Schrijver en hoogleraar Michael Ignatieff opent deze woensdag in Amsterdam het academische jaar. Maandag ging hij daarover alvast in gesprek met de Volkskrant en konden we lezen met welke boodschap hij naar Nederland komt. Die blijkt weinig opzienbarend, maar dat zijn waarachtige dingen gelukkig zelden. Ignatieff waarschuwt tegen de extreme flanken en pleit voor het redelijke midden als antwoord op drie soorten bedreigingen van de academische vrijheid.
De eerste heeft Ignatieff aan den lijve ondervonden: zijn eigen Central European University (CEU) moest noodgedwongen verhuizen van Boedapest naar Wenen als gevolg van het populistisch, autocratisch regime in Hongarije. Victor Orbán moet niks hebben van de links-activistische ‘woke’ bolwerken die universiteiten in zijn ogen plegen te zijn, en verzon een wet die CEU het bestaan onmogelijk maakte.
Ook in Nederland klinkt het verwijt dat universiteiten zich schuldig maken aan politiek activisme. De PVV hekelde dat activisme laatst nog en lichtte toe hoe de bezuiniging van bijna 1 miljard euro op het hoger onderwijs moet worden gezien ‘als mogelijkheid voor onderwijsinstellingen om hun prioriteiten te heroverwegen’.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een tweede bedreiging ziet Ignatieff in de aanval op universiteiten in China en Rusland; hij pleit ervoor de banden juist te blijven onderhouden met academische instituten in die landen.
De derde bedreiging tenslotte komt van binnenuit: links-activistische academici en studenten met een dogmatische focus op progressieve thema’s. Volgens Ignatieff is binnen universiteiten een bepaalde linkse orthodoxie verankerd geraakt. Hij waarschuwt ervoor dat het niet de taak is van academici om studenten of de maatschappij een bepaalde ‘correcte’ wijze van denken aan te leren. Het gaat erom een brede verscheidenheid aan ideeën aan te reiken.
Dat extreme flanken elkaar versterken is bekend. Ook in het betoog van Ignatieff komt naar voren hoe progressieve vooruitgang een tegenbeweging heeft opgeroepen vanuit het rechts-nationalisme, waarna progressief links zich dwingender is gaan opstellen. Het is alsof we in een krakelingvormige achtbaan zijn terechtgekomen waar je van de ene bocht naadloos doorschiet in de volgende, zonder daartussen op een recht stuk vaart te kunnen minderen.
Neem de discussie die op universiteiten is ontstaan over het optreden van Israël in Gaza. Op papier klinkt het mooi, dat redelijke midden bewandelen, maar de praktijk leert dat redelijkheid verdwijnt in de schaduw van extremisme. Wanneer mensen getuige zijn van brute misdaden, roept dat sterke emoties op. Goddank, want daarin toont zich onze menselijkheid. Zolang het lijden van een medemens iets in ons in beweging brengt, is er reden tot hoop.
Maar wanneer de beweging te sterk wordt, ons overneemt en door elkaar schudt; wie houdt er dan nog zicht op zijn positie? Links, rechts of het midden; het dondert niet. Het eigen gelijk, dát is wat nog telt. ‘Zien jullie dan niet wat ik zie?’, schreeuwt de onbegrepen mens die in een wereld lijkt te ontwaken waarin alles op z’n kop staat.
Ignatieff prijst de Universiteit van Toronto omdat die de protesterende studenten niet door de politie liet ontruimen, maar de kwestie voorlegde aan de rechter. Nu is de rechtbank bij uitstek de plek waar conflicten moeten worden beslecht. Maar net zoals universiteiten politiek activisme kan worden verweten, geldt dat ook voor de rechtspraak. Dan krijg je kreten over ‘D66-rechters’ of wordt er gezegd dat de rechter op de stoel van de wetgever is gaan zitten. Bovendien is een beslissing van een rechter geen eindpunt: partijen moeten daarna nog steeds met elkaar verder.
De academische vrijheid beschermen door het redelijke midden op te zoeken lijkt me een wijze aanpak. De hamvraag is alleen: hoe krijg je mensen uit de flanken terug naar dat midden?