Ignatieff spreekt in Amsterdam bij de opening van het academisch jaar. In Hongarije zag hij de schade die rechts-populisten universiteiten toebrengen, maar hij waarschuwt ook voor links: ‘Het is niet onze taak om studenten ‘correct’ te leren denken.’
De Canadese alleskunner Michael Ignatieff (77) – gevierd (roman)schrijver, hoogleraar, oud-politicus – is een man van ‘het redelijke midden’. Iemand die het hoofd koel probeert te houden terwijl de extremen aan weerszijden van hem oplaaien.
Die middenpositie probeert Ignatieff vooral te bewandelen in de academische wereld, die volgens hem wereldwijd onder toenemende druk is komen te staan. Enerzijds door populistische, autocratische regimes en anderzijds van links-activistische academici en leerlingen met een dogmatische focus op antiracisme en seksisme. Beide bewegingen – of die nou worden aangevoerd door politieke leiders als Viktor Orbán in Hongarije of door ‘woke’ academici die geen andere geluiden dulden – brengen volgens hem de academische vrijheid in gevaar.
Over de auteur
Hassan Bahara is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
Woensdag 4 september, bij de opening van het academisch jaar, spreekt Ignatieff in De Waalse Kerk in Amsterdam de academische gemeenschap toe over dit tweekoppige monster. Dat doet hij op uitnodiging van het wetenschappelijk instituut Nias (Netherlands Institute for Advanced Study), dat academici van over de hele wereld fellowships aanbiedt om zich aan hun eigen onderzoek te wijden.
‘Ik zal tijdens mijn lezing in Amsterdam drie dingen aanstippen’, zegt Ignatieff via een videoverbinding. De schrijver en hoogleraar spreekt vanuit zijn werkkamer in zijn landhuis in Hongarije, waar hij af en aan woont met zijn Hongaarse vrouw Zsuzsanna Zsohár. ‘Ik zal spreken over de dreiging voor de academische vrijheid die uitgaat van autocratische regimes in Europa. Ik zal het hebben over de aanval op universiteiten in China en Rusland, en waarom het van het grootste belang is dat we banden blijven onderhouden met de academische instituten in die landen.
‘En tot slot wil ik het hebben over de dreiging voor universiteiten van binnenuit. Ik ben nog zo’n oude progressieve academicus van de jaren zestig. Mijn generatie progressievelingen heeft veel vooruitgang geboekt op het gebied van feminisme, de acceptatie van homoseksuelen en etnische minderheden. Daar kunnen we trots op zijn.
'Maar daar is wel een onverwachte backlash op gekomen vanuit het rechts-nationalisme, zoals belichaamd door Geert Wilders of Giorgia Meloni, de politiek leider van Italië. Als reactie daar weer op is er binnen universiteiten een soort dwingende politieke correctheid verankerd geraakt over kwesties als migratie. En daar hebben we het veel te weinig over op universiteiten.’
Ignatieff werd geboren in de Canadese stad Toronto, in een Russisch migrantenmilieu, met een vader die als diplomaat voor de Canadese autoriteiten zijn gezin over de hele wereld meeverhuisde. Zelf verkoos Ignatieff aan het begin van zijn carrière de academische wereld en de letteren. Hij werd (hoog)leraar geschiedenis aan prestigieuze universiteiten zoals Cambridge en Oxford in Engeland en Harvard in de Verenigde Staten. Ook onderscheidde hij zich met bekroond non-fictiewerk over historische onderwerpen en een roman (Reis naar het ongerijmde) die genomineerd werd voor de Britse Booker Prize.
In 2008 lonkte alsnog de politiek en werd hij leider van de progressieve Liberal Party of Canada, nu aangevoerd door de Canadese premier Justin Trudeau. Een groot succes werd dat niet. Met Ignatieff als leider werden de progressief-liberalen bij de verkiezingen in 2011 gedecimeerd en kwam er een einde aan zijn politieke ambities.
Sinds 2016 is Ignatieff verbonden aan de Central European University (CEU), een particuliere universiteit met tot voor kort de Hongaarse hoofdstad Boedapest als belangrijkste standplaats. Ignatieff begon er als rector, maar staat nu weer voor de klas als hoogleraar geschiedenis.
Vrijwel vanaf het begin van zijn tijd aan de CEU zag Ignatieff van dichtbij de agressieve ondermijning van universiteiten door autocratische regimes. De CEU werd in 1991 opgericht door de Hongaars-Amerikaanse zakenman en filantroop George Soros, een gezworen vijand van Viktor Orbán. De Hongaarse premier is wars van academische vrijheid en doet universiteiten geregeld af als links-activistische bolwerken.
Vanwege de connectie met Soros werd de universiteit herhaaldelijk op de korrel genomen door Orbáns regering en geestverwanten. Zo vroeg een regeringsgezinde website studenten aan de CEU om namen door te geven van docenten die ‘ongevraagd linkse meningen’ spuien.
Vanaf 2017 werden de aanvallen op de CEU opgevoerd, onder meer met de introductie van een wet die de mogelijkheid tot onderwijs voor buitenlandse academische instituten (de CEU heeft een Amerikaanse onderwijsaccreditatie) aan banden legt. De schok onder academici van over de hele wereld vanwege deze aanval op de academische vrijheid was groot, en in Boedapest gingen tienduizenden mensen de straat op. Na een juridisch gevecht gaf de CEU een jaar later de strijd op en verkaste naar Wenen.
Hoewel Ignatieff de aanval op universiteiten door antiliberale autocratische regimes zorgelijk vindt, benadrukt hij in het gesprek met de Volkskrant vooral de dreiging die volgens hem de academische wereld van binnenuit teistert.
‘Universiteiten worden altijd al bekritiseerd. En dat is helemaal niet verkeerd. Ze moeten worden bekritiseerd, want omgekeerd uiten wij vanuit de universiteit ook kritiek op van alles en nog wat. Maar nu is er iets anders gaande. En een van de reden waarom wij nu fel worden bekritiseerd, is dat er in de universiteiten een bepaalde linkse orthodoxie verankerd is geraakt die feministisch is, antiracistisch, antizionistisch en antineoliberaal.
‘Dat heeft een ontzettend schadelijk effect op onze reputatie buiten de universiteiten, omdat men ziet dat we daarmee onze academische waarde van ideologisch pluralisme verloochenen. Nu staan onze syllabi vooral vol met het werk van antikoloniale denkers als Frantz Fanon. Ik denk niet dat het onze taak is als academici om studenten een bepaalde ‘correcte’ wijze van denken aan te leren. Wij moeten ze juist een brede verscheidenheid aan ideeën aanreiken.’
Op welke manier neemt de buitenwacht aanstoot aan deze ontwikkeling binnen universiteiten?
‘Wat wij academici altijd tegen de buitenwereld zeggen is: verdedig onze mensen en ons recht op academische vrijheid. Maar wat de buitenwereld hoort is: verdedig ons recht om een nieuwe generatie mensen te indoctrineren, om hen te laten geloven wat wij geloven. Alsof het onze taak is om mensen anti-imperialistisch, antiracistisch, antiseksistisch gedachtegoed bij te brengen. Begrijp mij niet verkeerd, dit zijn allemaal kwesties die mij ook na aan het hart liggen, maar universiteiten zijn er niet om alleen deze ideologische lijn uit te zetten.
‘Daarnaast: universiteiten zijn in de afgelopen decennia veel toegankelijker geworden, maar er is nog altijd een grote groep mensen in het Westen die geen academische opleiding genoten heeft. Zij krijgen telkens vanuit de academische wereld te horen dat hun manier van denken racistisch en seksistisch is. Het ressentiment tegen universiteiten is daardoor gegroeid.
‘Wij academici moeten niet in onze ivoren torens blijven zitten en de mensen buiten universiteiten veroordelen, maar ze juist opzoeken en vragen waarom ze denken wat ze denken. Niet om hun racistische of seksistische denkbeelden te vergoelijken, maar om te luisteren, te begrijpen. En die kritiek geldt ook voor mijzelf. Ik zal ook mijn syllabus moeten doornemen en mijzelf moeten afvragen waarom ik onderwijs wat ik onderwijs.’
Speelt deze kwestie – progressief dogmatisme – ook op uw universiteit?
‘Jazeker. Wij hebben als Central European University sowieso een reputatie als een behoorlijk links-progressief instituut. En daarom is het belangrijk dat wij niet aldoor gaan pronken met onze morele verhevenheid, maar ruimte blijven maken voor serieus en kritisch nadenken. Daar hebben we het binnen de universiteit constant over.’
Hoe pakken jullie dat progressief dogmatische in praktische zin aan?
‘Dat doen we onder meer door scherp te kijken naar ons aanname- en promotiebeleid voor docenten. Je kijkt dan naar wat ze hebben geschreven, en als dat vooral veel politieke correctheid is, dan neem je ze niet aan, of je geeft ze geen promotie. En we kijken in samenspraak met studenten ook zorgvuldig naar de lesinhoudelijke kwaliteiten van onze docenten. Als studenten aangeven dat de lessen vooral op een ideologische bijeenkomst lijken, dan hebben we een hartig woordje te spreken met de docenten.
‘Uiteraard, academische vrijheid betekent ook dat docenten de vrijheid hebben om hun eigen lesmateriaal samen te stellen. Maar die vrijheid is niet ongelimiteerd. Docenten hebben de verantwoordelijkheid om te voldoen aan de geldende standaarden van gedegen en pluralistisch academisch onderwijs. Voldoen ze daar niet aan, dan moet je maatregelen nemen.’
Net als op andere universiteiten werden het afgelopen jaar ook op de Central European University in Wenen verhitte debatten gevoerd over de oorlog in Gaza, waarbij inmiddels meer dan veertigduizend Palestijnse burgers zijn gedood door het Israëlische leger. Volgens Ignatieff probeerde de universiteit dit debat in goede banen proberen te leiden door lezingen te organiseren over de term ‘genocide’, een begrip dat door verschillende mensenrechtenspecialisten in de mond wordt genomen als de ‘mogelijk’ juiste omschrijving van het Israëlische legeroptreden in Gaza.
De bedoeling van zulke lezingen is, aldus Ignatieff, om precies te bepalen wat de juridische definitie van een genocide is, wat oorlogswetten zijn, en wanneer we kunnen spreken van een misdaad tegen de menselijkheid.
‘We hebben Palestijnse studenten, Israëlische en Joodse studenten uit andere landen. Dus ja, ook bij ons kunnen de debatten er stevig aan toe gaan. Maar het is de taak van een universiteit om context te verschaffen, we moeten de geschiedenis presenteren van dit langslepende en tragische conflict. En mensen die thuis zijn in het internationale mensenrecht, zoals ik, moeten het hebben over de juridische dimensie.’
In de VS bemoeien Republikeinse politici zich met het protest tegen de oorlog in Gaza op universiteiten. Zij verwijten de decanen van deze universiteiten dat zij niet hard genoeg optreden tegen deze protesten en tegen antisemitisme op de campussen. Wat vindt u van deze bemoeienis?
‘Er is zeker sprake van politieke druk. De voorzitters van drie universiteiten zijn hierdoor hun baan kwijtgeraakt. Maar deze druk komt niet alleen van Republikeinen. Er is ook druk van Joodse groepen en Palestijnse. En er is ook druk van binnenuit.
‘Een slachtoffer van deze laatste vorm van druk is de voorzitter van de Columbia-universiteit, Minouche Shafik. Op de universiteit was er veel onvrede over haar besluit om tentenkampen – opgezet door pro-Palestijnse studenten – op de universiteitscampus te laten ontruimen door de politie. Veel studenten en docenten vonden dat een aanval op de academische vrijheid. Dat was een pijnlijk besluit van Shafik. De politie erbij betrekken gaat ver, vind ik. Aan de andere kant: niemand heeft het recht om oneindig een campus te bezetten. Uiteindelijk moeten de regels wel worden gerespecteerd.
‘Mijn alma mater, de Universiteit van Toronto, heeft dat veel beter aangepakt, vind ik. Daar sloegen pro-Palestijnse demonstranten ook een tentenkamp op. In plaats van de politie erbij halen, legde de universiteit de kwestie voor aan een rechter. Die besloot dat de universiteit in haar recht stond om de campus te ontruimen. Uiteindelijk kon dat ook op een vredige manier gebeuren.’
Hoe kunnen universiteiten het best de druk weerstaan die zowel vanuit de politiek als van binnenuit kan komen?
‘Allereerst door goed te begrijpen wie we zijn als universiteiten. We zijn ontzettend machtige instituten. Wij bieden toegang tot de banen waardoor studenten kunnen opklimmen naar de (hogere) middenklasse. En ons onderzoek is vaak een belangrijke drijvende kracht achter onze economieën. We nemen daarmee een belangrijke plaats in in de samenleving.
‘En dat verplicht ons om verstandig met onze macht om te gaan. We kunnen niet zomaar roepen wat ons blieft, wat ons het meest politiek correcte geluid lijkt. Wat we zeggen moet voldoen aan scherpe academische criteria.
‘En we moeten erbij stilstaan dat een groot deel van de bevolking geen academische opleiding heeft genoten. In Canada bijvoorbeeld betreft dat ongeveer 40 procent van de bevolking. Hier zitten mensen tussen die het niet zint dat hun de maat wordt genomen door de academische elite.
‘Met die mensen moeten we in gesprek gaan. We moeten onze deuren opengooien, deze mensen bekend maken met ons werk, en laten zien dat onze onderzoeken bedoeld zijn om de maatschappij te helpen een beter begrip te krijgen van de problemen van deze tijd. We zijn daartoe verplicht omdat ook deze mensen belastingbetalers zijn, ook zij betalen mee aan onze rekeningen op de universiteit.
‘En wat betreft de politieke druk: daar moeten we tegen blijven vechten en de machthebbers waarschuwen dat wij de langste adem hebben. Dat is ook wat ik heb geleerd in de strijd tegen Viktor Orbán. Hij heeft ons proberen weg te werken met wetten, maar we zijn er nog altijd. Politici die met ons proberen te sollen doen dat op eigen risico, want wij zullen er ook nog zijn nadat deze machthebbers allang weer zijn verdwenen. En wij zullen optekenen hoe ze ons hebben proberen te muilkorven.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant