De politie spoort zedenslachtoffers te vaak aan om geen aangifte te doen. Dat gebeurt met name door te laten blijken dat het in een specifieke zaak geen zin zou hebben.
Ook dringen zedenrechercheurs er in te veel gevallen op aan dat slachtoffers bedenktijd nemen voordat ze melding doen van een misdrijf. Dat is niet de bedoeling, want die bedenktijd is een recht, en geen plicht.
Dat blijkt uit een rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat donderdagochtend is gepubliceerd. De inspectie voerde gesprekken met 25 politiemedewerkers en evenveel zedenslachtoffers. Zeven slachtoffers zeggen dat ze door zedenrechercheurs zijn ‘gestuurd’ in de richting van geen aangifte doen. Mede daarom voelen ze zich ‘niet gesteund en gehoord’. Drie anderen hebben zowel negatieve als positieve ervaringen.
Over de auteur
Menno van Dongen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
De aanmerkingen van de tien (deels) ontevreden slachtoffers worden volgens de inspectie ondersteund door bandopnamen van hun eerste gesprek met de zedenrecherche. Die opnamen zijn door onderzoekers bestudeerd. Twaalf slachtoffers oordelen positief: zij hebben niet het gevoel dat ze werden aangemoedigd om af te zien van aangifte.
Bedenktijd komt standaard ter sprake tijdens een zogeheten informatief gesprek, in de beginfase van een eventueel politieonderzoek. Daarin vertelt het slachtoffer globaal wat er is gebeurd en wat hij of zij van politie en justitie verwacht. Rechercheurs geven daarna onder andere uitleg over de juridische procedure, de kans op vervolging, openbaarheid van zittingen, medisch onderzoek en de gevolgen van een valse aangifte. Ook wordt beklemtoond dat de politie kritische vragen zal moeten stellen.
Omdat in dit gesprek veel informatie wordt verstrekt, krijgen slachtoffers tot slot bedenktijd aangeboden, om in alle rust te kunnen overwegen welke stappen ze gaan zetten. Dat je ook direct aangifte kunt doen, is niet altijd duidelijk. Na de bedenktijd, die maximaal twee weken duurt, neemt de politie weer contact op.
Het onderzoek is een vervolg op een kritisch rapport uit 2020, waarin ook stond dat slachtoffers te veel in een richting geduwd werden en zich belemmerd voelen om melding te doen van een zedenmisdrijf. Uit het nieuwe onderzoeksverslag blijkt dat de politie inmiddels meer oog heeft voor de belangen van zedenslachtoffers en zich meer bewust is hoe met deze kwetsbare groep moet worden omgegaan.
De Inspectie Justitie en Veiligheid constateert wel dat er nog te weinig maatwerk wordt geleverd. Zo willen aangevers op de hoogte worden gehouden van het verloop van het onderzoek, maar verloopt dat lang niet altijd optimaal. Sommige slachtoffers moesten zelf achter informatie aan, zeggen ze, omdat ze die niet van de politie kregen.
Na aangiftes houden sommige rechercheurs contact met aangevers, zo blijkt, ‘vanuit een gevoel van betrokkenheid’. Maar de meesten doen dat niet, omdat ze er geen tijd voor hebben of vinden dat het niet goed past bij hun functie - die uiteindelijk draait om waarheidsvinding. Daar komt bij dat een grote mate van persoonlijke betrokkenheid het werk nog zwaarder kan maken dan het al is.
Om de druk op gespecialiseerde zedenrechercheurs te verlichten, mogen basisteams sinds enige tijd zelf minder complexe zedenzaken afhandelen. Betrokkenen waarschuwen in het rapport dat dit kan leiden tot grote verschillen tussen de manier waarop met slachtoffers wordt omgegaan, en dat voor dit vak specifieke kennis nodig is.
Het rapport gaat niet uitvoerig in op de werkdruk van zedenrechercheurs, een hardnekkig probleem, en de lange wachttijden voor slachtoffers. Binnen een half jaar moet de politie 80 procent van vrijwel alle zedenaangiften onderzoeken en het resultaat naar het Openbaar Ministerie sturen. Dat percentage is de afgelopen jaren bij lange na niet gehaald.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant