Twee van de drie belangrijkste partijcongressen in de 150-jarige geschiedenis der Duitse sociaal-democratie vonden plaats in Thüringen, daar waar nu ruim 60 procent van de burgers stemt op drie partijen die gemene zaak willen maken met de moordcommando’s van het Kremlin. In Gotha fuseerden in 1875 twee concurrerende arbeiderspartijen tot die ene SPD die ondanks een ‘socialistenverbod’ de strijd voor algemeen kiesrecht en verheffing zou winnen. In Erfurt koos de SPD in 1891 voor de parlementaire weg om het kapitalisme op de knieën te krijgen, waarna ze in 1919 aan de wieg zou staan van de democratische Weimarrepubliek. Op het congres in Bad Godesberg nabij Bonn – in de DDR was de partij onder dwang van het Kremlin met de communisten gefuseerd en zelf verboden – schudde de SDP in 1959 ten slotte haar marxistische veren af. De SPD werd thuishaven voor arbeidersklasse én middengroepen, een coalitie die onmisbaar was voor de sociale markteconomie en democratische verzorgingsstaat.
In 1929 kon de SPD in Thüringen bogen op een derde van de stemmen, drie keer meer dan de nazi’s. Nu haalt ze er 6,1 procent, net iets meer dan de PvdA in 2017 en 2021 in heel Nederland, maar tien keer minder dan de drie Putin-freundliche partijen.
Wat is er gebeurd? Hoewel de „vrijheidsschok” alweer twee generaties oud is, worstelen velen in de voormalige DDR nog steeds met een nazistisch én stalinistisch verleden van bij elkaar zestig jaar, zoals de Oost-Duitse historicus Ilko-Sascha Kowalczuk in NRC zei.
Minder specifiek op de DDR geënt, is het gemeengoed te beweren dat de sociaal-democraten de arbeidersklasse verraden hebben door zich te voegen naar de neoliberale globalisering en hun ogen te sluiten voor de sociaal-culturele gevolgen van arbeidsmigratie in deze post-communistische wereldorde. Dat de sociaal-democratie na de overwinning van de pluriforme democratie in de Koude Oorlog bijziend is geweest, staat buiten kijf. Maar verraad is een te gemakkelijke analyse. Want hoe belangrijk is die ‘in de steek gelaten’ arbeidersklasse eigenlijk nog?
In industrienatie Duitsland zijn de arbeiders sinds de automatiseringsrevolutie van de jaren zeventig niet meer wat ze tijdens de congressen van Gotha en Erfurt waren. Zelfs in de voormalige DDR – waar het aandeel burgers met een migratieachtergrond met 10 procent veel lager is dan in West-Duitsland en een forse bevolkingskrimp wordt voorzien – is de arbeidersklasse een minderheid geworden. In oostelijke deelstaten beschouwt slechts een derde (37 procent) zichzelf nog als arbeider, blijkt uit sociologisch onderzoek. Voor de Wende van 1989 was dat 57 procent. In de oude Bondsrepubliek rekent amper een kwart (23 procent) zich tot de arbeidersklasse. Het zelfbeeld is geconvergeerd. In Oost en West denkt een meerderheid (57 procent respectievelijk 61 procent) tot de middengroepen te behoren. In Nederland is de arbeidersklasse nog onbeduidender geworden. Volgens het laatste Nationaal Kiezersonderzoek identificeert 20 procent zich als (hogere) arbeidersklasse en 76 procent als (hogere) middenklasse.
Radicaal-rechts is dus niet ingebroken bij de arbeidersklasse, maar appelleert veeleer aan de middengroepen die aanvoelen dat ze in de huidige artificiële intelligentie-revolutie meer verleden dan toekomst hebben. Die angst is een geduchte mobilisatiefactor. In zijn Binnenhoflezing zinspeelde GroenLinks-PvdA-fractievoorzitter Frans Timmermans impliciet op deze macht van de verliezers.
Wat de sociaal-democratie in Duitsland en in Nederland valt te verwijten is dat ze die electorale inbraak op zijn beloop hebben gelaten. Niet de beginselen van Gotha en Erfurt zijn verkwanseld, nee, de coalitie van Bad Godesberg is verwaarloosd. Dat is er gebeurd.
Source: NRC