Home

In 1972 knipte Suzi Ronson het iconische rode kapsel van David Bowie. De knipbeurt veranderde haar leven voorgoed

Het is een van de meest fameuze kapsels uit de rock-’n-rollgeschiedenis: het rode piekhaar dat Bowie jarenlang had. Kapper Suzi Ronson bleef na het toevallige knipklusje deel van Bowie’s entourage. ‘Alleen ik mocht bij concerten zo dicht bij hem komen.’

Suzi Ronson (74), toen nog Suzi Fussey, was 22 toen ze in de kapsalon waar ze werkte in een buitenwijk van Londen bezoek kreeg van ene mevrouw Jones.

Fussey mocht zich van haar baas over haar ontfermen en onder de haardroger liet mevrouw Jones weten dat ze een zoon had die muziek maakte en even verderop in Beckenham (zuidoost-Londen) woonde. Suzi Ronson kan zich het gesprek nog goed herinneren.

‘Mevrouw Jones vertelde dat hij een paar jaar geleden een hit had gehad, Space Oddity. David was zijn naam. ‘O, David Bowie’, zei ik. Ronson had zijn naam weleens in haar buurt voorbij horen komen. David Bowie speelde soms in een pub verderop, The Three Tuns, maar dat leek Suzi allemaal wat te artistiekerig.

Over de auteur

Gijsbert Kamer schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en en jazz.

‘Het was 1971, ik was niet zo heel erg thuis in de popmuziek en David Bowie leek me een eendagsvlieg’, vervolgt de kapper haar verhaal 53 jaar later. Maar mevrouw Jones was een tevreden klant en nam bij een volgend bezoek een vrouw mee die ze als haar schoondochter Angie introduceerde. Ze raakten aan de praat, vertelt Ronson, en er was een klik. Suzi mocht Angie vaker knippen en bezocht het echtpaar Bowie vlak voor de kerst thuis voor een permanentje toen het in de zaak te druk was.

Daar in Haddon Hall, een grote villa aan de rand van Beckenham, ontmoette ze Bowie voor het eerst. Hij zat met zijn lange, licht gekrulde donkerblonde haar in een tijdschriftje te bladeren, en keek niet op of om. ‘Of ik ook niet even iets met zijn haar kon doen, vroeg Angie. Op dat moment veranderde mijn leven. Ik werd de kapper van David Bowie. De vrouw die hem zijn rode kapsel gaf.’

Ze zegt het via Zoom vanuit Long Island, New York, met enig gevoel voor drama. En wie haar onlangs verschenen boek Bowie en ik. Mijn leven met David Bowie en The Spiders from Mars gelezen heeft kan inderdaad vaststellen dat deze ontmoeting levensbepalend voor de toen nog jonge Ronson was. Angie stelde voor Bowies haar kort te laten knippen, wat in die tijd voor hippe mannen ongebruikelijk was, herinnert de kapper zich. Bowie liet haar een tijdschrift zien met een foto van een jonge vrouw met kort rood, stekelig haar. De foto was gemaakt door Kansai Yamamoto, een Japanse modeontwerper met wie Bowie later veel zou werken.

‘Of ik zoiets bij hem kon knippen. Het leek me nogal gedurfd, niet alleen omdat het een dameskapsel was maar vooral vanwege de felle kleur. Maar ik ging de uitdaging aan.’ Het lange haar kortwieken was niet zo moeilijk, maar het felrood krijgen met rechtopstaande pieken bovenop zijn hoofd, was lastiger. Het knippen en verven gebeurde ook niet in één kapsessie, herinnert Ronson zich. ‘Ik moest echt even op zoek naar de juiste kleurspoeling en een goede versteviger was toen ook lastiger te vinden dan nu.’

Precies de juiste kleur

Maar in een laatje in haar eigen kapsalon vindt Ronson een paar monsters van Schwarzkopf. ‘Felrood en -blauw, geen idee waarom we die kregen. Alsof iemand in Beckenham daarmee gaat lopen. Nou, David Bowie dus wel. Het was precies de juiste kleur rood.’

Met de juiste versteviger erbij kon Ronson verder met het vervolmaken van Bowies kapsel. Het rode piekhaar dat Bowie vanaf maart 1973 jarenlang zou dragen en volgens zijn biograaf Paul Trynka naast de kuif van Elvis Presley en de mop-top-hoofden van The Beatles behoort tot de drie meest iconische kapsels uit de rock-’n-rollgeschiedenis, leverde de kapper uiteindelijk de gewenste vluchtroute op uit wat ze nu haar benauwende leventje noemt.

Met zijn kapsel veranderde ook Bowies muziek. De weelderige, breed gearrangeerde pop en folk zoals nog te horen op het album Hunky Dory (1971) zou transformeren tot puntige rock-’n-roll en flamboyante glamrock. Cruciaal voor het geluid van David Bowie en zijn The Spiders from Mars, zoals Bowie zijn band noemde, was het bijtende gitaargeluid van Mick Ronson. Mede dankzij zijn snerpende solo’s werd het album The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars uit 1972 het album dat van David Bowie een wereldster zou maken en nog altijd geldt als een van de beste, invloedrijkste platen uit de popgeschiedenis.

Die kwam tot stand in Haddon Hall, waarin behalve het echtpaar Bowie ook de rest van de band hun intrek had genomen. En ja, die wilden eigenlijk ook wel ander haar, weet Suzie Ronson nog, die vooral gecharmeerd was van gitarist Mick Ronson.

‘Mick viel me meteen al op toen ik daar in Haddon Hall werd voorgesteld. Ik vond het wel een knapperd met zijn lange blonde haar. Maar al mijn aandacht ging natuurlijk uit naar David. Ik wilde weg uit Beckenham en voelde ergens dat hier mijn kansen lagen, die moest ik niet verprutsen.’

Een deeltje van de popgeschiedenis

Ronson vertelt vlot en een beetje routineus het verhaal over haar intrede in de entourage van David Bowie, die daar in Haddon Hall werkte aan een nieuw imago. ‘Ik had natuurlijk van de daken kunnen schreeuwen dat ik David Bowie geknipt had, maar die naam betekende in Beckenham niet zo veel, hoor. Dat daar in Haddon Hall popgeschiedenis werd geschreven realiseerde ik me pas veel later. Maar ik ben nog altijd trots en dankbaar dat ik daar een beetje deel van uitmaakte.’

Eerst als kapper, die met een zekere regelmaat met een tas vol haarverzorgingsproducten naar huize Bowie ging, en zich in een paar maanden zo onmisbaar had gemaakt dat ze mee op tournee mocht. Daar werd haar rol belangrijker. Bowie vertrouwde Ronson tijdens de Ziggy Stardust-tournee niet alleen zijn kapsel toe, ze stond na optredens van Parijs tot New York altijd met een glas witte wijn en een Gauloise voor hem klaar. ‘Niemand mocht bij concerten zo dicht bij hem komen, zelfs zijn vrouw Angie niet.’

Ronson had haar doel bereikt, ze was weg uit haar ‘benauwende leventje’ en had de tijd van haar leven, maar het geluk is van korte duur. David Bowie en zijn manager Tony Defries laten in Japan weten dat de twee shows in de Londense Hammersmith Odeon in juli 1973 de laatste zullen zijn. Het avontuur had nog geen anderhalf jaar geduurd. ‘Hij doekte The Spiders from Mars op, maar vertelde dat alleen aan Mick en mij. De andere bandleden en de hele crew hoorden het pas tijdens het laatste concert.’ Ronson is er nog altijd furieus over, slaat haar donkerblonde lange haar naar achteren, verzit even en begint een kleine tirade tegen Bowie, wiens gedrag haar nog altijd dwars zit. Van de een op de andere dag was iedereen z’n baan kwijt. ‘Dat ik me altijd nog zo opwind komt omdat het me echt geraakt heeft.’

Suzi en Mick Ronson bleven nog wel even deel van Bowies entourage. ‘En toen gebeurde het onvermijdelijke: we kregen een relatie.’ Het is dan eind 1973. Micks werk bij David zit erop, en Bowies manager Tony Defries heeft inmiddels ook grote plannen met Mick Ronson, van wie hij een grote ster wil maken.

Solocarrière voor Mick

Hier, op tweederde van het boek, begint een nieuw hoofdstuk in het leven van Suzi Ronson. Het is het verhaal van de mislukte solocarrière van Mick. Hij geniet weliswaar een heuse sterrenbehandeling, met luxehotels en een negenkamerappartement in hartje New York, allemaal betaald door zijn manager. Maar platen verkopen doet hij niet. ‘Mick was een geweldig gitarist en briljant arrangeur, maar geen frontman. Dat zag ik zelfs’, zegt zijn latere echtgenote. ‘Maar ik liet me het luxe leventje gewoon welgevallen. Want ik dacht dat het allemaal zo hoorde. Later begreep ik pas dat we diep in de schulden zaten, maar om wat voor bedrag het precies ging zei Defries niet. Zo bleven we van hem afhankelijk.’

‘Wisten wij veel? Ik, een kapper uit Beckenham en Mick, een tuinman uit Hull. We hadden geen idee en waren vooral als de dood dat we weer terug moesten naar ons oude leventje.’

Het gekke was, zo legt Ronson uit, ‘dat Defries Mick toch steeds weer nieuwe kansen gaf, alleen bleven de financiën vaag geregeld’. In haar boek daalt bij Ronson op iedere pagina steeds meer besef in van het idee dat vooral Mick, zoals ze dat nu noemt, ‘behoorlijk genaaid’ is. ‘Hij verdiende in de hoogtijdagen van The Spiders from Mars 50 pond per week. Dat was niet alleen voor zijn bijdrage aan Davids liedjes en sound, maar ook voor zijn werk met David aan bijvoorbeeld het succesalbum Transformer van Lou Reed in 1972. Die prachtige pianopartij in Perfect Day wordt door Mick gespeeld. Daar kreeg hij op papier wel credits voor, maar geen betaling.’

Ach, zegt Ronson. ‘Ergens kan ik het David en Defries niet eens kwalijk nemen. Voor iedereen was in die tijd het grote geld in de pop iets nieuws. De Taylor Swifts van deze tijd zal het allemaal niet meer overkomen, maar in onze tijd deed iedereen maar wat.’

Bob Dylan

Zo is het ook een gelukkig toeval dat tegen het eind van het boek Bob Dylan ineens in het leven van Mick en Suzi opduikt. Ze zitten samen in de New Yorkse club The Bitter End als Dylan ineens binnenwandelt en een paar nummers van het nog te verschijnen album Desire speelt. ‘De band komt erbij, het wordt stampvol, ik zeg tegen Mick: dit is je kans, pak je gitaar en ga meedoen.’ Niet zonder overdrijving beschrijft ze het moment waarop Mick zich bij Dylan op het podium voegt – ‘alsof Mozart even langskomt’. En niet veel later maakt Mick Ronson deel uit van Dylans Rolling Thunder Revue, die de op dat moment spraakmakendste tournee door Amerika gaat maken. Suzi wil graag mee, wat later tijdens de immense tour ook mag.

De toon van Ronsons verteltrant wordt enthousiaster, begeesterd zelfs als ze over Bob Dylan praat. Zijn charisma, daar kon zelfs dat van David Bowie niet tegenop. ‘Wauw, wat een magneet was dat, die kan in z’n eentje 50 duizend mensen stil krijgen door ze alleen maar naar hem te laten kijken. Haha, ik ben er nog altijd lyrisch over.’

Het waren ook een paar mooie maanden, zegt ze. Ontmoetingen met mensen als Allen Ginsberg, Joni Mitchell en Joan Baez, ‘van wie ik eerlijk gezegd nog nooit gehoord had’, en iedere avond zien hoe Mick de sterren van de hemel speelde. Zo zit ze binnen het bestek van een paar jaar maar mooi in de entourage van twee van de grootste popsterren van de jaren zeventig. ‘Ja, maar om eerlijk te zijn: Dylan heeft geen woord tegen me gezegd. Die liet zich onderweg niet zien tussen de muzikanten en had zo zijn eigen groepje intimi. Ook Mick heeft nauwelijks een woord met hem gewisseld, zelfs een complimentje over zijn gitaarspel kon er niet vanaf.’

Maar had de gewezen kapper niet op z’n minst de aanvechting om Dylans haar te knippen? Ronson slaat van schrik een hand voor haar mond. ‘Mijn god, nee, dat zou ik nooit durven. Bovendien zat zijn haar geweldig. Mooie krulletjes met daarop steeds weer een ander hoedje of pet. Wat hij ook droeg, het stond hem goed.’

Ronsons boek houdt op als Mick uitgespeeld is bij Dylan en hij even geen werk heeft. Hij leeft dan vooral van productieklussen. Mick en Suzi trouwen in 1977 in Bearsville, krijgen hun dochter Lisa en daar, betrekkelijk gelukkig, eindigt het verhaal. ‘Ik ben heel blij dat ik dit verhaal heb verteld. Maar eerlijk gezegd moest mijn diepste dal nog komen. Al jaren zeiden mensen tegen me dat ik alles eens moest opschrijven. Het was toch heel bijzonder wat we met Bowie hadden meegemaakt. Dat was het ook. En eigenlijk heb ik er bijna twintig jaar vooral met plezier en trots aan teruggedacht. Mick, Lisa en ik hadden ook een leuke tijd samen. Totdat Mick in 1993 aan kanker overleed. Toen brak voor mij een zware tijd aan. Ik had geen inkomsten, en had soms twee baantjes tegelijk om rond te komen.’

Niet alles verwerkt

Ronson heeft moeite met dit deel van het verhaal, dat ze naar eigen zeggen ook veel minder vaak heeft verteld dan de episodes over haar tijd met David Bowie. Ze heeft altijd gedacht dat ze die paar jaar met Bowie wel een plekje had gegeven. Maar tijdens het werken aan het boek kwamen er toch wat kwaadaardige gevoelens op, waar de lezer overigens weinig van merkt. ‘Het moest geen boek over een nare popster worden, maar naarmate ik dichter op het heden kwam merkte ik dat ik toch niet alles verwerkt heb.’

Een paar jaar voor Bowies dood in 2016 had ze even contact met hem toen Ronson meewerkte aan de documentaire Beside Bowie: The Mick Ronson Story, die uiteindelijk in 2018 verscheen. Maar ze had graag nog eens een goed gesprek met hem gehad over vroeger. Er zit nog veel oud zeer. Niet alleen over zijn gedrag in 1973, maar ook over hoe hij in Ronsons ogen toch tekortschoot toen haar man stervende was. ‘Hij had best wat meer voor Mick kunnen doen’, zegt ze wat geëmotioneerd. ‘Zonder Mick was Bowie vast wel een ster geworden, maar een andere. Mick was echt bepalend voor hoe Bowie begin jaren zeventig klonk.’

Zelf mocht ze met Bowies kapsel een bijdrage leveren aan zijn imago en ze had die periode met hem ook voor geen goud willen missen. ‘Dit is toch wat ik wilde. Geen negen-tot-vijfbaan, maar avontuur. Daar horen teleurstellingen bij, maar ook mooie dingen, zoals het schrijven van dit boek. Wie haar destijds in Evelyn Paget, de zaak waar ze als kapper in opleiding was aangenomen, had gezegd dat dat ze 55 jaar later een boek zou schrijven, had ze keihard uitgelachen. ‘Maar toen ik tijdens de pandemie toch even weinig anders kon doen, beviel dit nieuwe vak me prima. Ik ben zelfs al aan een vervolg begonnen, waarin de jaren na 1977 ter sprake komen. Ons gezin, de moeite die het kostte het hoofd boven water te houden, en het leven na de dood van Mick komen erin voor. Het schrijven gaat zwaar worden, dat merk ik nu als ik over die tijd praat. Het moet een verhaal worden over Micks mooie kanten. De mindere kanten van David, daar ben ik nu wel even over uitgepraat.’

Suzi Ronson: Bowie en ik - Mijn leven met David Bowie en The Spiders from Mars. Ambo Anthos, 307 pagina’s; € 23, 99.

Rock ‘N’ Roll Star!
Onlangs verscheen van David Bowie de cd-box Rock ‘N’ Roll Star! met daarin zes cd’s die het muzikale verhaal van Bowie tussen 1971 en 1972 vertellen. De cd’s zitten in een prachtig boek, en wie de foto’s goed bekijkt ziet ook hoe Bowie’s kapsel in die tijd verandert van lang-blond naar kort-rood. In februari 1972 is het bij de tv-opnames van The Old Grey Whistle Test nog blond maar kort. Een maand later maakt Mick Rock de eerste foto van Bowie met vuurrood haar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next