subjectieve ervaring tegenover de wat objectievere houding die je als documentaireregisseur moet innemen. Dat stelt mensen in staat zich nog beter te identificeren met de personages.’

Bouma: ‘We kozen die jager-prooistructuur ook omdat we niet alles konden reconstrueren. Het was nodig dit verhaal te beperken tot een klein aantal personages.’

Minneboo: ‘Als het over de toeslagenaffaire gaat, gaat het over systemen en algoritmen. Een cultuur van regels-zijn-regels. Dat zijn de woorden waarachter de mensen die aan de knoppen draaien zich verschuilen. Maar het zijn ménsen die algoritmen maken. Ménsen die met hun vinger langs een lijst gaan en daaruit op basis van hun buitenlandse achternaam potentiële fraudeurs selecteren.’

Dehumaniserend

Daartegenover staat Meral, gespeeld door Dilan Yurdakul. ‘We nemen je mee met alles wat haar overkomt’, zeg Minneboo. ‘Van de balie van de sociale dienst waar ze van het kastje naar de muur wordt gestuurd, tot de bakker waar ze ontdekt dat ze te weinig geld heeft om die dag brood te kopen. Langzaam krijg je op detailniveau in de gaten hoe dehumaniserend dit door mensen bedachte en door mensen uitgevoerde systeem is.’

Yurdakul vertelde eerder dit jaar in Volkskrant Magazine dat ze tot haar verbazing geen auditie hoefde te doen voor haar rol, de grootste van haar carrière. ‘Eigenlijk was haar theatershow Door de schaduw heen haar auditie’, zegt Bouma. ‘Toen we haar daarin zagen waren we verkocht. Ze speelt een heel persoonlijke monoloog. Ik zag veel kwetsbaarheid, maar ook grote moed. We zochten voor de rol van Meral een actrice die niet alleen maar slachtoffer speelt, anders kan de kijker zeggen dat ze te weinig voor zichzelf opkomt. Meral is eloquent. Vindingrijk. De film zegt daarmee: ook al beschikte je over al die kwaliteiten, het maakte geen zak uit als je eenmaal op de radar stond.’

Alles wat Meral in de film overkomt is gebaseerd op getuigenissen van gedupeerden, zegt Minneboo, alleen komen ze niet van dezelfde persoon. Ze moesten gebeurtenissen weglaten of samenvoegen om een soepel plot te vormen.

Bouma onderhield contact met een klein aantal gedupeerden, van wie sommigen werkten voor organisaties die andere slachtoffers hielpen. Zo bereikten hem de krankzinnigste verhalen – waargebeurd, maar niet allemaal geschikt voor de werkelijkheid van hun film. Over de vrouw die haar huis was uitgezet en een tijd in de bossen leefde, bijvoorbeeld.

Te veel ellende

‘Er was te veel ellende voor het leven van één personage’, zegt Bouma. ‘Ik hoorde ook over een gedupeerde die aanklopte bij de gemeente: ik zit in de shit, ik beland op straat, help mij. Als reactie heeft de gemeente de sociale recherche op haar afgestuurd. Een kwartier later, toen ze naar huis fietste, stonden er al twee mannen voor haar deur.’ In de film zou het misschien te veel drama zijn. Zo veel dat de kijker denkt: zo erg kan het toch niet zijn? Ook al was het natuurlijk wél zo erg.

Tegelijk werd er soms ook iets verzonnen. Tijdens een autorit, als twee sociale rechercheurs de zaak van Meral bespreken, vraagt de een opeens aan de ander: ‘Zou jij haar doen?’ Bouma: ‘Dat heb ik niet rechtstreeks van een inspecteur, uiteraard. Maar zodra macht in het spel komt en iemand in een kwetsbare positie verkeert, is seksisme nooit ver weg.’

Daarnaast zochten ze ook naar een manier om het racisme bij de Belastingdienst tot leven te roepen. Lastig vonden ze dat. Want hoe verbeeld je een cultuur waarin etnisch profileren kan gedijen als geaccepteerde methode om fraude op te sporen?

Minneboo: ‘We hebben hiervoor verschillende scènes op papier uitgewerkt. Dat is moeilijk, omdat daar in Nederland enorm van wordt weggekeken. We bedachten een verjaardagsfeestje met Zwarte Pietgrappen, maar dat werd tijdens vroege vertoningen heel ongemakkelijk gevonden. De grap was wellicht niet zo goed uitgevoerd, maar het wordt toch ook, denk ik, gezien als een aanval op de Nederlandse cultuur. Als je een personage expliciet racistisch maakt, krijgen mensen een reflex: dit willen we niet zien. Maar het racisme helemaal verzwijgen is ook absurd. Die houding is een probleem. Nu de affaire wordt afgehandeld wordt het racisme dat eraan ten grondslag lag door niemand meer genoemd.’

Racisme

Via het personage van Raymond Thiry, die een hoge ambtenaar bij de sociale recherche van Almere speelt, krijgt het racisme toch een gezicht. ‘Fraude blijft een van de grootste gevaren van onze samenleving’, zegt hij in de film. ‘En het zijn voornamelijk de allochtonen die zich daaraan schuldig maken.’

Die scène is overigens direct gebaseerd op een motie van de PVV uit 2012, vult Bouma aan, waarin de regering werd opgeroepen een onderzoek te openen naar ‘bijstandsfraude door niet-westerse allochtonen’.

Ter illustratie van het drama is ook de sfeer in De jacht op Meral Ö. ontegenzeglijk mistroostig. Het is herfst en het regent vrijwel onophoudelijk. De kleur wordt langzaam uit de film gedraaid. Terugkerend troosteloos element in de film zijn de autoritten door Almeerse woonwijken, gefilmd door de beregende vooruit. De achterliggende gedachte van die scènes blijkt intrigerend. ‘We wilden de gigantische georganiseerdheid van de Nederlandse samenleving verbeelden, zeker hier in Almere’, zegt Minneboo. ‘Het verkeer lijkt hier nog meer gereguleerd dan elders: een autobaan met daarnaast een fietspad, daarnaast een wandelpad, aparte busbanen.’

Het ontwerp van steden als Almere zegt dus iets over de typisch Nederlandse organisatiecultuur waarin de toeslagenaffaire kon ontstaan? Minneboo: ‘Wij denken van wel. Kijk naar onze polders.’ Hij wijst uit zijn raam op de achtste verdieping, naar de Oostvaardersplassen in de verte. ‘Het waterpeil daarginds wordt ergens in een kantoor kunstmatig bijgehouden. Iemand draait aan een knop en een lepelaar kan opeens drie visjes meer of minder eten. Wij zijn compleet gestructureerde mensen in een compleet gestructureerd land.’

Ze zouden graag zien dat hun film iets verandert aan het wantrouwende mensbeeld dat bij de overheid heerst. ‘Ik wil het geweten kietelen van ambtenaren – en eigenlijk iedereen met sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheid’, zegt Bouma. ‘Hopelijk stoppen ze met zich verschuilen achter een systeem of beleid.’

Minneboo: ‘Deze film is voor ons ook een manier om namens de gedupeerden onze frustratie te uiten. Want er is nog geen verzoening. Dat kan alleen bij schuldbekentenis. En bij schuld hoort straf. Maar er is niemand gestraft. De film is een oproep om als maatschappij naar onszelf te kijken. Een pleidooi voor empathie. Hoe hebben zogenaamd redelijke mensen dit kunnen laten gebeuren?’

Source: Volkskrant

Previous

Next