Vanaf vandaag heeft Den Haag een monumentaal standbeeld van de in Paleis Noordeinde geboren oud-koningin. Eindelijk, want al in 2005, een jaar na haar dood, werd daarvoor voor het eerst gesproken in de Haagse gemeenteraad.
Natuurlijk vindt keramist Ingrid Mol het ‘spannend’ dat prinses Beatrix (86) maandag het beeld onthult dat zij van haar moeder Juliana heeft gemaakt. Om allerlei redenen. ‘Maar vooral omdat Beatrix zelf een goede beeldhouwer is’, zegt Mol (54).
We staan in het atelier van Struktuur 68 in Den Haag, de plek waar al decennialang kunstenaars die keramiek maken aan hun beelden werken. Karel Appel, Corneille, Lucebert, Armando; ze waren hier allemaal. ‘Als keramist’, zegt Mol, ‘ben je zowel beeldhouwer als schilder. Je maakt vorm én kleur. Dat verklaart mijn liefde voor dit materiaal.’
Spannend is de dag ook, omdat het beeld een lange voorgeschiedenis heeft. Al een jaar na het overlijden van Juliana (1909-2004) besloot de gemeenteraad van Den Haag dat de vorstin een standbeeld verdiende. Ze werd in deze stad geboren, in paleis Noordeinde. Maar pas in 2013 werd via het kunstcentrum Stroom aan vier kunstenaars gevraagd een voorontwerp te maken.
In 2015 kreeg Mol de definitieve opdracht. Voor de plaatsing zijn verschillende locaties de revue gepasseerd, maar van meet af aan had het Koningin Julianaplein voor het Centraal Station de voorkeur. Alleen is dat plein al jaren in ontwikkeling. Op dit moment wordt er nog volop gebouwd. Besloten is daarom het beeld tijdelijk verderop te plaatsen, op de Koekamp, richting het Malieveld.
Mol heeft er vrede mee. ‘Het is een mooie plek, langs een wandelpad, dichtbij het water. Ik denk dat het daar voorlopig goed staat.’ De onthulling is voor haar de afronding van een monumentaal werk waarmee zij jaren intensief bezig is geweest. Op een rek in het atelier staat een kleine voorstudie die een indruk geeft.
Het beeld toont Juliana op werkbezoek, onder de mensen. Juliana was koningin van 1948 tot 1980 en Mol wil vooral laten zien dat zij een krachtige, sociaal bewogen vrouw was. Op de sokkel van een meter hoog staan vier figuren van zo’n 2,70 meter lang. Een van hen is Juliana, die luistert naar wat twee mannen en een vrouw haar al lopend vertellen.
Met grijs-blauwe kleuren, en Juliana in gebroken wit met een mutsje op, wil Mol de sfeer creëren van een scène eind jaren vijftig, ten tijde van de wederopbouw van Nederland. ‘Een van de mannelijke figuren heb ik losjes gebaseerd op mijn opa’, zegt Mol. ‘Dat is de man met de lange jas, hij werkte bij de fabriek van Forbo die vloeren maakt.’
Het Juliana-beeld begon met duizenden kilo’s massieve klei, van de vloer tot aan het plafond. Mol wijst op de houten blokken aan het plafond die het geheel op zijn plaats hebben gehouden. In die natte klei is Mol gaan boetseren. ‘Doordat de klei massief is, kun je er lekker diep in komen.’
Omdat de ovens in het atelier kleiner zijn dan het formaat van het werk, is de bewerkte klei met een ijzerdraad voorzichtig in stukken gesneden. De verschillende delen werden uitgehold en daarna gebakken, op ruim 1.100 graden. Daarna volgde het glazuren, in het atelier staan langs de wanden 12 duizend tabletten in alle denkbare kleuren, als een staalkaart van wat er na een nieuwe ronde in de oven uiteindelijk tevoorschijn kan komen.
In de volgende fase zijn de losse delen naar de gespecialiseerde aannemer Zuliani in Zoetermeer gegaan, die er weer een geheel van maakte en de naden zo goed mogelijk heeft afgevoegd. ‘Om het werk bestendig te maken tegen vandalisme’, zegt Mol, ‘zijn de vier figuren door hem ook volgestort met beton.’ De sokkel is van terrazzo, de Italiaanse techniek die met kleine steentjes in cement een mozaïekeffect geeft.
Afgelopen vrijdag is het beeld geplaatst, in afwachting van de onthulling. Veel beelden van Juliana zijn er niet, terwijl er van haar moeder Wilhelmina minstens zeventien verspreid over Nederland staan. Voor paleis Soestdijk staat een bronzen beeld van Kees Verkade, van koningin Juliana en prins Bernhard die het defilé afnemen. Bij de Raad van State is in de portretgalerij een bronzen hoofd te zien van een jonge Juliana, uit 1935, door Gerrit Jan van der Veen, en ook Charlotte van Pallandt maakte een bronzen kop, in 1953.
‘Ik vind brons minder bij Juliana passen’, zegt Mol. ‘Het maakt haar chic, terwijl zij juist gewoon wilde zijn. Met keramiek in de openbare ruimte, mijn specialiteit en die van Struktuur 68, komt dat gewone beter tot uitdrukking.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant