Filmduo Michael Powell en Emeric Pressburger heeft een invloedrijk oeuvre nagelaten, dat nu met een documentaire plus een retrospectief uitvoerig wordt belicht. Wat maakte hun films zo uitzonderlijk, hartroerend – én zodanig ‘misselijkmakend’ dat het succes op een dag over was?
Twee keurige heren worden geïnterviewd over hun verregaande samenwerking. De spreker rechts is op-en-top Brits, de linker heeft een licht Oost-Europees accent, het zou Hongaars kunnen zijn.
De Brit, in antwoord op de vraag van de interviewer: ‘Vallen wij weleens uit tegen elkaar?’
De Hongaar: ‘Niet echt, nee. En we vertrouwen op de tijd.’
De Brit: ‘Op de tijd?’
De Hongaar: ‘Binnen een paar uur ziet Michael in dat ik toch weer gelijk heb.’
Over de auteur
Rob van Scheers schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.
Het koddige dialoogje op archief komt uit de nieuwe documentaire Made in Britain: The Films of Powell and Pressburger. Het is een fraai carrière-overzicht geworden over de blijvende impact die Michael Powell (1905-1990) en Emeric Pressburger (1902-1988) op de Britse filmindustrie hebben gehad. Samensteller is de Londense filmmaker David Hinton die cineast Martin Scorsese – altijd al een groot bewonderaar van het duo – als verteller wist te strikken.
De invloed van Powell en Pressburger valt maar lastig te overschatten. Ze maakten in de periode 1939-1972 samen 24 films, waarvan meer dan een handvol nog steeds als klassiekers gelden:
- Het Hitchcockachtige oorlogsdrama 49th Parallel (1941)
- De milde oorlogssatire The Life and Death of Colonel Blimp (1943)
- De warmbloedige romantische komedie A Matter of Life and Death (1946)
- Het psychologische nonnendrama Black Narcissus (1947)
- De epische balletfilm The Red Shoes (1948)
- De lichtvoetige operabewerking The Tales of Hoffmann (1951)
Het is een cinematografisch universum op zich. Waar het gros van de Britse filmers zich in die sobere naoorlogse jaren beperkten tot kleinschalig realisme in zwart-wit (denk aan David Leans Brief Encounter uit 1945), pakten zij juist uit met weelderige en overdadige producties, gedraaid in ‘glorieuze technicolor’.
Officieel was Michael Powell de regisseur en Emeric Pressburger de scenarist, maar hun taakverdeling was dermate verstrengeld – schrijven, produceren, regisseren, monteren, soundtrack opzetten – dat je met recht van een duo mag spreken.
Een duo, geboren uit toeval.
De joods-Hongaarse Imre József Pressburger, afkomstig uit het Oostenrijks-Hongaarse stadje Miskolc, studeerde aanvankelijk wiskunde, maar het overlijden van zijn vader noopte hem uit geldgebrek die studie op te geven. Hij begon een loopbaan als journalist, trok naar de Weimarrepubliek en eindigde als scenarist bij de fameuze Ufa-studio in Berlijn.
In 1933 werd de grond in nazi-Duitsland te heet onder zijn voeten, en via Parijs belandde hij statenloos in Londen. In 1938 wijzigde hij zijn voornaam in Emeric, dat klonk wat Britser, en hij werd aangenomen als scenarist bij het London Films-productiehuis van Alexander Korda, een Hongaar die al in 1919 in Engeland was beland. En het was daar, in die studio, dat hij in 1939 Powell leerde kennen.
Michael Powell uit Bekesbourne, Kent was op dat moment al een gearriveerde filmmaker die het vak had geleerd bij regisseurs Rex Ingram en Alfred Hitchcock. Voor producent Korda was hij bezig met het oorlogsdrama The Spy in Black, maar het scenario rammelde nog flink.
Korda vroeg Pressburger er eens naar te kijken, waarna een vergadering werd belegd. ‘Dit is meneer Pressburger,’ sprak Korda tegen Powell, ‘en hij heeft ons iets te vertellen.’ Volgde een bijna mathematische analyse van de haken en ogen in het verhaal, en talloze suggesties over hoe het allemaal beter kon.
Het begin van een prachtige vriendschap.
De klik resulteerde prompt in de oprichting van The Archers, hun eigen productiehuis. The Archers, als in: de boogschutters, kozen voor hun logo een blazoen in blauw, rood, wit en zwart waarbij een welgemikte pijl altijd weer de roos trof – het logo zou al snel uitgroeien tot een kwaliteitskeurmerk.
‘Alles in eigen hand’, zo verklaarde het bijbehorende manifest. Het streven was om met risicovolle films, vol verhoogde intensiteit, zoals ze dat noemden, tóch succes aan de bioscoopkassa’s te hebben. En een van de speerpunten van The Archers was de geweldige production design – de ‘look’ van de films, onder meer verpakt in de uitgekiende architectuur en het kleurgebruik in de decors.
Speciaal daartoe werd artdirector Alfred Junge ingehuurd, een Duitse ontwerper die voorheen bij de Ufa-studio had gewerkt. Van hem zijn die bijna megalomane roltrappen van en naar de hemel die zo’n sleutelrol spelen in A Matter of Life and Death (1946).
Een feelgoodmelodrama, maar wel een heel mooi feelgoodmelodrama. Met David Niven als de neergestorte RAF-piloot Peter Carter die door een falende parachute allang dood had moeten zijn. Hij wordt gespaard door een boekhoudkundige fout in de hemel van Conductor 71, de ambtenaar die daar alles regelt, en de lopende zaken bijhoudt in zijn gigantische kasboek. Zo leeft Peter Carter in ‘gestolen tijd’, en prompt wordt hij verliefd op de Amerikaanse milva June (Kim Hunter), zoals dat destijds heette: een kracht van de Militaire Vrouwenafdeling.
De vraag is nu: kan Conductor 71 zijn eigen omissie accepteren, en overwint liefde zo alles op aarde, of wil de bureaucraat in hem dat de balans weer klopt, en laat hij Carter op die roltrap omhoog zetten?
Hele pakken Kleenex gingen er in de Britse bioscopen destijds doorheen, en het is waar: als je de film nu terugziet, is dat nog steeds goed navoelbaar.
Alfred Junge bemoeide zich ook met The Red Shoes (1948), de impressionistische verfilming van het gelijknamige Hans Christian Andersen-sprookje. Opnieuw haalde hij alles uit de kast, met name bij de decors voor het zeventien minuten durende ballet in het hart van deze ruim twee uur durende film.
De wervelende scène wordt gedanst door de professionele ballerina en hoofdrolspeelster Moira Shearer, die nota bene eerst een jaar lang niet wilde, omdat ze ballet een hogere kunstvorm vond dan film.
Gelukkig voor ons deed ze het uiteindelijk toch.
‘Een heel radicale film’, concludeert Martin Scorsese in de documentaire. ‘De inzet was niet om dat ballet te filmen zoals het publiek in de zaal dat ziet, nee, voor het eerst werd geprobeerd om te filmen hoe de danser zo’n ballet in haar hoofd beleeft, háár gezichtspunt. Precies die methode heb ik overgenomen voor mijn boksfilm Raging Bull.’
Interessant hoe Scorsese, tussen alle filmclips en archiefbeelden door, voortdurend verbanden weet te leggen met zijn eigen speelfilms. Dat hij zoiets goed kan wisten we al door zijn eerdere documentaires – A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies (1995) en My Voyage to Italy (1999) – over de Amerikaanse en Italiaanse filmgeschiedenis. Ook nu weer vertelt hij er vrolijk op los in zijn gebruikelijke ratelende tempo, met driedubbele woordwaarde, zodat je als kijker veel meer informatie krijgt dan bij een gebruikelijke documentaire van twee uur en dertien minuten.
Aan het eind van Powells leven zouden hij en Scorsese nog goede vrienden worden, filmers onder elkaar, meester en leerling. Daar bovenop trouwde Powell in 1984 met Scorsese’s vaste editor Thelma Schoonmaker, dus voor advies was hij in New York nooit ver weg.
Maar de waarheid is ook: in die dagen was het illustere duo Powell en Pressburger in Engeland al bijna vergeten. De val werd ingeleid door een soloproject van Michael Powell: Peeping Tom (1960): een psychologische horrorthriller, of noem het een soort snuffmovie avant la lettre.
De ogenschijnlijk zo bedeesde Mark Lewis (Carl Boehm) in zijn jopper verlaat nooit zijn kamer zonder zijn filmcamera. Tegen de buitenwereld zegt hij druk te zijn met een documentaire, maar waarover die precies gaat laat hij nog even in het midden.
Gedurende zijn jeugd is Mark vaak getreiterd door zijn tirannieke vader (in de film gespeeld door Powell zelf), en daar heeft hij duidelijk een tik aan overgehouden.
Zijn thema is namelijk angst – hij filmt de angst op het gezicht van zijn slachtoffers als uit het statief een stiletto schuift. Zo ontpopt hij zich tot seriemoordenaar; een van zijn slachtoffers is nota bene Moira Shearer uit The Red Shoes, want Powell hield wel van ‘verborgen continuïteit’. Uiteindelijk maakt Mark in de film een ‘zelfportret’, en legt dan het loodje.
Powell beschouwde zijn ronduit grimmige film complementair aan The Red Shoes, waarin het in feite ook gaat over ‘bereid zijn om te sterven voor de kunst’. Die boodschap kwam niet helemaal over, en de gevolgen voor zijn loopbaan waren desastreus.
Inmiddels wordt de film gezien als een even brutaal als wonderlijk meesterwerk, maar destijds luidde het oordeel van het recensentengilde: walgelijk, beestachtig, misselijkmakend, dit stinkt – geen hyperbool bleef na de première van 7 april 1960 onbenut.
Nog geen twee maanden later zou Alfred Hitchcock met zijn monsterhit Psycho komen, bepaald niet minder grimmig. Maar omdat hij de sympathie van het publiek richting het slachtoffer Janet Leigh stuurde, kwam Hitchcock er wel mee weg.
Powell, ondertussen, probeerde door een hernieuwde samenwerking met Pressburger, die inmiddels romans was gaan schrijven, het tij nog te keren, maar hun projecten They’re a Weird Mob (1966; een Australische comedy) en The Boy Who Turned Yellow (1972; een modern kindersprookje) gingen aan pers en publiek bijna geruisloos voorbij.
Zo schoten de boogschutters van The Archers uiteindelijk toch nog een keer mis op die schietschijf uit hun eigen logo, maar hun plek in de filmgeschiedenis hadden ze allang verdiend. In 1981 ontvingen Powell en Pressburger het Bafta Fellowship, het erelidmaatschap – de hoogste onderscheiding van de British Academy of Film and Television Arts die cineasten maar kunnen krijgen.
Documentaire
★★★★☆
Regie David Hinton
133 min., in 33 zalen.
De documentaire over Powell en Pressburger gaat deze week uit in de bioscoop, net als de gerestaureerde versie van Peeping Tom.
Vanaf 12 september organiseert filmmuseum Eye in Amsterdam, in samenspraak met het British Film Institute, voor het eerst een groot retrospectief rond het filmduo: The Creative Worlds of Powell and Pressburger.
Het programma omvat vijftien films van de twee en tal van nevenactiviteiten, en loopt tot en met 9 oktober.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant