Aan de zoom van de Veluwe ligt een prachtig heidegebied. Ik struinde in de warme nazomerzon over die paars bloeiende glooiingen en maakte foto’s, tegen beter weten in: zelfs op een goed gelukte foto ziet de hei er meestal uit als het behang van een DDR-koffiehuis anno 1972.
Voor me liep een jong stel. Het meisje, met priemende tietjes achter een kort overgooiertje, was nogal mooi, op een manier die aan caissières van natuurwinkels deed denken: tenger, bleek, en met het puriteinse, vaalblonde kapsel van de vrouw op het schilderij American Gothic. De jongen leek op Stradlater, de irritant knappe, bevoorrechte klasgenoot van Holden Caulfield in The Catcher in the Rye.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Het meisje huppelde, ondanks de hitte, en babbelde honderduit. ‘Jij weet vast niet waarom er zo veel stekelige planten op de hei groeien’, zei ze tegen de jongen. ‘Nee’, antwoordde die. Hij wílde het ook niet weten. ‘Het heeft met dieren te maken!’, kirde het meisje animerend. ‘O’, antwoordde de jongen dof, maar ze vervolgde: ‘Er leven hier Schotse Hooglanders. Dat is een soort wilde koe met een héél dikke vacht. Weet je hoe Schotse Hooglanders eruitzien?’
‘Min of meer’, loog de jongen. ‘Ze hebben een héél stugge vacht’, vervolgde het meisje. ‘En die vacht heeft een dóél. Heel mooi. Dat doet de natuur.’ De jongen liet zijn zijn grote, ontevreden Herculeskop hangen, en staarde verveeld naar het stoffige wandelpad.
‘Kijk’, zei het meisje, en wees naar een grote distel. ‘Die Hooglanders lopen hier tussen de planten door. En dan blijven de zaden aan hun vacht hangen.’ (Ze had de stem van Annika, Pippi Langkous’ brave vriendinnetje.) ‘En dan vallen die zaden verderop weer op de grond. En dan groeit daar vanzelf een nieuwe distel uit. Dat doet de natuur. Mooi, hè?’
‘Ja’, zei de jongen neerslachtig. Het meisje maakte weer een huppeltje, waarbij haar tietjes vrolijk schudden. De jongen loerde ernaar, maar het meisje hervatte: ‘Bovendien woelen die Hooglanders de grond om, zodat die zaden...’
Juist liep ik te overwegen wie van die twee ik het vervelendst vond, toen ik op een robuuste struik rozemarijn stuitte. Kijk eens aan, die kon ik straks gebruiken bij het koken! Met een forse ruk greep ik een tak, waarbij de plant, die dus beslist géén rozemarijn was, zijn onzichtbare, maar vlijmscherpe stekels diep in mijn hand boorde. Het deed raar veel pijn en mijn vingers begonnen meteen op te zwellen.
‘En weet je?’, zei het meisje. ‘Die planten beschermen zichzelf met scherpe stekels, zodat ze niet opgegeten worden. Mooi, hè? Dat doet de natuur.’
Source: Volkskrant